Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Wees stil voor het aangezicht van God!
titel : Wees stil voor het aangezicht van God!
datum : 14 november 2010
volledige onderwerp : Zondag 35
Download deze preek.

Preek over HC zondag 35 (Den Ham, 14-11-10)

Ps.29:2,5
HA-formulier IV
Gez.179a
L Hab.2 (aan tafel)
Gez.171:1,2 (aan tafel)
Lied 460:1,4,5
T HC zondag 35
Ps.135:3,10,12
Lied 457:2,3,4 (na collecte)

Gemeente van de Here Jezus,

“Wees stil voor het aangezicht van God”. Omdat dat een lied is dat veel gezongen wordt, zal het u zonet waarschijnlijk niet opgevallen zijn dat het de eerste keer was dat ik het opgaf. Hoe het ook zij, ik heb gemengde gevoelens bij dat gezang. Als daar geen positieve gevoelens bij zaten, zou ik het uiteraard ook nu niet opgegeven hebben. Maar ik blijf er wat moeite mee houden dat om dat in een kerkdienst te zingen. Want is dat wel zo, dat we stil moeten zijn omdat de heerlijkheid van God ons in dit uur omgeeft? Iemand schreef eens: “Wij kunnen niet zeggen – het zij met eerbied gezegd – dat God ook naar de kerk gaat als wij er naar toe gaan” (O. Noordmans). Als het in een kerkdienst tot een echte ontmoeting met God komt, dan is dat omdat Hij zo genadig is Zich te openbaren.
Als Hij dat doet aan jou, dan wil dat nog niet eens zeggen dat Hij dat aan iedereen in de kerk doet. Iedereen heeft het wel eens meegemaakt dat een preek die de één diep raakt, de ander koud laat. Het is soms zelfs zo dat een preek waarop je terechte kritiek kunt hebben, voor velen, voor sommigen of voor slechts één een woord van God zelf was. Als een dominee goed kan preken, betekent dat dan ook niet automatisch dat hij God kan dwingen ook te spreken. Het kan zelfs zijn dat God spreekt door de mond van iemand over wie iedereen het eens is dat die dus echt niet kan preken.
Voor dat geheim is in dat gezang geen ruimte. “Wij staan nu op heilige grond, waar Hij verschijnt met vuur”. Hoezo staan we nu op heilige grond? Grond waar een kerkgebouw op staat is niks heiliger dan grond waar koeien op lopen. Het wordt pas heilige grond als God Zich er openbaart. Maar dat kan Hij overal doen, binnen en buiten. De keren dat God zelf zei: “Doe uw schoenen van uw voeten, want de plaats waarop gij staat is heilige grond”, was dat niet bij een heiligdom, maar ergens in het open veld (Ex.3,5; Joz.5,14). En wat die regels uit het gezang betreft waarin de indruk gewekt wordt dat God op dit moment met vuur neerdaalt: hebt u het wel eens meegemaakt dat dat ook gebeurde, terwijl u het zong? Zelfs als u zegt dat u dat wel eens meegemaakt hebt, blijft nog steeds de vraag of dat vuur wel door de Heilige Geest aangestoken was. Je kunt ook vol vuur staan te zingen, omdat je meegesleept wordt door de stevige begeleiding van orgel of band, of door het enthousiasme van je broeders of zusters.
Toch heb ik dat gezang zonet wel laten zingen. Aan de avondmaalstafel. Een saaiere plek kun je menselijk gesproken nauwelijks verzinnen. Toch geloven we dat in die ijzige stilte zich het wonder kan voltrekken dat je maar geen brood en wijn, maar het lichaam en bloed van Christus zelf ontvangt. Dat kan. Het hoeft niet. Want de gereformeerde belijdenis zegt terecht: “Hoewel het sacrament met de zaak waarvan het een teken is verbonden is, worden beiden toch niet door allen ontvangen. (Want Christus, die door het teken voorgesteld wordt,) wordt alleen het deel van de gelovigen”. Toch, als zijn kracht, zijn leven in jou neerdaalde (Lied 358:6), dan is er niets passender dan te zingen: “Wees stil, want de kracht van onze God daalt neer op dit moment”. Dat was in elk geval wel de reactie van de profeet Habakuk, toen God Zich aan Hem geopenbaard had: “Aarde, wees stil voor hem!” Het thema voor deze catechismuspreek over het tweede gebod is dan ook:

Wees stil voor het aangezicht van God!

Het tweede gebod: “Maak geen godenbeelden”, is een liturgisch gebod. Meer dan het vierde gebod: “Houd de sabbat in ere”. Dat klinkt u misschien wat vreemd in de oren, maar het is toch echt zo. Het vierde gebod, zoals het elke zondag aan u voorgelezen wordt, is geen bevel om kerkdiensten te houden, maar een bevel om te rusten. Zelfs schepselen die niet geloven of kunnen geloven worden erin betrokken. De vreemdelingen en het vee, zij moeten niet naar de kerk, maar zij moeten hun rust hebben. Mocht u hier vreemd van opkijken, let dan volgende week eens goed op, wanneer de tien geboden voorgelezen worden.
Dat het vierde gebod veel minder liturgisch is dan u dacht is al een ontdekking, maar dat het tweede gebod veel meer liturgisch is dan u dacht niet minder. Toch staat zo al in de Catechismus. Vraag en antwoord 96: “Wat eist God in het tweede geboden? Dat wij God op geen andere wijze vereren dan Hij in zijn woord bevolen heeft”. Antwoord 97: “God verbiedt dat wij een afbeelding van een schepsel maken of hebben om die te vereren of God daardoor te dienen”. Het gaat dus volgens de Catechismus in het tweede gebod over de manier waarop wij God vereren. Dat is tevens het verschil met het eerste gebod. Dat gaat over wie wij moeten vereren. Het tweede gebod gaat over hoe wij Hem moeten vereren. Anders gezegd: het eerste gebod gaat over de ware godsdienst, het tweede gebod gaat over de ware eredienst.
Nu zegt de Catechismus alleen wat die ware eredienst in elk geval niet is. We mogen Hem op geen andere wijze vereren dan Hij in zijn woord bevolen heeft. Een voorbeeld van hoe het niet moet is Hem benaderen via een beeld. In de ware eredienst moet het juist omgekeerd gaan. Niet wij moeten tot Hem naderen, Hij moet tot ons naderen. Volgens de Catechismus doet God dat door de levende verkondiging van zijn woord.
Ondertussen heeft de Catechismus daarmee wel degelijk gezegd, niet alleen hoe het niet moet, maar ook hoe het wel moet. Want in de ware eredienst loopt de lijn niet van ons naar God, van beneden naar boven, maar van God naar ons, van boven naar beneden. Maar als je daar goed over nadenkt, is dat maar een merkwaardige invulling van de ware eredienst. Eredienst is immers iets dat wij doen. Dat zegt ook de Catechismus: in de ware eredienst vereren wij God zó, als Hij in zijn woord bevolen heeft. Maar als de Catechismus dat uit gaat werken, zegt Hij niet wat onze rol dan is in de ware eredienst, maar wat Gods rol in de ware eredienst is. Daarmee lijkt de Catechismus dus geen antwoord gegeven te hebben op de vraag die bij ons rijst naar aanleiding van antwoord 96: en hoe moeten wij God volgens zijn woord dan wel vereren? Want wij komen in het hele stuk niet meer voor. De enige die in dat stuk een rol lijkt te spelen is God zelf. Toch heeft de Catechismus daarmee iets heel belangrijks gezegd over de ware eredienst. Daarin draait het niet om ons, maar om God.
Nu wordt datzelfde ook wel eens gezegd door mensen die zich zorgen maken over liturgische vernieuwingen. “Zo komt de mens in het middelpunt te staan. Terwijl het in de kerk niet om ons draait, maar om God”. Nu, dat laatste is waar: dat het in de kerk niet draait om ons, maar om God. Maar hoe vroom dat ook klinkt, wat bedoel je er precies mee? Je zou kunnen antwoorden: “Het gaat er niet om dat ik aan mijn trekken komt, maar dat God aan zijn eer komt”. Dat lijkt mij een goed antwoord. Maar dan is nog steeds de vraag hoe God dan aan zijn eer komt. Het enige antwoord dat je op die vraag kunt geven is: wij moeten God de eer bewijzen die Hem toekomt. Door meer ruimte te geven voor lofprijzing in de eredienst komt dan ook niet de mens met zijn muzikale voorkeuren in het middelpunt te staan, maar God. Toch zal dat een antwoord zijn dat mensen die zich zorgen maken over allerlei liturgische ontwikkelingen niet aanstaat. Zij kunnen zich waarschijnlijk beter vinden in de reactie van een broeder op mijn klacht over slechts orgelspel tijdens een kerkdienst waarin ik voorging. Ik kwam nogal gedeprimeerd van die kerkdienst thuis. Al mijn vreugde was door die organist in de kiem gesmoord. Maar die broeder antwoordde: “Wat doet het ertoe? Zolang het woord maar klinkt, kan voor mij een kerkdienst niet stuk”. Ik kon het niet nalaten om terug te kaatsen: “Als dat zo is, laat die hele gemeentezang dan maar achterwege. Hoef ik me niet te ergeren en hebt u toch een mooie dienst gehad”. Nou, dat ging die broeder natuurlijk ook wat te ver. Een kerkdienst zonder gemeentezang, dat kon natuurlijk ook niet de bedoeling zijn. Maar als het erop aankwam was dat voor hem slechts bijzaak. Want uiteindelijk ga je naar de kerk om Gods woord te horen.
Zegt de Catechismus dat nou ook? Het heeft er wel de schijn van. Want als de Catechismus positief onder woorden brengt wat de ware eredienst is, zegt hij dat God zijn christenen niet door stomme beelden, maar door de levende verkondiging van zijn woord wil laten onderwijzen. Maar heeft de Catechismus daarmee dus gezegd dat onze rol in de ware eredienst die van hoorder is? Misschien hebben de opstellers van de Catechismus dat wel bedoeld. Dat de ware eredienst is: God spreekt en wij luisteren. Maar ook al hebben de opstellers van de Catechismus dat misschien bedoeld, de Catechismus zelf zegt dat niet. Die noemt wel de rol van God als spreker, maar niet de rol van ons als hoorder. Dat de opstellers van de Catechismus dat waarschijnlijk wel bedoeld hebben, daar heb ik niks mee te maken. Of om de oude professor Kamphuis aan te halen: “Wij moeten de gereformeerde belijdenis niet historisch, maar Schriftuurlijk lezen”.
Misschien u dat een beetje flauw. Als in de ware eredienst God de spreker is, dan zijn wij in de ware eredienst toch de hoorders? Toch is dat nog maar de vraag. Want de Schrift zegt zelf dat wij geen hoorders, maar daders van het woord moeten zijn. Jakobus schrijft tenminste in zijn brief: “Vergis u niet: alleen horen is niet genoeg, u moet wat u gehoord hebt ook doen. Want wie de boodschap hoort maar er niets mee doet, is net als iemand die het gezicht waarmee hij is geboren in de spiegel bekijkt: hij ziet zichzelf, maar zodra hij wegloopt is hij vergeten hoe hij eruitzag. Wie zich daarentegen spiegelt in de volmaakte wet, en dat blijft doen, niet als iemand die hoort en vergeet, maar als iemand die ernaar handelt – hem valt geluk ten deel, juist om wat hij doet” (Jak.1,22-25). Volgens Jakobus vindt liturgie dan ook niet in de kerk, maar in de wereld plaats. Want hij vervolgt: “Voor God, de Vader, is alleen dit reine, zuivere godsdienst: weduwen en wezen bijstaan in hun nood, en je in acht nemen voor de wereld en onberispelijk blijven” (Jak.1,27). Volgens mij kun we ons dan ook beter zorgen maken over onze liturgie in de wereld, dan over onze liturgie in de kerk. Maar misschien maken we ons vooral zo druk over de orde van de zondagse eredienst, omdat we in die discussie zelf buiten schot kunnen blijven. Het is altijd makkelijker iets te vinden van de kerk dan iets te vinden van jezelf.
Misschien wringt de schoen wel juist bij datgene wat de catechismus niet zegt: dat in de ware eredienst voor ons de rol van hoorder is weggelegd. De Catechismus zegt dat niet. Maar wij zijn al snel geneigd de conclusie te trekken: als God spreker is, dan zijn wij dus hoorders. Toch is dat niet de enige conclusie die je kunt trekken. Habakuk eindigde zijn profetie immers niet met de woorden: “De HEER troont in zijn heilig paleis. Aarde, hoor naar Hem!”, maar met de woorden: “De HEER troont in zijn heilig paleis. Aarde, wees stil voor Hem”. Als God spreekt, moet je niet horen, maar als God spreekt moet je zwijgen. “Zwijg voor Hem, gij ganse aarde” (NBG-51).
Misschien kunt u zich voorstellen dat je Habakuk niks anders wist uit te brengen dan: “Ssst”. Wat kun je anders zeggen dan dat, wanneer je zo’n woord van God ontvangen hebt als Habakuk? Raadselachtig is het soms. Zo’n woord als in vers 13 bijvoorbeeld: “Is dit niet de wil van de HEER van de hemelse machten: volken zwoegen voor een verslindend vuur, landen matten zich af voor niets?” Als dat werkelijk Gods wil is, hoe kan er dan meteen op volgen: “Maar zoals de zee vol water is, zo zal de aarde vol zijn van de kennis van de grootheid van de HEER”? Die beide verzen, wat zou ik daar graag een preek over maken. Maar nog beter zou het zijn als ik dat raadsel niet voor u oploste, maar u er zelf net zo lang over nadacht, niet tot u het begreep, maar tot u er stil van was. Maar die stilte, wie van u neemt de tijd om die te ervaren? Of om het wat raadselachtiger te zeggen: Wie van u stelt zich tot doel om zó met elkaar over Gods woord in gesprek te gaan, dat iedereen er stil van is? Want dat is het doel van Bijbelstudie: niet dat iedereen zijn mening geeft, maar dat iedereen voelt hoe belachelijk zijn meningen zijn in het licht van Gods woord. Zelfs als je de raadsels waarvoor God je stelt in alleen al zo’n hoofdstuk uit het boekje Habakuk niet op kunt lossen, dan nog blijft het een hoofdstuk waar je stil van wordt. Maar als je dat nog nooit geweest bent: stil voor God, dan zul je ook nooit van een hoorder een dader van het woord worden.
Misschien denkt u dat er in evangelische gemeente een groter gebrek aan stilte is dan in gereformeerde kerken. Op het eerste gehoor lijkt u daar dan gelijk in te hebben. Want in elk geval ligt het aantal decibels in een evangelische samenkomst over het algemeen hoger dan in een gereformeerde kerkdienst. Toch kan er in gereformeerde kerkdiensten net zo’n schreeuwend gebrek aan stilte zijn als in een evangelische samenkomst. Niet omdat de stilte met muziek, maar omdat de stilte met woorden doorbroken wordt. Alle eerbied van uitspraken als dat het in de kerk draait om het woord van God ten spijt, ondertussen kan een gereformeerde kerkdienst maar al te gemakkelijk verworden tot woorden, woorden, woorden.
Moet je horen wie het zegt! Want van alle woordenkramers in de kerk is de dominee de grootste. Inderdaad. Dat is een groot dilemma. En voor mij is er maar één manier om niet in die valkuil te trappen en dat is het geheim het geheim laten. Want zodra het woord van God bevattelijk geworden is, heeft het zijn kracht verloren. Om met Habakuk te spreken: “Wat heb je aan een godenbeeld, gebeeldhouwd door zijn maker?” Een heiden zal zeggen: “Daar heb je juist veel aan, juist omdat dat beeld het geheim van Gods aanwezigheid zichtbaar maakt en het geheim van Gods bestaan bevattelijk maakt”. Maar God is veel groter dan ooit in een beeld gevat kan worden, onverschillig of dat beeld nu gegoten wordt van brons of van woorden. Maar slechts datgene wat niet zichtbaar gemaakt kan worden in een beeld of hoorbaar gemaakt kan worden in een preek, kan je leven veranderen: de Geest van God zelf.
De kerkvader Augustinus heeft dat in een beroemde preek over de eerste woorden van het evangelie van Johannes onder woorden proberen te brengen: “In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God”. In die preek zegt Augustinus: “Er staat: ‘Het Woord was God’. Over God spreken we. Vindt u het vreemd als u het niet begrijpt? Als u het begrijpt, dan is het niet God. Liever eerbiedig getuigen van ons onvermogen dan onbezonnen op geleerdheid bogen. God ook maar enigszins nabij te komen met ons verstand is al een groot geluk. God echt bevatten is in het geheel niet mogelijk”. “Als u het begrijpt, dan is het niet God”. Een diepzinnig woord. Toch is het de spijker op zijn kop. Want God is altijd meer dan je kunt vatten. Wat je vat kan dan ook nooit God zelf zijn.
Het merkwaardige is dat Augustinus dit zegt in een preek over het hoofdstuk waarin staat dat dat Woord dat in het begin was, dat in het begin bij God was, dat God was, dat dat Woord mens geworden is. Je zou toch zeggen: dat God God is is misschien niet te begrijpen, maar dat God mens is wel. Want ook al kunnen wij ons bij het woord ‘God’ niets voorstellen, maar bij woord ‘mens’ kunnen wij ons alles voorstellen. Maar je hebt het nog niet gezegd, of je voelt al aan hoe dwaas je bent. Want als wij ons er al niets bij voor kunnen stellen dat God God is, dan kunnen wij ons er al helemaal niets bij voorstellen dat God mens is. Toch gaat ons leven schuil in dat geheim. Op het moment dat we dat geheim vatten, hebben we de inhoud van dat geheim niet meer nodig: de genade van de Here Jezus Christus en de liefde van God en de gemeenschap van de Heilige Geest (2Kor.13,13). Of om met Paulus te spreken, wiens woorden ik al meer aangehaald heb: “Ik wil Christus kennen en de kracht van zijn opstanding ervaren, ik wil delen in zijn lijden en aan hem gelijk worden in zijn dood, in de hoop dat misschien ook zelf uit de dood op te staan. Niet dat ik al zover ben en mijn doel al bereikt heb. Maar ik jaag het na in de hoop het eens dat te kunnen grijpen, omdat Christus Jezus mij (al) gegrepen heeft” (Flp.3,10-12, NBV/NBG-51).
Dat is de ware eredienst, broeders en zusters: grijpen naar Hem door wie je al gegrepen bent. Maar je zult je nooit door Hem gegrepen voelen, als je niet voor Hem gezwegen hebt. Want een leven dat afwijkt van alles wat normaal voor je is zul je nooit leiden als Hij die je dat leven geeft normaal voor je is.
De Heer verliet zijn heilig paleis. Zwijg voor hem, gij ganse aarde!

Amen.