Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Wie heeft je gevraagd mijn voorhoven plat te lopen?
titel : Wie heeft je gevraagd mijn voorhoven plat te lopen?
datum : 28 november 2010
volledige onderwerp : Zondag 38
Download deze preek.

Preek over HC zondag 38 (Den Ham, 28-11-10; Koekange, 21-8-11)

Ps.9:1,14,15,16
L Jes.1,1-20
Ps.51:6,7
T HC zondag 38
Ps.66:5,6,7
Ps.71:1,4,8
Ps.71:9,13,14 (na collecte)

(na de lezing van de zondag 38:)

Wie heeft je gevraagd mijn voorhoven plat te lopen?
Dat is
1. een gevaarlijk woord
2. een uitdagend woord

Gemeente van de Here Jezus,

“En wanneer jullie voor mij verschijnen – wie heeft je gevraagd mijn voorhoven plat te lopen?” Het is net of de Here Zichzelf in de rede valt. Hij wilde iets zeggen over de manier waarop zijn volk invulling gaf aan de erediensten. Maar Hij komt er niet eens aan toe. Want Hij heeft het onderwerp nog niet aangesneden, of er komt zoveel weerzin bij Hem boven, dat Hij het niet meer op kan brengen te zeggen hoe het dan wel moet. Het hoeft van Hem helemaal niet meer. “Wanneer jullie mij onder ogen komen – wie heeft je trouwens wijsgemaakt dat ik daar prijs op stel? Houd op met die zinloze offergaven. Ik heb een afschuw van jullie wierook, jullie feesten, nieuwemaan en sabbat. Ik duld ze niet naast al dat wangedrag. Van jullie nieuwemaan, van ál jullie feesten heb ik een afkeer, ze hinderen me, ik kan ze niet langer verdragen. Wanneer jullie je handen opheffen, wend ik mijn ogen af, ook als je aanhoudend bidt, luister ik niet”.
Dat is nogal schokkend, vindt u niet? Denk u eens in dat de Here ook zo op onze erediensten zou reageren. Dan gaat er een mogelijkheid open waar waarschijnlijk niemand van ons rekening mee houdt. Misschien menen we er zelfs wel een heel goede reden voor te hebben om niet langer met deze mogelijkheid rekening te houden. Want die offers waar de Here ten tijde van Jesaja zo’n weerzin tegen had, dat waren ook onvolmaakte offers. Maar wij leven van het volmaakte offer dat Christus eens voor altijd gebracht heeft. Het bestaat dan ook niet dat God ooit een afkeer van dat offer zou krijgen.
Inderdaad, dat bestaat niet. Maar in gereformeerde erediensten wordt dat offer ook niet gebracht. In de Rooms-katholieke kerk meent men wel dat de kerk God het offer van Christus aanbiedt, om zo de zonden van de kerkgangers te verzoenen. Maar dat menen wij toch beter te weten. Maar als wij het inderdaad beter weten, dan moeten we ook zeggen dat wij in onze erediensten niet Christus, maar onszelf aan God aanbieden. Hier zijn wij, om uw woord te horen, de sacramenten te gebruiken, uw naam publiek aan te roepen en de armen christelijke barmhartigheid te bewijzen. Volgens Heidelbergse Catechismus zondag 38 zijn dat de dingen die wij in een zondagse eredienst doen. Let wel: die wij in een zondagse eredienst doen. Ik kan dat ook zonder problemen als amenlied op de preek die oudtestamentische Psalm 66 vers 5 opgeven:

Ik kom met gaven in mijn handen.
Zie tot uw tempel treedt uw knecht
en brengt u, Heer de offeranden,
U in benauwdheid toegezegd.
Brandoffers wil ik U bereiden
en zoete geuren op doen gaan.
Ik wil U heel mijn leven wijden:
aanvaard het, neem mijn offer aan.

Wij komen naar de kerk om God het offer van ons hart, onze mond en onze handen te brengen. Dat we hier zijn is, om met de dichter van Psalm 66 te spreken, omdat wij God heel ons leven willen wijden.
Maar als dat nu eens niet zo is? Als wij slechts in de kerk komen omdat we God slechts één uur van de dag willen wijden, en als we voor de tweede keer in de kerk komen omdat we God nog een tweede uur van de dag willen wijden? Wat nu als die twee uur in schril contrast staan met 7 x 24 – 2 = 166 uur staan? Is het dan nog steeds ondenkbaar dat God ook van onze erediensten zegt: “Ik duld ze niet naast al dat wangedrag. Wanneer jullie je handen vouwen, wend ik mijn ogen af, ook als je aanhoudend bidt, luister ik niet”? Een hervormde theoloog, O. Noordmans, schrijft in zijn boek over Liturgie: “De ontmoeting-met-God hangt af van zijn wil, zijn bijzondere genade. God kan onder de dienst absent zijn en onder de preek zwijgen. Hij kan ook doof zijn voor het gebed en het koraalgezang. Zijn aanwezigheid kan nooit resultaat van het uitoefenen van een aantal riten zijn. Ook als wij de middelen niet verachten, dan blijven het toch genademiddelen”. Deze theoloog heeft groot gelijk.
Blijft echter de vraag of het niet onbillijk van God is, als Hij ons afvraagt: “Wie heeft je gevraagd mijn voorhoven plat te treden?” Wie heeft daarom gevraagd?! Je zou toch zeggen: God heeft daar zelf om gevraagd! Hij wilde zelf graag dat zijn volk voor Hem verscheen? Hij heeft toch zelf in zijn wet het vierde gebod uitgevaardigd: “Houd de sabbat in ere, het is een heilige dag”?
Nu, zo staat het inderdaad in de Nieuwe Bijbelvertaling. Mensen voor wie de sabbat en de zondag hetzelfde zijn moeten wel blij zijn met die vertaling. Want nu staat er wat zij altijd al gezegd hadden: de zondag is niet alleen een heerlijke dag, maar zelfs een heilige dag. Toch is het nog niet zo lang geleden dat u zondag aan zondag te horen kreeg: “Gedenk de sabbatdag dat gij die heiligt”. Zondagsheiliging, dat is niet iets waar God aan moet doen, maar iets waar wij aan moeten doen.
Nu stond er in de oude vertaling van Leviticus 23 vers 3 ook: “Zes dagen mag arbeid verricht worden, maar op de zevende dag zal er een volkomen sabbat zijn: een heilige samenkomst”. Omdat er in die tekst sprake is van “een heilige samenkomst” zal de Catechismus naar deze tekst verwijzen bij de zin “dat ik op de sabbat, dat is op de rustdag, trouw tot God gemeente zal komen”. Daar staat het dan toch maar: op zondag moet je naar de kerk. Maar als je de nieuwe Bijbelvertaling op dit vers naslaat, is dat ineens minder evident. Want daar lezen we: “Zes dagen kun je werken, maar de zevende dag is het sabbat, een dag van volstrekte rust, die je als heilige dag samen moet vieren”. Nu ligt het voor de hand, als je de sabbat samen moet vieren, dat je dan een samenkomst belegt. Maar u moet goed begrijpen dat God die invulling van het sabbatsgebod aan ons heeft overgelaten. Als jongeren, zoals afgelopen week, op catechisatie vragen: “Waar staat dat in de Bijbel dat je twee keer naar de kerk moet?”, dan is dus het antwoord: Nergens. Sterker nog, er staat zelfs niet in de Bijbel dat je één keer naar de kerk moet.
Nu zal iemand zeggen dat er toch ook in de Bijbel staat dat wij onze eigen bijeenkomst niet moeten verzuimen, zoals sommigen dat gewoon zijn? Inderdaad, dat staat in Hebreeën 10 vers 25 (NBG-51). Maar wat wordt er nu precies bedoeld met die “eigen bijeenkomst”? Slaat dat op de kerkdienst? Dat lijkt erg voor de hand te liggen. Maar wie meent zijn tekstje nu gevonden te hebben, moet zich wel realiseren dat dat woord “bijeenkomst” in het enkelvoud staat. Mensen die dit woord aanhalen doen dat vaak in het meervoud: “Wij moeten onze eigen bijeenkomsten niet verzuimen, zoals sommigen dat gewoon zijn”. Dus als de kerkenraad, die God over de gemeente aangesteld heeft je oproept om ook ’s middags naar de kerk te gaan, moet je die bijeenkomst niet verzuimen, zoals helaas steeds meer mensen dat gewoon zijn.
Nu denk ik inderdaad dat met dat enkelvoud, “onze eigen bijeenkomst”, een meervoud bedoeld wordt. Maar of dat dus slaat op meer dan één kerkdienst op zondag? Zou het ook iets te maken kunnen hebben met wat we lezen in Handelingen 2 vers 46: “Elke dag kwamen ze trouw en eensgezind samen in de tempel, braken het brood bij elkaar aan huis en gebruikten hun maaltijden in een geest van eenvoud en vol vreugde”? Dat zou toch niet best zijn, broeders en zusters, dat er met die “eigen bijeenkomst”, die we niet mogen verzuimen, bedoeld werd: dat we, net als de eerste gemeente, alle gelegenheden aan moeten grijpen om samen te komen? Toch wordt dat er wel degelijk mee bedoeld, ook door de schrijver van die roemruchtige tekst over die eigen bijeenkomst die we niet moeten verzuimen: wij moeten alle gelegenheden aangrijpen om bijeen te komen. Want wat staat er in Hebreeën 10 vers 25b? “(Wij moeten onze eigen bijeenkomst niet verzuimen, zoals sommigen dat gewoon zijn,) maar elkander aansporen, en dat des te meer, naarmate gij de dag ziet naderen”. Let wel, er staat dus niet dat je je in je eigen bijeenkomst moet laten aansporen (door de dominee), maar dat je zelf in je eigen bijeenkomsten elkaar moet aansporen. Toegepast op het scala aan bijeenkomsten dat er in de kerk onder verantwoordelijkheid van de kerkenraad belegd wordt, gaat dat niet alleen over de kerkdiensten, maar ook over wijkbijeenkomsten waarop over een jaarthema doorgesproken wordt of over Bijbelstudiebijeenkomsten waarop u met elkaar in gesprek gaat om op zoek te gaan naar de betekenis van Gods Woord voor uw en elkaars leven.
Hoe zulke bijeenkomsten hier lopen, weet ik natuurlijk niet. Maar je ziet in veel kerken dat er m.n. voor vormen van gezamenlijke Bijbelstudie steeds minder animo is. Mannenverenigingen lopen vaak helemaal niet. Kleine jeugdverenigingen lopen wel, maar daar moet je van je ouders ook heen. Zolang die ouders echter zelf het goede voorbeeld niet geven, kun je wel voorspellen wat de kleine jeugd gaat doen als samen aan Bijbelstudie doen iets wordt waar ze, net als hun ouders, zelf voor moeten kiezen.
“Wij moeten onze eigen bijeenkomsten niet verzuimen, zoals sommigen dat gewoon zijn, maar elkander aansporen, en dat des te meer, naarmate gij de dag ziet naderen”. Op dat vlak is er in veel kerken iets grondig mis, niet alleen als het gaat om het bezoeken van de middagdiensten. Nu maken veel mensen zich juist over het teruglopen van de middagdiensten zorgen. Het lijkt dan ook niet zo’n goede greep op bij een preek over zondag 38 van de Catechismus Jesaja 1 te lezen. Alsof de Here zou zeggen: “Jullie, die ook ’s middag nog trouw in de kerk komen – wie heeft je gevraagd mijn voorhoven plat te lopen?” Dan denk je toch: “Nou ja zeg! Kom je tenminste nog trouw twee keer naar de kerk, vraagt zo’n dominee je wie je gevraagd heeft de kerkdeur plat te lopen”. Toch mag ik u best vragen waarom u de middagdienst eigenlijk bezoekt. Ik maak daarbij gebruik van de uitleg die prof. Ohmann van dat vers gegeven heeft in zijn boekje over Jesaja 1 tot 39. Daarin zegt hij: “Het is bij een religie met riten en ceremonieën mogelijk, dat men zich tevreden stelt met de punctuele opvolging daarvan, in de mening daarmee zijn plicht te hebben gedaan. In heidense religies kan men zo de goden paaien en voor zich winnen. De Israëliet kan beter weten. Nu de riten niet betrekking hebben op het opwekken van gunstige invloeden en het afwenden van kwade werkingen, maar de relatie onderhouden met een God, (…) die zijn Vaderhart openstelt, nu moet de andere partner, de mens er ook met zijn hele hart bij zijn. Zijn zaligheid staat op het spel. Daar komt dan nog weer bij dat (de eredienst) niet een afgeschoten terrein is waarbinnen dan de mens zijn zaken met God kan regelen. Neen, het is het levende hart van het levende lichaam dat gevormd wordt door de Israëlieten in hun onderlinge verhoudingen. Van de verzoende verhouding met JAHWE moet het leven in al zijn relaties als het goed is profiteren”.
Dan heb ik wel mijn zorgen. Is uw kerkgang echt meer dan het vervullen van een religieuze plicht? Is uw kerkgang echt het levende hart van een levend lichaam? Leidt de nieuwe relatie met de Here tot een nieuwe relatie met de mensen om u heen, in de kerk en daarbuiten? Of vinden de kerkdiensten wel degelijk plaats op een afgeschoten terrein? Een terrein dat ook nog eens steeds kleiner wordt. Want zondagsheiliging is in de praktijk niet meer dan naar de kerk gaan. Ik gaf onlangs een catechisatieles over het vierde gebod. Bij die gelegenheid stelde ik aan de groep de vraag uit het boekje: “Wie van jullie maakt zijn huiswerk wel eens op zondag?” Wat denkt u? 8 van de 10! En de twee die van hun ouders geen huiswerk op zondag mocht maken kwamen uit gezinnen die in de gemeente veel over de tong gaan, omdat zij ’s middags nog wel eens ontbreken. Wat wil ik daarmee zeggen? Dat die twee gezinnen het beter doen? Nee, dat die acht gezinnen het niet beter doen.
Het sabbatsgebod zegt niets over naar de kerk gaan, maar wel over rusten van je werk. Op de vraag die de Here in Jesaja 1 vers 12 stelt: “Wie heeft je gevraagd mijn voorhoven plat te lopen?” is het antwoord: niet de Here. Hij heeft slechts geboden die dag te heiligen door hem samen te vieren. De invulling van dat gebod heeft Hij aan ons overgelaten. Maar als uw kinderen u vragen: “Wie heeft mij gevraagd om op de dag van de Here geen huiswerk te maken?”, dan is het antwoord: wél de Here. Om die tekst uit Leviticus nog eens aan te halen waar de Catechismus naar verwijst: “Zes dagen kun je werken, maar de zevende dag is het sabbat, een dag van volstrekte rust, die je als heilige dag samen moet vieren. Je mag die dag geen enkele bezigheid verrichten, het moet een rustdag zijn die aan de HEER gewijd is”.
Het vierde gebod legt ons geen kerkdiensten op, maar het legt ons rust op. Want God weet dat mensen van nature workaholics zijn, slaven van hun werken. Hij moet ons als het ware bij ons werk wegslaan. Want we willen zo graag presteren, voor onszelf zorgen, onszelf redden. En dat leert God zijn volk met het sabbatsgebod nogal drastisch af. Hij levert zijn volk op de sabbat één dag helemaal over aan zijn genade. In de Deuteronomium-versie van de tien geboden herinnert Hij zijn volk eraan dat ze slaven in het land Egypte geweest zijn, en dat de Here hen vandaar uitgeleid heeft. God haat de slavernij, vooral de slavernij die ervoor zorgt dat wij ons op van alles en nog wat focussen, behalve op God. Want we zijn niet graag afhankelijk, ook niet van God. We redden onszelf zo graag. Daarom is een dag verplicht vrij voor de Here al snel een bezoeking. Het sabbatsgebod strijkt ons tegen de haren in. Voor ons bestwil.
Hoe wij van de zondag echt een dag voor de Here maken, nu we ontslagen zijn van onze dagelijks bezigheden, daar komt veel creativiteit bij kijken. Sommige dingen wil God echt niet. Als Hij zijn kinderen in hun hart hoort zeggen: “Wanneer is de dag van de nieuwemaan voorbij, zodat we weer koren kunnen verkopen? Wanneer de sabbat, zodat we weer graan kunnen verhandelen?” (Am.8,5), dan hoeft die hele sabbat van Hem niet meer. Maar wat Hij dus wel wil? Zou het zo kunnen zijn dat Hij nieuwsgierig is wat wij zelf eigenlijk willen?
“En wanneer jullie voor mij verschijnen – wie heeft je gevraagd mijn voorhoven plat te lopen?” Dat is een gevaarlijk woord. Want God loopt daarmee het risico dat zijn volk antwoordt: “Als God er geen prijs op stelt dat we hier zijn, wat doen we hier dan nog? Geef ons dan liever de ruimte om te doen waar we plezier aan beleven”. Mocht u of jij ook zo denken, dan kan ik je gerust stellen: “Die ruimte heb je. Als jij denkt dat je wel wat beters hebt te doen, dan moet je dat vooral doen”. Een gevaarlijk woord. Zo gevaarlijk als de christelijke vrijheid.
Maar ook een uitdagend woord. Zo uitdagend als de christelijke vrijheid. Want als de Here helemaal niet van je vraagt de kerkdeuren plat te lopen, wil dat nog niet zeggen dat niet niemand dat van je vraagt. Want je bent er zelf ook nog. Dus is er ook een ander antwoord mogelijk. Dit: “Wie mij gevraagd heeft de kerkdeuren plat te lopen? Niemand. Ik ben uit mezelf gekomen”.

Amen.