Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Alsof wij Adam waren!
titel : Alsof wij Adam waren!
datum : 13 december 2009
volledige onderwerp : Zondag 04
Download deze preek.

Preek over HC 4 (Grijpskerk en Niezijl, 5-7-’98; R’dam-O, 6-11-05; GZR, 23-4-06; Valkenburg, 2-7-06; Zwijndrecht-GL, 26-8-07; Langeslag, 26-4-09; Den Ham, 13-12-09)

NG 53:1,2,3,9 Ps.144:1,2
Ps.90:5,7,8 T HC zondag 4
L Job 7,17-8,18 L Job 10,8-18
L Job 10,8-18 L Job 7,17-8,18
Ps.144:1,2 Ps.9:12,5,6,7
T HC zondag 4 Gez.179a
Ps.10:2,6,7 LB 42 (Den Ham: Lied 120:1,2) (na collecte)
Lied 42 (na collecte)

Gemeente van Jezus Christus,

Vandaag nog één keer ellende en dan zijn we er vanaf. Een volgende keer zullen we D.V. een begin maken met het tweede deel van de Catechismus, het deel over onze verlossing. Dat ligt ons over ‘t algemeen wat beter. Horen, èn preken!, over onze ellende, dat strijkt ons toch altijd wat tegen de haren in. Maar juist daarbij wil de Catechismus in zondag 4 nog even blijven stilstaan, bij het feit dát het horen en preken over onze ellende ons tegen de haren in strijkt, dat de kennis van onze ellende verzet bij ons oproept.
Vaak worden de vragen van zondag 4 getypeerd als uitvluchten, waarmee wij mensen ons van onze ellende afmaken. Vraag 9: Doet God de mens dan geen onrecht, dat Hij in zijn wet van hem eist wat hij niet doen kan? Oftewel: Als wij aan de eis van de wet tot het geven van liefde niet kunnen voldoen, omdat wij van nature geneigd zijn God en onze naasten te haten, kan God die eis dan niet laten vallen? Waar niet is, verliest de keizer zijn recht. Van een kikker pluk je geen veren. Antwoord: Nee. De mens kán de wet inderdaad niet meer houden, maar hij is zó gemaakt, dat hij ‘t wel kón. Eerste nooduitgang gebarricadeerd. Uitvlucht 2, vraag 10: Wil God zo’n ongehoorzaamheid en afval ongestraft laten? Oftewel: Als God dan de verbondseis overeind houdt, kan Hij dan niet de verbondswraak laten vallen? Kan hij ons niet gewoon onze schulden kwijtschelden? Hij kan ons onze zonden toch wel vergeven? Antwoord: Nee. De Catechismus zegt ‘t zelfs nog scherper: Beslist niet! Gods toorn over de zonde is zo groot, dat Hij die wil straffen: ín dit leven, en, alsof dat nog niet genoeg is, ook ná dit leven: “in tijd èn eeuwigheid”. Tweede nooduitgang gebarrica¬deerd. Uitvlucht 3, vraag 11: Maar God is toch ook barmhartig? Anders gezegd: God is toch liefde? Antwoord: Op zich wel. Maar je mag Gods barmhartigheid niet losmaken van zijn rechtvaardigheid. En Gods rechtvaardigheid eist dat de zwaarste zonde ook met de zwaarste straf bestraft wordt. God wil de zonde met gelijke munt betaald zien. Derde en laatste nooduitgang gebarricadeerd.
Maar als wij die antwoorden op ons in laten werken, dan zijn de vragen niet weg. Die worden juist door deze antwoorden nog klemmender. Zetten de antwoorden van de Catechismus juist geen nieuwe vraagtekens bij wat voor ons de kern van het evangelie is? God: een vergevend God? De Catechismus lijkt er zo z’n vragen bij te hebben, en beroept zich daarvoor in de voetnoten o.a. op de profeet Nahum: “De HEER is een wrekende God, hij duldt niemand naast zich. De HEER is een woedende wreker, de HEER wreekt zich op zijn tegenstanders” (Nah.1,2). God: liefde? De Catechismus lijkt er opnieuw zo z’n vragen bij te hebben, en beroept zich daarvoor in de voetnoten opnieuw op de profeet Nahum. De Catechismus zegt: “God is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig”, want Nahum zegt: “De HEER is geduldig, maar zeer sterk, hij laat nooit iets ongestraft” (Nah.1,3).
Lijken de vragen van HC zondag 4 bij eerste lezing misschien nog goedkope uitvluchten, smoesjes om ons van onze ellende af te maken, bij tweede lezing worden het ook ónze vragen. Vragen bij de God die ons hier geopenbaard wordt: een wreker, vol van grimmigheid. Die God moest Nahum prediken aan Nineve, de hoofdstad van het wreedste volk van het oude oosten. U kunt zich waarschijnlijk nog wel voorstellen dat het voor Juda evangelie was te horen dat God zich vol grimmigheid ging keren tegen de bloedstad. Nahum zelf roept dan ook Juda op feest te vieren: “Daar, over de bergen snelt een boodschapper. Hij kondigt vrede aan. Vier de feesten, Juda, los je geloften in, want nooit meer trekken schurken door je land, ze zijn volledig uitgeroeid” (Nah.1,15). Maar scheurt de Catechismus niet het adres van de boodschap van Nahum af, door te zeggen dat de Here een woedende wreker is, niet alleen voor Nineve, maar in z’n algemeenheid? De boodschap van Nahum, dat was nog evangelie, maar de boodschap van de Catechismus? “Vier de feesten, Juda, want de HEER is een woedende wreker”. Feesten? Ik dank je feestelijk. Tegen zo’n God verzet zich juist alles in me, tegen zo’n God kom ik juist in opstand.
En dan schrik je. Je verzetten tegen God, tegen God in opstand komen, dat is toch juist zonde? Dat is toch de oerzonde: tegen God in opstand komen? Vragen hebben bij God en bij zijn toorn, dat mag toch helemaal niet? Kijk maar eens naar Job. Een heel boek lang heeft hij God ter verantwoording geroepen, maar God antwoordt: “Een mens die met de Ontzagwekkende twist – kan hij hem iets leren? Laat hij die God terechtwijst op dit alles antwoorden!”. En Job zei: “Ik ben onaanzienlijk. Wat zal ik u antwoorden? Ik leg mijn hand op de mond” (Job 40,1-5). Maar de vragen van Job staan wel in hun volle lengte in de Bijbel, het Woord van God. En dat betekent dus ook dat wij die vragen van Job mogen lezen van God. Daaraan ontleen ik de vrijmoedigheid om vanmorgen de drie antwoorden van zondag 4 van de Catechismus achtereenvolgens te lezen in het licht van de vragen van Job.
Eerst antwoord 9: God doet de mens geen onrecht door in zijn wet van hem te eisen wat hij niet doen kan, omdat God de mens zo geschapen heeft, dat hij dit kon doen. De mens heeft zichzelf door moedwillige ongehoorzaamheid van deze gaven beroofd. Dat is een antwoord dat nogal wat vragen oproept. De catechismus spreekt heel algemeen van “de mens”. Kun je dat ook wat persoonlijker invullen, zo van: “Doet God mij geen onrecht, dat Hij in zijn wet van mij eist wat ik niet doen kan?” Laten we ‘t maar eens proberen: “Nee, want God heeft mij zo geschapen, dat ik dit kon doen. Maar ik heb mijzelf door moedwillige ongehoorzaamheid van deze gaven beroofd”. Klopt dat? Nee toch? Ik heb mijzelf toch niet van beroofd van de gave om Gods wet te kunnen houden? Dat heeft Adam gedaan. Ik niet. De Catechismus bedoelt eigenlijk ook Adam, want hij spreekt van “de mens en al zijn nakomelingen”. Antwoord 9 komt dus in feite hierop neer: God behandelt ons alsof wij Adam waren. Schieten we daar nou iets mee op? Wij zijn toch Adam niet? Mocht u nu gaan denken: “Waar gaat dit heen met die De Jong? Hij gaat toch geen kritiek leveren op de belijdenis?”, laat ik u dan bij voorbaat geruststellen: Dat was ik niet van plan. Ik constateer op dit moment alleen, dat antwoord 9 van de Catechismus zegt, dat God ons behandelt als waren wij Adam. God heeft “de mens” zo geschapen, dat hij de wet kon doen.
Maar God heeft de mens óók zo geschapen, dat hij de wet níet kon doen. God heeft de mens weliswaar niet als zondaar geschapen, maar Hij heeft de mens toch wel zó geschapen hij ook dít kon doen: in zonde vallen. God is niet de auteur van de zonde, maar toch wel de auteur van de mógelijkheid van de zonde. Daarmee heeft God toch zelf de schepping op het spel gezet. Tenminste, volgens Job wel. En hij verwijt dat God ook, in Job 10. We hebben uit dat hoofdstuk een aantal verzen met elkaar gelezen.

(vs 8)
Uw handen hebben me gevormd en gemaakt,
geheel en al – en nu wilt U mij verdelgen?

Job beschrijft in dichterlijke taal hoe God hem geheel en volledig gevormd heeft:

(vs 10)
Hebt U mij niet als melk uitgegoten (beeld voor de zaaduitstorting),
en als kaas doen stremmen (het embryo)?
Met vlees en huid ben ik door U bekleed,
met botten en pezen hebt U mij samengeweven.

Waarom heeft God de mens gemaakt zoals Hij hem gemaakt heeft? Waarom heeft Hij de mogelijkheid van de zonde niet bij voorbaat uitgesloten? Job heeft er wel een antwoord op:
(vs 13)
Maar dit houdt U in uw hart verborgen,
ik weet, wat U met mij voorhebt:
wanneer ik zondig, dan merkt U het op,
nooit laat U mij vrijuit gaan..

Job wil maar zeggen: God heeft de mens geschapen om hem in de gaten te houden en toe slaan als hij in de fout zou gaan. Volgens Job heeft God dus de mens geschapen juist omdát Hij een wreker is en vol van grimmigheid. God hoopte volgens Job zelfs dat de mens in zonde zou vallen:

(vs 15-17)
Als ik schuldig ben – wee mij!
Maar zelfs onschuldig kan ik mijn hoofd niet oprichten,
verdwaasd van schande, dronken van ellende als ik ben.
Als ik het opricht, zult u mij bespringen als een leeuw
en u nogmaals oppermachtig tonen.
Steeds weer roept u nieuwe getuigen op,
steeds erger wordt uw boosheid jegens mij,
vijand na vijand overvalt me.

Oftewel, was Job onschuldig, dan zou God als een leeuw jacht op hem maken, steeds nieuwe getuigen tegen hem oproepen, net zo lang zoeken tot Hij iets gevonden had om Zich te kunnen wreken.

Maar roept Job dan uit in vs 18: God, als u dan toch mijn verderf zoekt, waarom hebt u mij dan niet al voor de geboorte gedood?

Waarom hebt U mij ter wereld laten komen?
Waarom ben ik niet gestikt, voor iemand mij had gezien?

Job, totaal murw geslagen door zijn ellende, maakt van zijn hart geen moordkuil. Hij zegt hardop wat wij allemaal wel eens denken: Waarom heeft God de mens gemaakt zoals Hij hem gemaakt heeft? Waarom heeft God de mens niet zó gemaakt dat hij níet in zonde kon vallen? En als God dan de zonde wil straffen, waarom laat Hij de zondaar dan nog langer doormodderen met een wet die hij toch niet kan houden? Waarom neemt Hij hem dan niet al voor de geboorte weg?
Al die bittere, ja huiveringwekkende vragen aan het adres van God, Job heeft ze gesteld, en God heeft zijn vragen ook voor ons in de Schrift bewaard. Blijkbaar vindt Hij het ook voor ons goed over die vragen na te denken. Blijkbaar vinden we in die vragen toch het evangelie, maar dan verborgen in het tegendeel. God laat Job uitrazen om ons ook te laten zien bij wat voor absurde vragen je dan uitkomt. Job zegt: God, als u dan toch mijn verderf zoekt, waarom hebt u mij dan niet al voor mijn geboorte gedood? Dat is een absurde vraag. Job wil God in zijn eigen consequenties drijven. Laat God de mens van de aardbodem uitroeien, als Hij hem dan zonodig moet straffen. Dan hoor je God als het ware denken: “Meen je dat nou? Zou je dat echt willen? Dat Ik je dan maar bij voorbaat verdelg? Zou het ook niet zo kunnen zijn dat als Ik mensen ondanks hun zonde laat leven, dat Ik dat wil: dat mensen niet sterven, maar leven? En zou het ook niet zo kunnen zijn, dat als Ik de mens zo geschapen heb áls Ik hem geschapen heb, dat Ik zó’n mens wil: een mens die echt voor Mij moet kiezen? En zou het ook zo kunnen zijn, dat als Ik nog steeds van de mens vraag dat hij voor Mij kiest, dat Ik Mij er niet bij neer wens te leggen als de mens niet voor Mij kiest? Zou dat misschien ook kunnen?”

God heeft de mens hóóg, als Hij in zijn wet van hem eist wat Hij niet doen kan. Datzelfde evangelie, verborgen in het tegendeel, vinden we in het boek Job drie hoofdstukken eerder, Job 7,17-19. Laten we ook naar dat gedeelte nog eens kijken. In Job 7, 17 en volgende stelt Job aan God de vraag:

Waarom acht U de mens zo hoog?
Waarom krijgt hij al die uw aandacht van U?
Elke morgen dringt U Zich aan hem op,
U onderzoekt hem, elk ogenblik opnieuw.

Zonder het te beseffen spreekt Job hier recht van God. God acht de mens juist hoog als Hij hem elke dag beproeft met zijn wet. En het is de grootste ramp die ons kan overkomen als God Jobs gebed zou verhoren:

(vs 19)
Wanneer wendt U uw blik eens af,
Wanneer gunt u mij even rust, zodat ik kan slikken?

Job zegt: “God, laat u mij toch alstUblieft met rust. Wend uw blik toch van mij af. Zie mij toch níet meer staan. Laat me maar”. Maar God wil ons juist wél zien staan. En daarom laat Hij ons ook niet met rust. Job denkt te klein van de mens, èn hij denkt te hoog van God.

Kan dat, te hoog denken van God? Ja, dat kan. Lees maar verder in vs 20 (en dan vertaal ik een klein beetje anders dan de NBV):

Heb ik gezondigd, wat doe ik U daarmee aan,
Bespieder van de mens?
Waarom hebt U mij tot mikpunt gekozen,
alsof ik U (en dus niet: mezelf) tot last ben?

Job wil maar zeggen: Als ik zondig, dan hebt U daar toch geen last van? Onze zonde, daar staat God toch boven, daar is Hij toch te verheven voor, daar voelt Hij toch niks van? Dus wél! Als de Catechismus in antw.10 zegt: “God vertoornt Zich verschrikkelijk, zowel over de zonde die ons is aangeboren als over de zonde die wij doen” dan is dat omdat die zonde Hem raakt, Hem kwetst, Hem pijn doet. God is geen onbewogen Beweger, Hij is juist bewogen met ons mensen, en daarom komt heel zijn wezen in opstand tegen onze zonde. Juist omdat Hij ons wil zien staan, ziet Hij de zonde niet zitten. Wij doen Hem wat. En daarom kan God ook niet ingaan op Jobs verzoek in vs 21:

Waarom negeert U mijn misstappen niet?
Waarom gaat U niet voorbij aan mijn fouten?

Dat is vraag 10 van de Catechismus: Kan God zo’n ongehoorzaamheid en afval niet ongestraft laten? Kan Hij ‘t ons niet gewoon vergeven? Beslist niet, juist omdat onze zonde Hem niet onberoerd, niet koud laat, Hem niet in de koude kleren gaat zitten. Hij kán niet zomaar vergeven.

Volgens veel mensen zou God dat toch wel moeten kunnen. Wat wij mensen niet op kunnen brengen, dat zou God toch wel moeten kunnen opbrengen. Laat ik het met een voorbeeld duidelijk mogen maken. Als daders van een ernstig misdrijf er met tamelijk lichte straffen vanaf komen roepen velen: “Die straffen staan toch in geen verhouding tot het leed dat is aangericht? Is dat nou gerechtigheid?” Maar er zullen niet veel mensen zijn die, als ze in de Catechismus lezen dat God de zonden “door een rechtvaardig oordeel in tijd en eeuwigheid (wil) straffen”, zullen zeggen: “Inderdaad: eindelijk gerechtigheid”. Als ‘t rechtssysteem mensen die zondigen tegen de rechten van de mens ‘t hand boven ‘t hoofd houdt, dan is dat onrechtvaardig. Maar als God verdrietig en boos, als Híj het niet kan opbrengen om mensen, die zich aan Hem en zijn gebod niet storen, de hand boven het hoofd te houden, dan is het ineens: “Is dat nou barmhar¬tig¬heid?”

Het lijkt er op dat Bildad, één van de vrienden van Job, God als een God die in zijn straffen rechtvaardig is beter kent dan Job. Want hij zegt in hoofdstuk 8,2:
Is God dan onrechtvaardig?
Zou de Ontzagwekkende het recht verdraaien?

Maar dat is maar schijn. Want wat zegt Bildad in vs 5 en volgende?

Als jij je zelf tot God zult wenden,
en de Ontzagwekkende om genade smeekt
(...)
dan zal Hij het voor je opnemen
en zal de gerechtigheid weer wonen in je huis.

Ook Bildad toont geen enkel besef te hebben van Gods verdriet en toorn over de zonde. Zo van: Als je maar om vergeving vraagt, dan komt ‘t wel weer goed tussen God en jou. Ik denk dat ook wij vaak zo denken. De toorn van God, die kun je afwenden door om vergeving te vragen. Als je maar om vergeving vraagt, dan valt ‘t wel mee met die toorn van God. Dan loopt ‘t wel los. Mocht u zo denken, dan is dat een jammerlijk misverstand. [ppt uit] De donderbui van Gods toorn drijft niet over door onze bede om vergeving. De lucht klaart niet op om ons gebed om mooi weer. De lucht klaart alleen op omdat de donderbui van Gods toorn zich geheel ontladen heeft over Gods Zoon, Jezus Christus. Vergeving is niet mogelijk omdat God wel over zijn toorn heen kon stappen. Vergeving is alleen mogelijk omdat God dat níet kon. Het is tegen ons misschien wel eens wat al te makkelijke denken over Gods barmhartigheid dat het laatste antwoord van zondag 4 zich keert: God is wel barmhartig, maar dan alleen omdat Hij rechtvaar¬dig is.

Doet God de mens dan geen onrecht, dat hij in zijn wet van hem eist wat hij niet doen kan? Nee, zo behandelt God ons als waren wij Adam, omdat Hij nog steeds wil dat wij voor Hem kiezen. Hij laat ons aanmodderen met een wet die wij niet kunnen houden, opdat wij onze toevlucht zoeken bij het kruis van Christus. Daar nam Hij ons serieus, daar nam Hij zichzelf serieus.

En Hij neemt ons ook serieus, als wij Hem, na Golgota, nog steeds niet serieus nemen.

Amen.