Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Meer Jezus voor jou
titel : Meer Jezus voor jou
datum : 7 december 2014
volledige onderwerp : Zondag 20
Download deze preek.

Preek over HC zondag 20 (Den Ham, 7-12-14)

LB 118
L Gal.2,15-3,9
LB 344:1,2,3
T HC zondag 20
Gez.179b
Ps.51:5,7 (na collecte)

Gemeente van de Here Jezus,

“Ik geloof in God, de Vader, de Almachtige, Schepper van de hemel en de aarde. En in Jezus Christus, zijn eniggeboren Zoon, onze Here. (…) Ik geloof in de Heilige Geest”. In de apostolische geloofsbelijdenis worden de woorden ‘ik geloof’ voor de duidelijkheid nog eens herhaald. In de geloofsbelijdenis van Nicea gebeurt dat niet. Daarin wordt het geloof in de drie-enige God beleden in één lange zin: “Wij geloven in één God, de almachtige Vader (…). En in één Here Jezus Christus, de eniggeboren Zoon van God (…). En in de Heilige Geest, die Here is en levend maakt”. Maar het is best goed dat de apostolische geloofsbelijdenis ons er nog eens aan herinnert dat we in de Heilige Geest gelóven, zoals we in de Vader en de Zoon geloven. Het is niet zo dat we het terrein van het geloof verlaten en het terrein van de ervaring betreden, zodra het over de Heilige Geest gaat. Nee, in de Heilige Geest moet je net zo goed geloven als je in de Vader en de Zoon moet geloven.
Dat is een bevrijdende ontdekking. Tenminste, zo verging het mij wel. Want kun je wel zeggen dat je in de Heilige Geest gelooft, als je niet weet waar je Hem in je eigen leven precies kunt aanwijzen? Bij God en bij Jezus is dat op de één of andere manier wat minder erg. God is nu eenmaal in de hemel, daar is Hij God voor; en wij zijn nu eenmaal op aarde, daar zijn we mensen voor. Soms voelt het wel als een gemis dat ook Jezus niet meer op aarde, maar in de hemel is. Toch is het ook wel weer een bemoedigende gedachte dat wij een koning hebben die weet wat het is om mens te zijn. Ook al kunnen wij niet meer met Hem kunnen meevoelen, Hij kan wel met ons meevoelen. Als je je daar van bewust wordt, heb je er ook wel weer vrede mee dat je in Jezus moet geloven zoals je in God gelooft. Maar bij de Heilige Geest ligt dat anders. Want Hij troont niet in de hemel, maar woont in je hart. Daar zou je toch wat van moeten merken? Maar als je dat niet kunt zeggen, woont Hij dan wel in je hart? Toch maakt de apostolische geloofsbelijdenis dat onderscheid tussen God en Jezus in wie je moet geloven, en de Heilige Geest die je kunt ervaren niet. Ik gelóóf in God, de Vader. Ik gelóóf in Jezus Christus. Ik gelóóf in de Heilige Geest. Als je die woorden meezegt of meezingt, spreekt uit de belijdenis van de Heilige Geest hetzelfde vertrouwen als uit de belijdenis van de Vader en de Zoon. Ik geloof dat de Heilige Geest er voor mij is, zoals de Vader en de Zoon er voor mij zijn. Ik vertrouw de Heilige Geest, zoals ik de Vader en de Zoon vertrouw.
Eigenlijk heb ik daarmee zondag 20 van de Catechismus al uitgelegd. Want die wijst er in de eerste plaats op dat de Heilige Geest samen met de Vader en de Zoon echt en eeuwig God is. Dat lijkt een nogal formele belijdenis. Alsof de Catechismus er wel even op moet wijzen dat de Heilige Geest de derde persoon van de Drie-eenheid is. Maar er zit veel meer in. Want als de Heilige Geest samen met de Vader en de Zoon echt en eeuwig God is, dan is Hij even groots in zijn macht en in zijn liefde als God. Hij is niet alleen een duif, maar ook een storm en een vuur. Hoeveel ervaring je ook met de Heilige Geest mag hebben, je geloof in de Heilige Geest moet altijd groter zijn dan je ervaring. Want Hij is altijd meer dan jij kunt denken en voelen.
Toch komt de Heilige Geest daarmee niet op afstand te staan. Want in de geloofsbelijdenis van de kerk worden geen algemene waarheden uitgesproken. Je zegt immers niet: “Ik denk dat God bestaat”, maar: “Ik geloof in God, de Vader”. Dat betekent niet alleen dat je ervan overtuigd ben dat God er is, maar ook dat je ervan overtuigd bent dat Hij er voor jou is. Je noemt Hem is immers je Vader? Hetzelfde geldt voor de belijdenis over Jezus. Je zou kunnen denken dat je niet hoeft te geloven om te kunnen zeggen dat Jezus geleefd heeft en gestorven is. Zelfs de meeste verstokte atheïst zal dat niet meer ontkennen. Maar hij zal wel ontkennen dat Jezus voor hém geleefd en voor hém gestorven is. Terwijl het daar in de belijdenis van de kerk om gaat. Wat je persoonlijk belijdt, gaat jou persoonlijk aan. Vandaar dat de Catechismus niet alleen zegt dat de Heilige Geest met de Vader en de Zoon God is, maar ook dat de Heilige Geest met de Vader en de Zoon God voor jou is: “Hij is ook mij gegeven, om mij door waar geloof aan Christus en al zijn weldaden deel te geven, mij te troosten en eeuwig bij mij te blijven”. Want ik gelóóf in de Heilige Geest, zoals ik geloof in God, de Vader, en Jezus Christus, zijn eniggeboren Zoon.
De Catechismus over de Heilige Geest is dan ook een schot in de roos. Omdat de Catechismus je uitdaagt om met net zoveel overtuiging te spreken van je geloof in de Heilige Geest als van je geloof in God en in Jezus. Het is daarom niet waar dat de Heilige Geest er in de Catechismus maar bekaaid af zou komen. Als je kijkt naar het aantal woorden dat de Catechismus wijdt aan de Heilige Geest, zou je dat wel zeggen. Maar belangrijker dan de kwantiteit is de kwaliteit van de leer van de Heilige Geest. De Catechismus nodigt gereformeerde mensen uit om net zo positief te spreken over de Geest als over de Vader en de Zoon. Je verwachtingen van de Geest mogen net zo hooggespannen zijn als je verwachtingen van Vader en Zoon. Want in de Geest hebben we met dezelfde God te maken als in de Vader en de Zoon. Hij is God, net als de Vader en de Zoon. Hij is God, samen met de Vader en de Zoon.

De Geest is God samen met de Vader en de Zoon, dat klinkt wat theologisch. Er zit inderdaad een flink stuk theologie in. Maar dat betekent niet dat het iets is voor liefhebbers. Hoewel, gelovigen zijn ten diepste liefhebbers. Of niet dan? Geloven in God is toch houden van God? Maar dan wel van de ene God. Je kunt niet van de Geest houden, als je niet van de Vader houdt. Zoals je niet van de Vader kunt houden als je niet van de Zoon houdt (1Joh.2,23). Er gaat dan ook iets mis, als aandacht voor de Heilige Geest ten koste gaat van aandacht voor de Vader en de Zoon.
Ik kan mij alleen niet aan de indruk onttrekken dat het zo vaak wel werkt. Dan is het net of de Heilige Geest het sluitstuk van het ware geloof is. Je hebt dan drie kringen van gelovigen. De grootste kring bestaat uit mensen die in God geloven. Daarbinnen heb je weer een kring van mensen die geloven dat Jezus de Zoon van God is. Maar binnen die kring heb je nog weer mensen die gedoopt zijn met de Heilige Geest. Eigenlijk kunnen alleen zij uit ervaring over God spreken. Bij hen zie je bijzondere gaven van de Geest: de kracht om wonderen te verrichten, om te profeteren, om te onderscheiden wat wel en niet van de Geest afkomstig is, om in tongen te spreken of om uit te leggen wat daar de betekenis van is (1Kor.12,10). Zij staan het dichtst bij het koninkrijk van God (vgl. Mc.12,34).
Het merkwaardige is echter dat het soms wel lijkt of mensen die zich richten op die bijzondere geestesgaven, het geloof in God en in Jezus ontgroeid zijn. Enige tijd geleden preekte ik eens in een kerk waar de gemeente de gelegenheid gegeven werd om na afloop van de dienst met de predikant door te praten over de preek. Er stapte een man op me af die er heel blij mee was dat ik gepreekt had over de Heilige Geest. Maar Hij vond het zo jammer dat ik wel veel gezegd had over wie de Geest was, maar niet over wat de Geest doet. Daar heb ik een tijd over nagedacht. Hij had wel gelijk toen hij zei dat ik het meer gehad had over wie de Geest was dan over wat de Geest deed. Maar waarom was dat nou jammer? Ik kon het gevoel maar niet kwijtraken dat Hij liever zo graag meer gehoord had over wat de Geest doet, omdat hij ook niet zo geïnteresseerd was in wie de Geest is. Dat de Geest God zelf is, dat was natuurlijk helemaal waar. Maar het voegde voor Hem ook niet zoveel toe. Want wie God was, dat wist hij al wel. Maar wat spreken in tongen was, dat wist hij nog niet. Let wel, zo zei hij het niet. Toch reed ik naar huis met het gevoel dat ik net iemand gesproken had die meer geboeid werd door onverstaanbare klanktaal, dan door het verstaanbare evangelie van God die Zich in Jezus geopenbaard heeft. Ik vond dat ontzettend vervreemdend. Want dat verlangen naar meer van de Geest herken ik wel. Maar dat je graag de Geest wilt leren kennen, omdat je God en Jezus zo langzamerhand wel kent, daar kan ik me niets bij voorstellen. Dan verlang je naar meer van de Geest omdat het geloof in God je niet meer boeit of omdat de kerk van Jezus Christus je verveelt. Zulk verlangen naar meer van de Geest is niet geestelijk, maar vleselijk. Het is niet gericht op God, maar op jezelf.

Daar legt Paulus nu de vinger bij in zijn brief aan de Galaten. In de Nieuwe Bijbelvertaling komt dat niet heel duidelijk uit. Want daar staat: “Bent u werkelijk zo dwaas weer op uw eigen kracht te vertrouwen, en niet langer op de Geest?” Maar in de oude vertaling stond: “Bent u zó onverstandig? U bent begonnen met de Geest, eindigt u nu met het vlees?” Nu is de tegenstelling die Paulus hier maakt tussen Geest en vlees ook niet meteen voor alle lezers duidelijk. Zeg dan maar, als de Bijbel In Gewone Taal, waar het op staat: “Wees toch niet zo dom! Eerst vertrouwden jullie op de heilige Geest. Maar nu houden jullie je alweer bezig met aardse zaken”. Dan is glashelder dat Paulus bedoelt dat dingen die supergeestelijk lijken ondertussen superaards kunnen zijn.
Voor de Galaten zal dat schokkend geweest zijn. Want zij hadden juist het gevoel dat ze geestelijke groei doormaakten. Natuurlijk, het was allemaal begonnen met geloof in Jezus Christus. Maar daarna moest je toch wel laten zien dat het geloof je menens was. Je moest er wel wat voor doen. Voor de Galaten betekende dat dat je je wel moest houden aan de wetten die God aan Israël gegeven had. Wilde je als heiden horen bij het volk van God, dan moest je dus wel laten besnijden. Maar Paulus spuwt vuur zodra hij dat hoort. Hij zegt zelfs in hoofdstuk 5: “Ik waarschuw jullie. Jullie moeten je niet laten besnijden! Want als je dat doet, dan heb je er niets meer aan dat je bij Christus hoort” (5,2, BGT). Waarom zo fel? Dat staat in het gedeelte dat we gelezen hebben. Hoofdstuk 2 eindigde met de zin: “Als we door de wet rechtvaardig zouden kunnen worden, zou Christus voor niets gestorven zijn”. Daarmee bedoelt de apostel: Christus had helemaal niet voor onze zonden hoeven sterven, als wij ons best aan de wet kunnen houden. Door nu alsnog volgens de wet te gaan leven, wekken de Galaten dus de indruk dat ze Christus niet langer nodig hebben. Christus heeft een prachtige voorzet gegeven, maar nu moeten ze zelf scoren.
Om dat tot hen door te laten dringen, stelt de apostel hun een gewetensvraag: “Ik wil maar één ding van u weten: hebt u de Geest ontvangen door de wet na te leven of door te luisteren en te geloven?” Of de Galaten de Heilige Geest wel ontvangen hadden, was voor hen blijkbaar geen vraag. Misschien was de uitstorting van de Heilige Geest in hun midden wel gepaard gegaan met bijzondere tekenen en wonderen (vgl. 3,5a). Maar dan was het nog steeds zo dat het wonder zich voltrok langs de weg van het gewone. Ze hadden er niet hard voor gewerkt om de Geest te kunnen ontvangen. Ze hadden er geen spirituele oefeningen voor hoeven doen. Ze hadden slechts geluisterd naar het evangelie van Jezus Christus. Zo was de Geest hun leven binnengekomen: via hun oren. Maar terwijl zij luisterden, veroverde Hij hun hart. Ze waren Jezus gaan vertrouwen en liefhebben. Wat hun afgoden hun nooit hadden kunnen geven, dat vonden ze bij Jezus: leven en vrede (Rom.8,6). Het werd hun zomaar geschonken, zonder dat ze er iets voor hoefden te doen. Hoe haal je het dan in je hoofd dat je bij nader inzien toch wel iets moet doen voor dat leven en die vrede? Moet dat groei in geloof zijn: dat je weer wat minder op Jezus en weer wat meer op jezelf gaat vertrouwen? Dat is geen stap vooruit, maar een stap achteruit. Ga zo door en je bent weer terug bij af.

Die waarschuwing is nog onverminderd actueel. Nog altijd maken christenen de fout dat groei in geloof hetzelfde zou zijn als groei in actie. Maar ondertussen zijn de activiteiten die dan ontplooid worden een symptoom van geestelijke onrust. Wat je bij Jezus niet meer kunt vinden, zoek je bij meer doen aan je geloof, meer doen voor je naaste, meer doen in de kerkdienst. Meer – doen – meer – doen – meer. Dan trap je in dezelfde valkuil als de Galaten. Want groeien in geloof is niet meer jij voor Jezus, maar meer Jezus voor jou. De Geest maakt jou niet groter voor Jezus. De Geest maakt Jezus groter voor jou.
Op het moment dat je geloof in Jezus Christus uit begint te doven, probeer het vuur dan niet weer aan te blazen door je overal wel op te willen richten, behalve op Jezus Christus zelf. Stel je met de apostel Paulus de vraag: “Waarmee is het in mijn leven begonnen? Heb ik er heel veel voor gedaan om Jezus te kunnen vinden? Of heeft Hij er heel veel voor gedaan om mij te vinden? Was Hij het zelf niet die me met zijn Geest raakte, terwijl ik luisterde naar iemand die me over Jezus vertelde? Misschien deed het me op die momenten niet eens altijd even veel. En toch raakte ik langzaam maar zeker met Jezus vertrouwd. Zou dat niet de weg zijn waarlangs de Geest me nog steeds voor Jezus wil winnen? Dan kan ik maar beter even stoppen met praten, omdat ik nog steeds moet luisteren. Ik hoef niet te geven en te geven. Ik mag ontvangen en ontvangen”.
Geloven is geen zware opgave als je gelooft in de Heilige Geest. Want je hoeft het geloof niet bij jezelf op te wekken. Laat dat maar aan de Heilige Geest over. Vertrouw erop dat Hij je echt wel aan Christus en al zijn weldaden deel zal geven. Blijf het zeggen, soms tegen je gevoel in: “Ik gelóóf in de Heilige Geest”. Die Heer is als Jezus. En je levend maakt met Jezus.

Amen.