Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Waarom Jezus de Christus is.
titel : Waarom Jezus de Christus is.
datum : 10 september 2006
volledige onderwerp : Zondag 12
Download deze preek.

Preek over HC zondag 12
(Grijpskerk/Niezijl, 3-2-02; schets omgewerkt tot preek voor GZR, 10-9-06)

Ps.89:9,14,18
Ps.105:6,7,21 (v.m.)
Mt.16,13-28
Lied 252:1,3
HC zondag 12
Lied 442
Gez.3 (n.m.)
Gez.18 (C)

Gemeente van Christus Jezus,

“Maar waarom wordt u een christen genoemd?” Die vraag doorbreekt de behandeling van de apostolische geloofsbelijdenis. Daarin belijdenis we immers ons geloof in God. Steeds gaat het over God. En dan ineens gaat het in de Catechismus over ons. “Maar waarom wordt u een christen genoemd?” Die vraag treft ons. “U wordt een christen genoemd. Maar waarom eigenlijk?” Ja, waarom eigenlijk? Weet u het?

De christennaam is nogal gedevalueerd. Op het naambordje van ons kerkgebouw staat niet: christelijke gemeente, maar gereformeerde kerk (vrijgemaakt). De christenheid is versplinterd. Je hebt christenen in soorten en maten. Je hebt roomsen en protestanten. Je hebt luthersen en gereformeerden. Je hebt synodalen en vrijgemaakten. Je hebt vrijgemaakten binnen en buiten verband. Christen zonder meer, dat zegt niks. Vraagt iemand je: “Van wat voor geloof ben jij?”, dan zullen de meesten van ons antwoorden: gereformeerd (vrijgemaakt).
Het woord “christelijk” wordt bovendien geplakt op van alles en nog wat. Behalve christelijke kerken zijn er ook christelijke scholen, christelijke vakbonden en christelijke politieke partijen. Maar dat woord “christelijk” betekent vaak niet meer dan dat men bepaalde normen en waarden nog in ere houdt. Hoezeer het woord “christelijk” uitgehold is blijkt uit uitdrukkingen als: een christelijk tijdstip.
Toch betekent dat niet dat we in onze tijd de vraag uit zondag 12 beter zouden kunnen veranderen in: waarom wordt u gereformeerd (vrijgemaakt) genoemd. Want de Catechismus stelt zijn vraag nadat hij antwoord gegeven heeft op de vraag waarom Jezus Christus, dat is gezalfde, genoemd wordt. Onze identiteit hangt ten nauwste samen met zijn identiteit. Wie wij te diepste zijn houdt onlosmakelijk verband met wie Jezus ten diepste is. Als wij dan ook antwoord geven op de vraag waarom wij christen genoemd worden moet dan ook de naam van Jezus Christus vallen. Maar zou u die naam ook in de mond nemen als u de vraag gesteld werd: waarom wordt u, word jij een christen genoemd? Als gevraagd wordt: Wat is nou typisch voor een christelijke levensstijl, dan zal zijn naam moeten vallen. Ja, sterker nog, een christelijke levensstijl moet de stijl van Jezus Christus vertonen. Hij moet herkenbaar zijn in zijn volgelingen. In ons moet iets van Hem zichtbaar worden.

In onze antwoorden op de vraag van de Catechismus valt echter de naam van Jezus Christus vaak helemaal niet. Uit een onderzoek dat een aantal jaar geleden gedaan is onder christelijke jongeren bleek dat volgens veel van onze jongeren hun christelijke identiteit bestaat in dingen als: 2x naar de kerk gaan, bidden, bijbellezen, niet uitgaan op zondag (maar blijkbaar wel van zaterdag op zondag…). Veel jongeren vinden het best moeilijk om echt concreet te maken waarin zijn anders zijn dan hun leeftijdgenoten die niet geloven. Ze zeggen dat ook eerlijk. Wij doen niet echt anders. Nou ja, wij gaan misschien niet zo op in uitgaan als leeftijdgenoten die nergens wat aan doen. Drinken misschien wat minder. Blowen wat minder en slikken niet zoveel pilletjes om de feestvreugde te verhogen. Maar fundamenteel anders? Uiterlijk is er slechts een gradueel verschil. Het verschil zit hem vooral van binnen. Wij staan toch wat anders in het leven. Wij beleven dezelfde dingen toch anders. Wij doen misschien wel hetzelfde, maar zijn niet hetzelfde.
Veel mensen van een generatie hoger waren van de uitkomsten van dit onderzoek onder jongeren toch wel wat geschrokken. Bleek hier niet uit dat onze jongeren zo wereldgelijkvormig zijn als wat? Vroeger was het: “gij geheel anders”. Maar nu lijkt het wel: “gij geheel hetzelfde”. Waar is de antithese gebleven? De fundamentele scheidslijn tussen gelovigen en ongelovigen door?
Nu, de uitkomsten van dat onderzoek waren wat mij betreft ook verontrustend, maar de bezorgde reactie daarop al evenzeer. Want als het goed is bestaat onze christelijke identiteit niet in dingen, maar in een Persoon: Jezus Christus. Maar zijn naam klinkt niet of nauwelijks uit de mond van jong èn oud. Terwijl christen zijn ten diepste niet bestaat in bepaalde dingen wel of niet doen, maar in je band met Jezus Christus.
In de woorden van de apostel Paulus: “Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, (dat is), niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. En voorzover ik nu (nog) in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven” (Gal.2,20). Niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. Hij bepaalt mijn identiteit. Hij is mijn nieuwe ik. Als ik “ik” zeg, dan zeg ik “Jezus Christus”. En als ik Jezus Christus zeg, dan zeg ik “ik”. Als ik mijn diepste gevoelens onder woorden moet brengen, dan begin ik te spreken van mijn Heiland, die mij heeft liefgehad en zijn leven voor mij gegeven heeft. Als ik moet verklaren waarom ik doe wat ik doe en zeg wat ik zeg, dan vertel ik dat Jezus Christus mij ten diepste drijft. Hij is mijn drijfveer, Hij is mijn leven, Hij is mijn alles. Waarom wordt u een christen genoemd? Daarom en nergens anders om.

Herkent u dat, broeders en zusters? Zijn deze woorden jullie op het lijf geschreven, jongens en meisjes? Dat is toch het enige antwoord dat mogelijk is op de vraag: Waarom word jij nou een christen genoemd? Omdat mijn ik met Christus gestorven is en zijn ik in mij leeft?
Zo simpel zou het toch moeten zijn. Maar als de vraag: “Waarom word jij nou een christen genoemd?”, je alleen maar in verlegenheid brengt, of als in de antwoorden op die vragen een heleboel woorden vallen, behalve de naam van Jezus Christus, moeten we ons dan niet afvragen of wij wel terecht christen genoemd worden?

Voordat ik op die vraag inga, moet ik met de Catechismus echter eerst antwoord geven op de vraag waarom Jezus Christus genoemd wordt. Als we niet weten waarom Hij Christus genoemd wordt, kunnen we ook niet weten waarom wij christen genoemd worden.

Petrus was de eerste die onomwonden Jezus beleed als de Christus. Toen Jezus zijn discipelen vroeg: “Wie zeggen de mensen, dat Ik ben?”, antwoordden ze: “Sommigen: Johannes de Doper; anderen: Elia; weer anderen: Jeremia, of één van de profeten”. Maar als Jezus dan doorvraagt: “Mij gij, wie zegt gij dat Ik ben?” zegt Petrus zegt: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God”. Hij wil maar zeggen: “U bent werkelijk door God de Vader aangesteld en met de Heilige Geest gezalfd om al Gods beloften werkelijkheid te maken. We zien het om ons heen, hoe overal waar U verschijnt ziekte en dood op de vlucht slaan. In U maakt God een nieuw begin. Zijn vrederijk zal nu toch wel haast verschijnen”.

Jezus ontkent dat niet. Zelfs Petrus verwachting van de nabijheid van het Koninkrijk niet. Wij hoorden Hem immers, aan het einde van onze schriftlezing, zeggen: “Voorwaar, Ik zeg u, Er zijn sommigen onder degenen, die hier staan, die de dood voorzeker niet zullen smaken, voordat zij de Zoon des mensen hebben zien komen in zijn koninklijke waardigheid”. Dat is een woord dat in de loop van de kerkgeschiedenis veel stof tot discussie gegeven heeft. Het lijkt net of Jezus hier zegt dat sommigen van zijn discipelen zijn wederkomst nog zullen meemaken. Het is nu niet de plaats daarop uitvoerig in te gaan. Ik houd het erop dat dit woord slaat op Christus’ opstanding uit de doden. Waar ik nu de vinger bij wil leggen is dat Jezus zijn discipelen met nadruk verbood tegen iemand te zeggen: “Hij is de Christus”.

We moeten blijkbaar zuinig zijn op die belijdenis. Hij mag alleen in de mond genomen door mensen die weten wat ze zeggen. Anders is het een halve waarheid, die intussen een hele leugen is. Om zijn discipelen duidelijk te maken wat ze eigenlijk zeiden toen ze Hem beleden als de Christus, begon Jezus Christus zijn discipelen te tonen, dat Hij naar Jeruzalem moest gaan en veel lijden van de zijde der oudsten en overpriesters en schriftgeleerden en gedood worden en ten derden dage opgewekt worden. In deze weg brengt Jezus Gods Koninkrijk. Een andere weg is er niet. Zo is Jezus de Christus. Een andere manier is er niet.

Maar Petrus werpt het ver van Zich: zo’n Christus hoeft Hij niet. Hij scheidt Jezus’ Persoon en ambt. Hij wil Jezus wel eren als hoogste profeet en leraar, ook wel als zijn eeuwige Koning, maar niet als zijn enige Hogepriester. Gods vrederijk kon wat Petrus betreft zo wel komen. En wanneer Jezus dat vrederijk bracht, dan kon Petrus daar, wat hem betreft, zo binnenlopen. Daarmee onderschatte hij de ernst van de zonde. Ook van zijn eigen zonde. Je kunt ook zeggen: hij kende de schriften niet.

Christus kwam de schriften vervullen, zeker. Maar in de schriften staan niet alleen beloften, maar ook eisen. En in die schriften staan niet alleen eisen, maar ook straffen voor wie niet aan Gods eisen beantwoordde. En Gods rijk kon niet eerder komen dan wanneer ook aan die eisen en ook aan die straffen voldaan was.

Wat eiste God dan? Totale toewijding aan Hem. Een priesterlijk leven. In heel ons leven moesten wij onszelf als een levend dankoffer aan Hem offeren. In ons spreken en in ons handelen.
Wij mogen spreken. Dat is het profetische aan ons mensenleven. Maar het moet wel priesterlijk spreken zijn, d.w.z.: spreken dat niet onszelf, maar God als centrum heeft. Het moet een spreken zijn dat uit en tot God was. Een spreken dat verwarmd wordt door de stralen van Gods liefde. Een spreken dat Gods liefde op zijn beurt weer in het zonnetje zet.
Wij mogen handelen. Dat is het koninklijke aan ons leven. Maar het moet wel een priesterlijk handelen zijn, d.w.z.: een handelen dat niet onszelf, maar God als centrum had. Wij mogen namens Hem en voor Hem de aarde bebouwen en bewaren. Ons werken in en aan de schepping moet aan het licht brengen hoe groot de Schepper is. Ons werken moet een ontdekkingstocht zijn, die ons brengt tot het prijzen van God de Schepper. Ons koningschap is bedoeld als een dienstbaar koningschap.
Profeet, priester en koning, die drie ambten vormden samen een typering van het mens zijn. Maar het priesterlijke vormt het hart. Haal het priesterlijke uit het profetische en het koninklijke, en je houdt een mens over die in zijn spreken en handelen zijn eigen eer zoekt.
Dat is precies wat er met de zondeval gebeurd is. De totale toewijding aan God in ons spreken en handelen is verdwenen. Wij zijn gaan onderscheiden tussen ambt en persoon. Ons mens zijn gaat niet meer op in ambtsdrager zijn. Wij reserveren op zijn minst een deel van onze tijd en onze energie aan onszelf.

God heeft zijn volk tot de orde proberen te roepen door sommigen in het bijzonder met één van de drie menselijke deelambten te belasten. Sommigen stelde Hij aan als profeten. Maar de bedoeling van hun prediking was dat mensen zich weer aan hun God gingen wijden i.p.v. aan henzelf. God stelde anderen aan als koningen. Maar de bedoeling van hun koningschap was niet dat mensen hen, maar hun God weer gingen dienen. Zeker in het geval van het koningschap was het duidelijk dat dit slechts ingesteld werd vanwege de zonde. God wilde geen koningen tussen Hem en zijn volk. Het moest zijn kinderen genoeg zijn dat Hij hun koning was (1Sam.8,7).
Het centrale ambt dat God na de zondeval instelde was echter het priesterambt. De priesters beelden met hun offers niet alleen uit dat onze toewijding volledig moest zijn, maar ook dat de straf over een gebrek aan toewijding volledig moest zijn. Iemand die niet volledig uit en tot God leefde kon voor Gods aangezicht niet bestaan. Zoals een brandoffer in het vuur totaal verteerde, zo had de offeraar totaal verteerd moeten worden door de vlammen van Gods toorn.

Profeet, priester en koning, met die drie woorden wordt het mens zijn van voor de zondeval getypeerd.
Profeet, priester en koning, met die drie ambten wordt Gods genade van na de zondeval getypeerd.
Profeet, priester en koning, tot die drie ambten werd Jezus van Nazaret door God de Vader aangewezen en met de Heilige Geest gezalfd. Hij moest de mens zijn die God van den beginne voor ogen gestaan had. En ook van zijn ambtsbediening zou het priesterschap het hart moeten zijn. Zijn spreken mocht niet de aandacht op Hemzelf richten, maar op God. Zijn heerschappij mocht niet leiden tot meerdere eer en glorie van Hemzelf, maar van God. Daarom legt Hij Petrus ook het zwijgen op als die Hem belijdt als de Christus. Want ten diepste was Hij geen groot profeet en geen heerlijke koning, maar een priester. In zijn spreken en handelen zou het moeten gaan om totale toewijding aan God. Zo zou Hij de Christus der Schriften zijn.
Die totale toewijding aan God zou uiteindelijk betekenen dat Hij veel moest lijden en uiteindelijk zelfs sterven. Zijn ambt als profeet zou tot vervulling komen wanneer Hem het zwijgen was opgelegd. En zijn ambt als koning zou tot vervulling komen wanneer Hij in de strijd zou sneuvelen. Maar door zijn leven te verliezen zouden wij het weer kunnen vinden. God zou zijn totale toewijding aannemen, als was het onze totale toewijding. God zou zijn offer aanvaarden als boetedoening voor ons gebrek aan toewijding. Daarom was Jezus de Christus: omdat zijn profetenambt en zijn koningschap ten diepste priesterlijk waren.

Maar juist dat priesterschap van Christus wilde Petrus niks van weten. Hij wilde een Profeet en een Koning om trots op te zijn, geen Priester om je voor te schamen. Maar zou het probleem ten diepste niet liggen, niet bij Petrus’ Messiasbeeld, maar bij zijn zelfbeeld? Hij wilde een Messias om hoog van op te geven, omdat hij in feite nog te hoog dacht van zichzelf. Petrus zag niet in waarom Iemand Zichzelf voor hem moest offeren. Hij kon zelf de verantwoording van zijn daden wel dragen. Het was hem te min dat een ander moest sterven in zijn plaats.

Zowel aan Petrus’ Christusbeeld als aan zijn zelfbeeld gaat Jezus echter werken. Hij zegt: “Jij belijdt Mij als de Christus? Prima. Maar jij wilt van Mij hetzelfde als wat de satan van Mij wil: dat Ik uit mijn rol als priester val, om Mezelf te profileren. Toen de satan tegen Mij zei: “Als je dan Gods Zoon bent, doe dan eens dit, doe dan eens dat”, antwoordde ik Hem: “Ga weg, achter Mij, satan” (Mt.4,10). En hetzelfde zeg Ik tegen jou. Als een priesterlijke Christus jou een aanstoot is, dan ben jij Mij een aanstoot. Je bent niet bedacht op de dingen Gods, maar op die der mensen”.
Maar meteen daaroverheen zegt Hij: “Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme zijn kruis op en volge mij. Want ieder die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar ieder die zijn leven verloren heeft om mijnentwil, die zal het vinden”.

Betekent dit dat niet alleen Jezus’ weg een lijdensweg zal zijn, maar ook die van zijn volgelingen? Is het antwoord op de vraag: “Waarom wordt u een christen genoemd?”: omdat een christen deelt in het lot van Christus? Is Hem volgen afzien?
Nou zeker. Jezus volgen is afzien van jezelf. Wie dat doet, die zal delen in het werk van Christus. Wie Jezus belijdt als de Christus, die moet zich realiseren dat hij daarmee ook iets zegt over zichzelf. Namelijk: Het mens zijn zoals ik daar invulling aan geef, dat kan voor Gods aangezicht niet bestaan. Ik probeer altijd weer een scheiding te maken tussen mijn persoon en mijn ambt. Ik wil God wel dienen, maar nooit helemaal. Hij moet niet beslag op mijn hele leven gaan leggen. Ik heb best behoefte aan een persoonlijk geloof. Ik hunker naar een plekje waar ik stil kan zijn voor God. Waarin ik me zo nu en dan terug kan trekken als het me even teveel wordt. Maar het moet niet meer dan een plekje worden. Ik heb behoefte aan stille tijd, maar ik heb ook behoefte aan tijd voor mezelf. Maar als ik Jezus aan het kruis zie hangen, dan besef ik dat God daar niet tevreden is. Hij wil geen dierbaar plekje in mijn hart, Hij wil mijn hele hart. Hij wil niet dat wij ook goede woorden voor Hem over hebben, Hij wil dat heel ons spreken doorgedrenkt is van zijn liefde. Hij wil niet dat wij ook wat aan Hem doen, Hij wil dat onze band met Hem uitkomt in alles wat wij doen. Ja, zelfs al zouden wij ook zo willen leven, we kunnen het niet. Niet meer. We kunnen het niet opbrengen. Niet meer. Als wij Christus aan het kruis zien hangen, dan zien wij hoe God ons onvolmaakte leven veroordeelt. Dat vindt Hij ervan. Hij vindt het niks. Hij kan er niks mee.
Maar ondertussen voltrekt God dat oordeel niet aan ons, maar aan zijn Zoon. Wij hadden daar moeten hangen. Niet Hij. God keert de rollen om. Jezus, die nooit uit zijn rol als profeet en als koning viel, omdat Hij tot het laatste toe priester bleef, sterft, en wij die keer op keer uit onze rol als profeet en koning vallen, omdat we maar geen priester willen zijn, leven.
Ja, zo mag het zijn als je niet aan je eindje vasthoudt en zegt dat het allemaal wel wat meevalt. Als je Jezus dan belijdt als de Christus, de Zoon van de leven de God, vraag Hem dan of Hij dat ook voor jou wil zijn. Hou de schijn niet langer op. Wees zo eerlijk om toe te geven dat je aan je verlossing helemaal niks bij kunt dragen. Je wilt dat zelfs niet meer. Omdat je je bekomst heb van je zelfredzaamheid. Een mens, zoals God het bedoeld heeft, dat word ik nooit. Nooit zal mijn toewijding aan God totaal zijn. In mijn spreken en handelen zal altijd iets zitten van: kijk mij eens. En daarom bid ik u, Here Jezus: Laat uw mens zijn het mijne zijn. Laat het oordeel dat ik verdiend heb het uwe zijn.

Dat is jezelf verloochenen. Dat is jezelf verliezen. Ophouden met het bedenken van smoezen. Ophouden met jezelf beter voordoen dan je bent. Maar jezelf helemaal overgeven aan Christus.
Wie dat doet, die mag met Paulus zeggen: “Niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij”. Hij neemt zijn intrek in je, zoals een leger in een stad die capituleert. Je hebt je verzet tegen Hem opgeven en Hij verovert nu je hele leven. Alle zonden die Hij tegenkomt, die draagt naar buiten, naar het Gehenna, het vuilstort buiten de muren van Jeruzalem. Tot hij je uiteindelijk stralend, zonder vlek of rimpel, aan God teruggeeft. Zo’n mens had u bedoeld, Vader. Wel, hier is hij. Hier is zij.

Durft u het de apostel na te zeggen, broeders en zusters: “Niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij”? Het mag, ook al kunt u het, als u naar uzelf kijkt, nauwelijks geloven. Het mag, als u niet alleen gelooft dat Jezus de Christus is, maar dat Hij het is voor u: de profeet, de priester en de koning zoals God het bedoeld had. Maar gelooft u dat ook? Hebt u het ooit tegen Hemzelf gezegd: “Ik geloof dat u de Christus bent, de Zoon van de levende God”? “Ik geloof dat maar niet in zijn algemeenheid, maar ik geloof dat voor mij persoonlijk”? Als u dat nog niet gedaan hebt, als u misschien wel belijdenis gedaan hebt, maar eigenlijk alleen in zijn algemeenheid, dat je de leer van het oude en nieuwe testament, die in de apostolische geloofsbelijdenis is samengevat en hier in de christelijke kerk geleerd wordt gelooft, maar intussen nog nooit tegen God zelf uw masker hebt laten vallen en uw leven in handen van zijn Zoon gelegd hebt, doe het dan alsnog. Dat kan ik niet voor u doen, straks in het gebed na de preek. Dat kan de kerk niet voor u doen. Dat moet u dan toch zelf doen.

Hé, moeten we dan toch zelf wat doen? Ja, we moeten zélf ophouden het zelf te doen.

Amen.