Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > God uit God, Licht uit Licht
titel : God uit God, Licht uit Licht
datum : 14 maart 2010
volledige onderwerp : Zondag 13
Download deze preek.

Preek over HC zondag 13 (Den Ham, 14-3-10)

Ps.80:1,10
Formulier IV
Geloofsbelijdenis Nicea.
Ps.43:3,4 (na klaarmaken tafel)
L 1Joh.1,1-2,2 / Lied 150 (aan tafel)
L Joh.8,12-20
T HC zondag 13
Lied 109:1,5,6
Ps.56:4 (na collecte)

Gemeente van de Here Jezus,

God is het licht der hemelen en der aarde.
De gelijkenis van Zijn licht
is als een nis
waarin is een lamp
de lamp is in een glas
het glas is als ware het een schitterende ster
ontstoken aan een gezegende boom
een olijfboom
geen oostelijke en geen westelijke
de olie ervan zou haast glans geven
ook al had geen vuur haar aangeraakt
licht op licht.

Dit stukje tekst is een fascinerende poging om in mensentaal onder woorden te brengen wat het betekent dat God licht is. Het ene beeld wordt op het andere gestapeld. Maar misschien kun je beter zeggen: het ene beeld wordt op het andere gestameld. Want het is net of er in elke regel een nieuw beeld wordt gekozen, omdat het vorige toch ontoereikend was. Dit gedicht is eigenlijk een meditatie, waarin om het geheim dat God licht is heen gecirkeld wordt. Maar in dat cirkelen koestert de dichter zich in dat licht.
Als we dit gedicht van beeld tot beeld proberen te volgen, treft ons de indirectheid van dat licht. Eerst wordt de nis genoemd, dan de lamp die er in staat. Je ziet die lamp dus zelf niet, maar je ziet de weerschijn van die lamp. De lamp zelf staat ook nog eens in een glas. Maar ook al wordt het licht daar nog indirecter van, het licht wordt er niet door gedimd. Wij kennen dat ook wel bij gloeilampen. Matte gloeilampen geven meer licht dan gloeilampen van doorzichtig glas. Want het hele peertje gaat dan mee gloeien. Zo is ook dit glas als een schitterende ster. Toch is de dichter nog steeds niet waar hij zijn wil. Want de olie waarop deze lamp brandt is zo helder dat ze zelf haast glans lijkt te geven. Het gaat dus om licht dat niet aangestoken hoeft te worden, maar uit zichzelf al schijnt.
Iemand zei eens naar aanleiding van dit gedicht: “De poëzie, de vergelijking van dat goddelijke licht met het licht uit een lamp die brandt op olijfolie, wat het meest zachte en etherische licht is dat je je kunt voorstellen. De Profeet vergelijkt dus Gods mystieke aanwezigheid in elk huis met dat zachte licht” (Arie Visser). De profeet? Welke profeet? De profeet Mohammed.
Het gedichtje dat ik u voorlas komt dus uit de Koran. Toch vind ik het een prachtig gedicht. En ik heb me dan ook afgevraagd: Kan een christen ook zo spreken over God als zulk vriendelijk, zulk veilig licht (vgl. Gez.174:1)? Het lijkt erop of Mohammed geïnspireerd is door een regel uit de geloofsbelijdenis van Nicea, als hij zijn beeldspraak samenvat met de woorden: “licht op licht”. Want in die geloofsbelijdenis komen de woorden voor: “geboren uit de Vader voor alle eeuwen, God uit God, Licht uit Licht, waarachtig God uit waarachtig God, geboren, niet geschapen, één van wezen met de Vader; door Hem zijn alle dingen geworden”.
Met die woorden probeert de geloofsbelijdenis van Nicea uit te leggen wat we bedoelen als we zeggen dat Jezus Christus de eniggeboren Zoon van God is. Die belijdenis is vandaag aan de beurt van behandeling. Ik wil vanmiddag meer stilstaan bij de uitleg die de oude kerk van die woorden gaf, dan aan de uitleg die de kerk van de Reformatie ervan gaf; dus meer de geloofsbelijdenis van Nicea uit 325 overdenken dan de catechismus van Heidelberg uit 1563.

Eén ding valt meteen al op als we het lichtvers uit de Koran en het lichtwoord uit de geloofsbelijdenis van Nicea vergelijken, en dat is dat de Koran de woorden “licht op licht” gebruikt om iets van God te zeggen en de geloofsbelijdenis van Nicea de woorden “licht uit licht” gebruikt om iets van de Zoon van God te zeggen. In het boek van de islam wordt Gods licht bezongen als zijn mystieke aanwezigheid in de wereld, maar in de belijdenis van de kerk wordt Gods licht bezongen als zijn lichamelijke aanwezigheid in de wereld. “God is licht, er is in hem geen spoor van duisternis”, misschien kan een moslim dat de apostel Johannes nog wel nazeggen. Maar ze beginnen te sputteren als ze Jezus bij diezelfde Johannes horen zeggen: “Ik ben het licht voor de wereld. Wie mij volgt loopt nooit meer in de duisternis, maar heeft licht dat leven geeft”. De joden sputterden al, toen ze Jezus dit hoorden zeggen. Zeker toen Jezus uitlegde dat ze God niet konden kennen, zolang ze Hem niet kenden. Want daarmee had Jezus gezegd dat Hij Licht uit Licht was, omdat Hij God uit God was.
Net als in het lichtvers uit de Koran tuimelen in de geloofsbelijdenis van Nicea de omschrijvingen over elkaar. Jezus Christus is Gods eniggeboren Zoon, dat wil zeggen: Hij is “geboren uit de Vader voor alle eeuwen, God uit God, Licht uit Licht, waarachtig God uit waarachtig God, geboren, niet geschapen, één van wezen met de Vader; door Hem zijn alle dingen geworden”. Alleen lijken de termen die de geloofsbelijdenis van Nicea gebruikt veel minder op poëzie dan de beelden uit de Koran. Vooral die uitdrukking dat de Zoon één van wezen is met de Vader komt op ons over als een dogmatische term waar geen greintje poëzie in zit. Terwijl dat de uitdrukking was die helderheid moest scheppen over de vraag wie Jezus nu ten diepste was: dat Hij één van wezen is met de Vader.
Natuurlijk bedoelde de oude kerk daarmee te zeggen dat Jezus God is. Waarom zegt ze dat dan niet? Omdat de Bijbel zelf dat bijna niet durft te zeggen. Je vindt in het nieuwe testament wel een paar teksten waarin Jezus zonder meer God genoemd wordt, maar veel talrijker zijn de teksten waarin Jezus de Zoon van God genoemd wordt. Als de Zoon van God is Jezus God. D.w.z.: net zo echt God als de Vader. Maar kun je dus zeggen dat in Jezus God zelf op aarde is gekomen? Als ik de vraag zo stel, lijkt het net of het antwoord “nee” moet zijn. Maar als je dat zegt, komt meteen de tegenvraag op: “Als Jezus niet God zelf is, is Hij dan een ander dan God?” Dan moet je opnieuw zeggen: “Nee, want anders kon Jezus niet zeggen: ‘Wie mij gezien heeft, heeft de Vader gezien’”. Jezus zei dat tegen zijn leerling Filippus, toen die Hem vroeg: “Laat ons de Vader zien, Heer, meer verlangen we niet”. Dan zegt Jezus: “Ik ben nu al zolang bij jullie, en nog ken je me niet, Filippus? Wie mij gezien heeft, heeft de Vader gezien. Waarom vraag je dan om de Vader te mogen zien? Geloof je niet dat ik in de Vader ben en dat de Vader in mij is?” (Joh.14,8-10a)
Die vraag stelt de Here Jezus net zo goed aan jou als aan Filippus. Geloof je dat eigenlijk wel, dat Jezus in God is en God in Jezus? Of denk je net als Filippus stiekem wel eens: “Laat ons de Vader zien, Heer, meer verlangen we niet”? Jezus is daar zo verdrietig over, omdat Filippus daarmee eigenlijk zegt dat hij op Jezus uitgekeken is. Nu wil Hij God zelf wel eens zien. Alsof Jezus zien en God zien heel wat anders is. Het is niet zo vreemd dat wij dat denken, omdat wij bij Jezus denken aan lijden en bij God aan heerlijkheid. Toch zegt de geloofsbelijdenis van Nicea: “Hij die ter wille van ons mensen en van ons behoud is neergedaald uit de hemel, vlees geworden is door de Heilige Geest uit de maagd Maria en een mens geworden is, die ook voor ons gekruisigd is onder Pontius Pilatus, geleden heeft en begraven is, Hij is één van wezen met de Vader”. Jazeker, dat de Zoon één van wezen is met de Vader belijden we niet van de Jezus die we niet kennen, maar van de Jezus die we wel kennen. De christelijke kerk heeft geen andere kennis over God dan die over Jezus Christus – de gekruisigde (vgl. 1Kor.2,3).
Nu zou je natuurlijk kunnen zeggen: “Wie de Zoon gezien heeft, heeft ook de Vader gezien? Dat gold misschien voor Filippus die Jezus met eigen ogen gezien had. Maar wij hebben de Zoon toch net zo min gezien als de Vader?” Dat is waar. Maar ook al hebben wij Jezus nog nooit gezien, we kunnen Hem wel vóór ons zien. Van het beeld dat de Bijbel bij ons oproept als we erin lezen geldt net zo goed dat het het beeld van de onzichtbare God is (Kol.1,15). Als we Jezus voor ons zien, dan zien we God voor ons.
Maar als u daar niet genoeg aan hebt: Onze goede God heeft, omdat Hij met ons onverstand en de zwakheid van ons geloof rekening houdt, voor ons het heilig avondmaal ingesteld (vgl. NGB art. 33). De God die we daar ontmoeten is God zoals Hij is. Wij zeggen wel eens van onszelf: “Zo ben ik nu eenmaal. Je moet me maar nemen zoals ik ben”. Zo nemen we God bij het avondmaal zoals Hij is. Maar dat doen we niet met een ondertoon van spijt: “Helaas, het is niet anders”. Nee, we roepen het uit: “Gelukkig, Hij is niet anders”. Want in de tekenen van brood en wijn die herinneren aan de duisternis van Golgota breekt voor ons het licht door.
Zo spreekt de apostel Johannes over het licht, waarin we mogen wandelen. Ik lees u zijn woorden nog een keer voor: “Wat er was vanaf het begin, wat wij gehoord hebben, wat wij met eigen ogen gezien hebben en aanschouwd hebben, wat onze handen hebben aangeraakt (en waarom zou je daarbij niet mogen denken aan de viering van het avondmaal?), dat verkondigen wij u: (…) God is licht, er is in hem geen spoor van duisternis. Als we zeggen dat we met hem verbonden zijn terwijl we onze weg in het duister gaan, liegen we en leven we niet volgens de waarheid. Maar gaan we onze weg in het licht, zoals hijzelf in het licht is, dan zijn we met elkaar verbonden en reinigt het bloed van Jezus, zijn Zoon, ons van alle zonde”.
De Koran spreekt van het licht dat God is als een barmhartig licht. Maar Mohammed heeft niet begrepen waarom dat zo waar is. Want Hij ontkent dat God een Zoon heeft en dat Jezus aan het kruis gestorven is. God is te groot om een Zoon te hebben en Jezus is te groot om aan een kruis te sterven. Maar welk licht ziet hij dan nog schijnen uit die nis waarin een lamp is en van die lamp die in een glas is? Dat licht kan niet meer doen dan de dingen zo te laten zien als ze zijn. Dat maakt dat licht juist zo onbarmhartig. Want de dingen zijn vaak niet zoals ze zouden moeten zijn, omdat wij niet zijn zoals we zouden moeten zijn. Maar het licht dat God in Jezus Christus ontsteekt brengt werkelijk verlichting. We vinden onszelf aan de avondmaalstafel terug als mensen aan wie vergeving geschonken is. Ja, God blijkt niet alleen een eeuwige en natuurlijke Zoon te hebben, Hij heeft ook ons als zijn kinderen aangenomen.
God is licht. Dat betekent in het evangelie niet alleen dat er in God geen duisternis is, maar ook dat er in ons geen duisternis meer is. God is licht, het betekent bijna hetzelfde als God is liefde. Wij geloven in één Here Jezus Christus, de eniggeboren Zoon van de Vader, geboren uit de Vader voor alle eeuwen, God uit God, Licht uit Licht. Maar ze zouden ook mogen zeggen: God uit God, Liefde uit Liefde.
Toch is liefde niet helemaal hetzelfde als licht. Want liefde kun je voelen en licht kun je zien. Hoewel, volgens de dichter Hans Andreus kun je licht wel voelen. Het is geen christelijk gedicht. Toch wil het zo lezen:

Ik hoor het licht het zonlicht pizzicato
de warmte spreekt weer tegen mijn gezicht
ik lig weer dat gaat zo maar niet dat gaat zo
ik lig weer momomaan weer monodwaas van licht.

Ik lig languit lig in mijn huid te zingen
lig zacht te zingen antwoord op het licht
lig dwaas zo dwaas niet buiten mensen dingen
te zingen van het licht dat om en op mij ligt.

Ik lig hier duidelijk zeer zuidelijk lig zonder
te weten hoe of wat ik lig alleen maar stil
ik weet alleen het licht van wonder boven wonder
ik weet alleen maar alles wat ik weten wil.

Amen.