Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > En Ismaël dan?
titel : En Ismaël dan?
datum : 19 september 2010
volledige onderwerp : Zondag 27
Download deze preek.

Preek over HC zondag 27 (Den Ham, 19-9-10)

Ps.99:1,3,4
L Gen.21,1-19
Gez.3
T HC zondag 27
Ps.105:4,5,6
Ps.105:21
Lied 434:2,5 (na collecte)

Gemeente van de Here Jezus,

[ppt] “En Ismaël dan?” Die vraag kreeg ik eens terug van een collega die een preek over zondag 27 van me gehoord had. In die preek had ik geprobeerd om het goed recht van de kinderdoop aan te tonen aan de hand van Romeinen 9 – 11. Hij vond dat een verrassende keuze. Dit Bijbelgedeelte gaat immers helemaal niet over de doop, maar over Israël. Vrijgemaakten hebben over het algemeen niet zoveel met Israël. Maar baptisten des te meer. Mooi om dus de kinderdoop te verdedigen met een Bijbelgedeelte dat baptisten veel serieuzer nemen dan vrijgemaakten. [ppt] Want als je serieus neemt dat de gemeente uit de heidenen op Gods verbond met Israël geënt is, dan zou je ook serieus moeten nemen dat het teken waarmee je in het nieuwe verbond bij Gods gemeente wordt ingelijfd: de doop, wel degelijk in het verlengde ligt van het teken waarmee je in het oude verbond bij Gods volk werd ingelijfd: de besnijdenis. Je kunt alleen een goede keuze maken tussen kinderdoop of volwassendoop als je recht doet aan de eenheid van het oude en het nieuwe verbond. Zolang je die eenheid niet ziet zeggen woorden uit het oude testament je niks. Want die gelden slechts voor Israël, niet voor de gemeente. Pas als je gelooft dat de gemeente niet heel wat anders is dan Israël, gaan ook die teksten over de besnijdenis weer tot je spreken. “God zal zijn waarheid nimmer krenken, maar eeuwig zijn verbond gedenken”, Psalm 105 vers 5, dat gaat dan ineens niet over het verbond dat God sloot met Abraham, de vader van de joden, maar over het verbond dat God sloot met Abraham, de vader van alle gelovigen. Dan krijgt die oude Heidelbergse Catechismus toch nog gelijk. Ook de kleine kinderen moeten gedoopt worden, “want zij horen evengoed als de volwassenen bij Gods verbond en bij zijn gemeente. Daarom moeten zij door de doop, als teken van het verbond, bij de christelijke kerk worden ingelijfd en van de kinderen van de ongelovigen onderscheiden worden. In het oude verbond gebeurde dat door de besnijdenis; in het nieuwe verbond is in plaats daarvan de doop ingesteld”.
[ppt] “En Ismaël dan?” Begrijpt u die vraag, broeders en zusters? Want Ismaël was evengoed als Isaak besneden. Toen God tegen Abraham die woorden sprak die nog steeds in het formulier voor de kinderdoop aangehaald worden: “Ik sluit een verbond met jou en met je nakomelingen, met alle komende generaties, een eeuwigdurend verbond: ik zal jouw God zijn en die van je nakomelingen” (Gen.17,7), besneed Abraham nog diezelfde dag ook zijn zoon Ismaël (Gen.17,23). Toch lazen we net in Genesis 21 dat Abraham de slavin Hagar en haar zoon Ismaël weg moest sturen. “Want”, zei God, [ppt] “alleen de nakomelingen van Isaak zullen gelden als jouw nageslacht”. De apostel Paulus haalt ook die woorden aan in het gedeelte van zijn brief aan de Romeinen dat gaat over Israël: “alleen de nakomelingen van Isaak zullen gelden als jouw nageslacht”. Dan gaat hij zo verder: “Dat wil zeggen: ze zijn niet door hun natuurlijke afstamming kinderen van God, maar gelden als nageslacht van Abraham op grond van Gods belofte”. [ppt] Hebben baptisten dan niet gewoon gelijk als ze zeggen dat het feit dat je geboren bent uit gelovigen ouders nog geen reden is je kind te dopen? Ismaël was ook geboren uit gelovige ouders, maar toch hoorde hij volgens God zelf niet bij het verbond dat God met Abraham had gesloten. Isaak wel, maar Ismaël niet.
Trekt Gods verbond dan dwars door de gezinnen van gelovige ouders heen? Dat gevoel bekruipt ons soms wel. Want het spreekt steeds minder vanzelf dat kinderen in de voetsporen van hun ouders gaan. Hoe komt dat? Het heeft natuurlijk iets te maken met de tijd waarin we leven. Waarom zou jij wel naar de kerk gaan, als je vrienden dat niet doen? Waarom zou jij niet gaan samenwonen, als je vriendinnen dat wel doen? Het antwoord kan alleen maar zijn: omdat voor jou belangrijker is wat God goed vindt dan wat de mensen goed vinden. Je moet niet voor de mensen naar de kerk gaan en je moet ook niet voor de mensen niet naar de kerk gaan. Wat dat betreft is het misschien zelfs wel een zegen dat geloven steeds minder vanzelf spreekt. Hoewel, een zegen? Dat kun je misschien zeggen als je ziet hoe de jeugd van tegenwoordig veel openlijker voor haar geloof uit durft te komen dan vroeger. Het raakt je als jonge mensen in hun eigen woorden durven zeggen waarom ze belijdenis doen. Is dat geen wonder van Gods Geest? Dat is het. Maar als jouw zoon of dochter nu eens niet tussen die jongeren op het podium staat? Waarom heeft Gods Geest dat wonder dan niet verricht in het leven van mijn zoon of dochter? Dat verbond dat met de doop bezegeld wordt, hoorde hij daar misschien toch niet bij? Golden de beloften die bij het doopvont gedaan werden misschien toch niet voor haar?
U weet misschien dat het in de Vrijmaking van 1944 en volgende jaren om deze vragen ging. In navolging van dr. Abraham Kuyper leerde de synode van de toen nog ongedeelde gereformeerde kerken dat Gods beloften alleen golden voor de uitverkorenen. Als we onze kinderen ten doop houden gaan we er vanuit dat ze dat zijn: uitverkoren. Zeker in die tijd leek dat in de regel ook wel uit te komen: de meeste kinderen die binnen het verbond groot werden, bleken er inderdaad in te delen. Maar die enkele uitzondering bevestigde de regel [ppt] dat niet allen die uit Israël zijn ook Israël zijn. Zo stond het in Romeinen 9, zo werd het door de synode dus ook nagesproken. In de Nieuwe Bijbelvertaling: “Niet alle Israëlieten behoren werkelijk tot Israël”. We tellen hen wel “als in Israël ingelijfd”, maar of ze ook werkelijk bij dat uitverkoren volk horen? We doen hen wel “de naam van Sions kindren dragen” (Ps.87:4), maar of we dat terecht doen?
Laten we er dankbaar voor zijn dat dit de leer over de doop geen geschilpunt meer is tussen vrijgemaakt- en synodaal-gereformeerde kerken. Maar juich niet te vroeg. Het feit dat het tussen beide kerken niet meer speelt, betekent niet dat het dus helemaal niet meer speelt. Want wat toen voor sommigen niet meer dan een theologisch vraag was, is nu voor velen een geloofsvraag geworden. “En Ismaël dan?” Het is veel meer dan een interessante vraag. Want de scheuring die zich in de tenten van Abraham voltrok, voltrekt zich ook in onze huizen.
Toen Sara tegen Abraham zei: “Jaag die slavin en haar zoon weg, want ik wil niet dat mijn zoon Isaak later de erfenis moet delen met de zoon van die slavin”, was Abraham allerminst van plan naar zijn vrouw te luisteren. Er staat: [ppt] “het ging immers om zijn zoon”. Ook al haatte Sara Ismaël, Abraham hield van hem. Want ook al was het niet haar jongen, het was wel zijn jongen. Maar God zei tegen hem: “Alles wat Sara je vraagt moet je doen, want alleen de nakomelingen van Isaak zullen gelden als jouw nageslacht”. Had God dan dezelfde gevoelens voor Ismaël als Sara? Heeft Hij Isaak liefgehad, maar Ismaël gehaat? Zo zou het later wel gezegd worden van de beide zonen van Isaak: “Jakob heb ik liefgehad, Esau heb ik gehaat” (Rom.9,13; vgl. Mal.1,3). Het zal maar van jouw kinderen gezegd worden: “Het ene heb Ik liefgehad, het andere heb Ik gehaat”. Terwijl ze jou beiden even lief zijn. Niet omdat het voor jou niks uitmaakt dat je ene kind wel gelooft en het andere niet. Maar het blijft toch je kind. Heeft God daar dan geen boodschap aan? Zegt Hij: “Het is wel jouw kind, maar niet mijn kind?”

Mag ik u wat vragen, voordat ik er wat over zeg? Hoe kwam dat Bijbelgedeelte op u over dat we eerder in deze dienst gelezen hebben. Hebt u het ervaren als een óntmoedigend stukje woord van God of als een bémoedigend stukje woord van God? Ik heb het namelijk als een bémoedigende geschiedenis ervaren. Misschien vind u dat na alles wat ik er net uit naar voren gebracht hebt onbegrijpelijk. Zo’n woord van God dat die hatelijke oude vrouw gelijk heeft, omdat niet de nakomelingen van Ismaël, maar alleen die van Isaak zullen gelden als Abrahams nageslacht, dat snijdt je toch door de ziel? Toch zegt God meteen daar overheen: [ppt] “Maar ook uit de zoon van je slavin zal ik een volk doen voortkomen, omdat ook hij een kind van je is”. Die woorden zijn vaak vergeten in de strijd over verbond en doop. Ik ben ze tenminste in alle boeken en artikelen die ik erover gelezen heb nooit tegengekomen. Die eerste woorden wel, misschien omdat Paulus daar in Romeinen 9 op terugkomt. Maar het feit dat hij die tweede woorden niet aanhaalt betekent toch niet dat wij er maar overheen moeten lezen? Dan moeten we over nogal wat heen lezen. Niet over een vage belofte, die God aan Abraham gedaan zou hebben om hem te vriend te houden. Nee, over een hele geschiedenis waarin God woord houdt.
We blijven als lezers niet geslagen achter in de tenten van Isaak, maar mogen met Ismaël mee de woestijn in. Want Gód gaat met Ismaël mee de woestijn in. Het heeft er eerst de schijn van dat Ismaëls weg in de woestijn doodloopt. Want hij is nog niet uit de voetsporen van zijn vader gegaan, of we zien hem bij eigen voetsporen uitkomen. Hagar en Ismaël, ze dolen rond in de woestijn van Berseba. Wat is zo’n kale routeaanduiding veelzeggend. Want Berseba is de plaats waar eerst Abraham en later Isaak hun kudden zullen mogen drenken (Gen.21,31; 26,33). Berseba, put van de eed betekent dat. Omdat de Kanaänieten bezworen had dat het water uit die put Abraham en Isaak toekwam. Maar het komt Ismaël blijkbaar niet toe. Want zijn moeder en hij lopen rondjes om de put, tot het water dat Abraham hun meegegeven had op was. Toen liet Hagar haar kind onder een struik achter. Zelf ging ze een eindje verderop zitten, op een boogschot afstand, omdat ze het niet kon aanzien hoe haar kind stierf. En terwijl ze daar zo zat, huilde ze bittere tranen. Maar God hoorde de jongen kermen, en een engel van God riep Hagar vanuit de hemel toe: “Wat is er, Hagar? Wees niet bezorgd: God heeft je jongen, die daar ligt te kermen gehoord. Sta op, help de jongen overeind en ondersteun hem. Ik zal een groot volk uit hem doen voortkomen. Toen opende God haar de ogen en zag ze een waterput. Ze liep ernaartoe, vulde de waterzak en gaf de jongen te drinken. En dan nog zijn Gods barmhartigheden niet op. Elke morgen blijken ze nieuw (Klaagl.3,22.23). [ppt] Want God beschermde de jongen, zodat hij voorspoedig opgroeide.

Bij de doop belijdt je als ouders dat de leer van het oude en het nieuwe testament, die in de apostolische geloofsbelijdenis is samengevat en in de kerk alhier geleerd wordt, de ware en volkomen leer van de verlossing is. Waar vind je die leer van de verlossing? Het antwoord ligt al in die tweede doopvraag: niet in dikke dogmatieken en dunne belijdenisgeschriften waarin allerlei losse Bijbelteksten zijn samengevoegd tot een hecht bouwwerk dat we de gereformeerde leer noemen, maar in het oude en het nieuwe testament. Maar ik kan het ook korter zeggen: niet in teksten, maar in verhalen. Ik ben me ervan bewust dat dat een tegenstelling is die sommige gereformeerden al hun stekels doet opzetten. In de Bijbel worden maar geen verhalen verteld, maar heilsfeiten geopenbaard. Nu, als je het zo stelt ben ik het daar best mee eens. Maar zo moet je het niet stellen. Want wat zijn die heilsfeiten dan? Schepping, verlossing, heiligmaking? Kerst, Goede Vrijdag, Pasen, Hemelvaart, Pinksteren? En Ismaël dan? In de samenvatting die de apostolische geloofsbelijdenis geeft van de ware en volkomen leer van de verlossing worden de namen van Maria en van Pontius Pilatus wel genoemd, maar de naam van Hagar en Ismaël niet. Maar niet alleen in de dunste belijdenisgeschriften, maar ook in de dikste dogmatiek zul je hun namen niet tegenkomen.
Op het moment dat ik deze bewering opschreef, besloot ik haar voor de zekerheid toch maar even te checken. Ik had me vergist. Want Karl Barth behandelt de geschiedenis van Hagar en Ismaël wel in zijn witte olifant. Maar ook bij hem is dit verhaal nog steeds een heel klein steentje in het reusachtige bouwwerk dat hij aan het optrekken is. In dat bouwwerk is voor de leer dat God niet alleen verkiest, maar ook verwerpt geen plaats. Wat hij leest in Genesis 21 bevestigt hem daar in. Hij schrijft: [ppt] “God laat ook degenen die Hij verstoot niet vallen. Zij blijven delen in de bijzondere bescherming en leiding van de verkiezende God” (K.S. II 2, 239). Misschien dacht u die kant ook al wat op, toen ik u wees op Gods liefde, niet alleen voor Isaak, maar ook voor Ismaël. Toch gaan onze gedachten dan in de verkeerde richting. Want het verhaal van Genesis 21 vormt helemaal geen bewijstekst voor zoiets als de alverzoening. [ppt] Het is een verhaal waarin God ons meeneemt op een weg die we nooit hadden kunnen voorspellen. Voor ons is er geen weg verder, als God gezegd heeft: “Alleen de nakomelingen van Isaak zullen gelden als jouw nageslacht”. Maar voor God blijkt er wel een weg verder te zijn, als hij tegen Hagar zegt: “Sta op, help de jongen overeind en ondersteun hem. Ik zal een groot volk uit hem doen voortkomen”.
Kunnen wij, op basis van wat God tegen Hagar gezegd heeft, voorspellen hoe het afloopt met onze kinderen, als zij niet langer in onze voetsporen gaan? Abraham mocht toch niet met Hagar en Ismaël mee de woestijn in? Hij moest blijven bij Sara en Isaak. Wat zal hij het moeilijk gevonden hebben hen los te laten. Maar hij doet het wel. Hij laat hen niet gaan, maar stuurt hen weg. Hij ligt niet te luisteren op zijn bed hoe het geluid van hun voetstappen wegsterft, maar kijkt hen na vanuit de ingang van zijn tent, tot ze uit zijn ogen zijn. Abraham kan dat opbrengen omdat God tegen hem gezegd heeft: “Ook voor Mij blijft het jouw kind”. Uit mijn oog, niet uit Gods hart. Dat is genoeg.
[ppt] Gods genade wordt nooit overzichtelijk, daarvoor is zij te groot. Om daar gevoel voor te krijgen, dat God oneindig veel meer kan doen dan wij kunnen vragen of bedenken, moeten we het hele verhaal van het oude en het nieuwe testament lezen. Niet alleen die dunne gereformeerde belijdenisgeschriften, maar ook die dikke gereformeerde dogmatieken kun je uit krijgen. Maar die zesenzestig boeken van het oude en het nieuwe testament kun je niet uit krijgen. Als ik de dogmatiek van Karl Barth niet uitkrijg, dan is dat omdat ik niet groot genoeg ben. Maar als ik het woord van God wél uitkrijgt, dan is dat omdat ik niet klein genoeg ben. Ik stel mij boven het woord, als ik denk dat ik het nu wel heb.
Wie van u is nog het kind dat aan de lippen van meester of juf hangt tijdens de Bijbelvertelling? Ken je de verbazing nog dat geloofshelden zo diep konden zinken? Ken je de verbazing nog dat de God in wie zij geloofden zo diep tot hen neerboog? Wee de man in wie het kind gestorven is, zeggen ze wel eens. Maar zo is het wel. Want als wij er niet meer over verbazen dat God het leven geeft in de woestijn, verbazen wij ons er ook niet meer over dat God de dood geeft in de oase.

[ppt] God schrijft mensen in die wij afgeschreven hadden. Maar Hij schrijft ook mensen uit die wij ingeschreven hadden. Want zoals Paulus schrijft in Romeinen 9: “Niet alle Israëlieten behoren werkelijk tot Israël, niet alle nakomelingen van Abraham zijn ook werkelijk zijn kinderen. Er staat immers geschreven: ‘Alleen de nakomelingen van Isaak zullen gelden als jouw nageslacht’. Dat wil zeggen: [ppt] ze zijn niet door hun natuurlijke afkomst kinderen van God, maar gelden als nageslacht van Abraham op grond van Gods belofte”. Kind van God, dat ben je niet door je natuurlijke afkomst. Laat dat maar eens goed tot je doordringen, als je weer eens zegt: “Ik ben een kind van God omdat ik toevallig in een vrijgemaakt gezin in Den Ham geboren ben en niet in een moslimgezin in Mekka”. Want het is niet waar dat je een kind van God omdat je toevallig in een vrijgemaakt gezin in Den Ham geboren bent: “niet door je natuurlijke afkomst”. En het is ook niet waar dat je geen kind van God bent omdat je toevallig in een moslimgezin in Mekka geboren bent: “niet door je natuurlijke afkomst.
Luister maar eens naar het woord dat God door de mond van Maleachi richtte tot mensen die zichzelf te snel rijk rekenden en anderen te snel arm. [ppt] “Een zoon eert zijn vader, een dienaar zijn heer. Als ik jullie vader ben, waar is dan je eerbied voor mij; als ik jullie heer ben – zegt de HEER van de hemelse machten – waar is dan je ontzag voor mij? Ik wijs jullie af – zegt de HEER van de hemelse machten – en de offers die jullie brengen aanvaard ik niet”. Luister hoe de Here dan verder gaat: [ppt] “Van waar de zon opgaat tot waar zij ondergaat staat mij naam bij alle volken in aanzien, overal brengt men mij reukoffers en reine offergaven. Ik ben een groot koning – zegt de HEER van de hemelse machten – en alle volken zijn vervuld van ontzag voor mijn naam!” (Mal.1,6a.10b-11a.14b).

Amen.