Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > De lachende derde
titel : De lachende derde
datum : 8 november 2009
volledige onderwerp : Zondag 52
Download deze preek.

Preek over HC zondag 52 (Den Ham, 8-11-09)

Gez.177
Avondmaalsformulier IV
Gez.179b
L 2Kor.2,5-11
Ps.37:13,14,16
Lied 435:5 (na dankgebed)
T HC zondag 52
Gez.144:1,4-7
Ps.55:7-9 (na collecte)

Gemeente van de Here Jezus,

“In de bioscoop is er maar één die lacht”, zei mijn vader, als er thuis weer eens discussie was over de vraag waarom je een film niet in de bioscoop mocht zien en later wel op tv. Voor wie nog niet begrijpt wat mijn vader daarmee bedoelde: volgens hem had alleen de duivel plezier, als kinderen van God naar de bioscoop gingen. Ik weet niet of mijn vader daar nu nog zo over denkt; dat zou ik hem nog eens moeten vragen. Maar ik weet wel zeker dat dit soort vermaningen in onze kring aan het uitsterven is, als ze al niet uitgestorven zijn. Zeker onder jonge mensen is “een filmpje pakken” een algemeen geaccepteerde manier van ontspannen, onverschillig of je dat filmpje nu in de bioscoop, in de videotheek of via internet te pakken krijgt.
Ik wil het in deze preek niet over de bioscoop hebben, maar over [ppt] die derde die lacht. Voor hem wordt tegenwoordig net zo weinig gewaarschuwd als voor de bioscoop. Tenminste, volgens één van onze jongeren wel. Volgens hem gaat het in preken nog wel over dat we zonden doen en dat we zondig zijn, maar zelden of nooit over hem die ons tot zonde probeert te verleiden. Onderschatten we de macht van de satan niet? Is dat niet levensgevaarlijk?
Ik denk dat deze jongere zeker een punt heeft. Ik kan niet beoordelen of mijn collega’s nog wel eens waarschuwen voor de macht van de boze, maar zelf doe ik het inderdaad maar heel zelden. Ik heb daar ook wel goede redenen voor, die ik in het tweede punt van deze preek hoop uit te werken, maar feit blijft dat die terughoudendheid in het spreken over de macht van de duivel er ook toe kan leiden dat het voor u èn mij is alsof die hele duivel eigenlijk niet bestaat. De Here Jezus heeft aan den lijve ervaren dat de duivel wel degelijk bestaat, toen Hij door hem in de woestijn verzocht werd. Hij spreekt dan ook uit eigen ervaring, als Hij ons leert bidden: Leid ons niet in verzoeking, maar


[ppt] Verlos ons van de boze
1. Hij is tegen
2. God is voor
3. Wat ben jij?

1. [ppt] Waar komt die duivel eigenlijk vandaan? Het gekke is dat de bijbel nauwelijks antwoord geeft op die vraag. Er is eigenlijk maar één tekst die daar wat over lijkt te zeggen en die staat in de brief van Judas. Daar lezen we: “denk ook aan de engelen die hun oorspronkelijke positie ontrouw werden en de hun toegewezen plaats verlieten”. Het lijkt hier te gaan over een zondeval in de engelenwereld. Maar het merkwaardige is dat Judas vervolgt: “tot het oordeel op de grote dag houdt hij hen met onverbreekbare boeien in de onderwereld gevangen” (Jud.6). Als het hier gaat over de duivel en heel zijn rijk, dan zou je toch zeggen dat we niet meer bang voor hem hoeven te zijn: hij zit immers allang in de dodencel, om op de dag van het oordeel afgemaakt te worden. Nu brengt Judas de zondeval in de engelenwereld wel degelijk te sprake om ons te waarschuwen. Maar niet voor de duivel, maar voor het oordeel. Hij lijkt te willen zeggen: “Als je net als die engelen God ontrouw wordt, wacht je alleen nog het oordeel”. Het is Judas er dus niet om te doen geweest om antwoord te geven op de vraag die ieder zo nu en dan bezighoudt: “Waar komt het kwaad vandaan?” [ppt] Blijkbaar is het voor ons genoeg te weten dat het kwaad er is en dat het er niet blijft.
Maar ondertussen is het er dus nog wel. Of moet ik zeggen: ondertussen is hij er nog wel? Want de bijbel spreekt over het kwaad als over een persoon. Vandaar dat in de protestantse traditie de zesde bede niet vertaald wordt met: “Verlos ons van hét boze”, maar: “Maar verlos ons van dé boze”. De nieuwe Bijbelvertaling probeert die beide mogelijkheden te combineren door te vertalen: “red ons uit de greep van het kwaad” (Mt.6,13). Zo houdt het kwaad toch persoonlijke trekken: het probeert je in zijn greep te krijgen. Maar ook als het kwaad zo persoonlijke trekken houdt, wie die persoon is en waar hij vandaan komt, dat blijft vaag.
Het kan dan ook verbazing wekken dat Paulus, in dat stukje uit zijn tweede brief aan de Korintiërs, zo stellig kan zeggen: “We moeten ervoor oppassen dat Satan ons niet gebruikt: zijn plannen kennen we maar al te goed”. Kunt u hem dat nazeggen, broeders en zusters? Weet u precies wat Satan wil? Hoe kan dat nou, als je nauwelijks weet wie hij is? Toch kunt ook u hem dat nazeggen, broeders en zusters. [ppt] Want, anders dan in God, hoef je in de duivel niet geloven om te kunnen zeggen dat hij er is. We voelen op de één of ander manier wel aan dat er achter onze wereld nog een wereld schuilgaat, die Jakobus in zijn brief “een wereld van onrecht” noemt (3,6). Want ook al woont het kwade in ons eigen hart, het kwaad is meer dan de optelsom van alle kwaad dat in de harten van de mensen woont. Daarvoor is het kwaad in deze wereld te groot. Het is een eigen leven gaan leiden. Het openbaart zich niet alleen in wat mensen elkaar aandoen, maar ook in wat mensen aangedaan wordt. Dat is niet menselijk meer, maar duivels.
Toch kan die duivelse macht zich niet alleen in de wereld, maar ook in de kerk openbaren. Paulus doet zijn uitspraak namelijk n.a.v. een tuchtzaak. Een lid van de gemeente had integriteit van de apostel in twijfel getrokken door te roepen dat die collecte die Paulus in zijn eerste brief aanbevolen had voor de gemeente in Jeruzalem alleen bedoeld was om Paulus’ eigen zak te spekken. Paulus’ bezoek aan de gemeente, om de opbrengst van de collecte af te halen, was dan ook op een grote teleurstelling uitgelopen. Hij had gevoel gekregen dat niemand hem steunde. Inmiddels had de gemeente echter alsnog afstand van die man genomen. Dat is voor Paulus aanleiding te schrijven: “De straf die hem door de meerderheid van u is opgelegd, is zwaar genoeg geweest; u kunt hem nu maar beter vergeven en bemoedigen, anders verliest hij nog alle hoop”. Dan zou er inderdaad maar één zijn die lachte en dat was Satan. Want die vindt niks fijner dan dat mensen kapotgaan aan hun zonden. Hoe terecht het ook is dat de gemeente afstand genomen heeft van die zondaar, het is nu tijd om hem weer in liefde te aanvaarden. Anders wordt de tucht een instrument in de handen van de duivel.
De boze is alleen maar tegen: [ppt] tegen God, tegen wat van Hem is, tegen wie van Hem is. Daarom moet je je ook verre houden van dingen waarvan je eigenlijk wel weet dat je ze niet met je geloof in God kunt rijmen. Want je begeeft je in het krachtenveld van hem die niks liever wil dan jou in zijn eigen ondergang meesleuren. Onderschat hem niet. Overschat jezelf niet. Maak je liever die woorden van de Catechismus eigen: “Wij zijn van onszelf zó zwak, dat we zelfs geen ogenblik stand kunnen houden, en bovendien houden onze doodsvijanden – de duivel, de wereld en ons eigen vlees – niet op ons aan te vechten. Daarom bidden we U: Onze Vader die in de hemelen zijt, wil ons toch staande houden en sterken door de kracht van uw Heilige Geest, zodat wij in deze geestelijke strijd niet het onderspit delven, maar altijd krachtig tegenstand bieden, totdat wij uiteindelijk de volkomen overwinning behalen”.

2. [ppt] “Want van U is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid tot in eeuwigheid”. Volgens de Catechismus betekent dat o.a.: “Dit vragen wij U, omdat u ons al het goede wilt en kunt geven, want U bent onze koning en hebt alle dingen in uw macht”. Voelt U het contrast, tussen de duivel die alleen het kwade wil en God die alleen het goede wil? Maar ondertussen vinden veel mensen dat maar moeilijk te geloven. Op het moment dat het kwade zich in zijn volle kwaadaardigheid openbaart, willen mensen wel geloven dat er een duivel is. Als het goede zich nu eens in zijn volle goedheid zou openbaren, dan zouden mensen ook wel willen geloven dat er een God is. Maar dat lijkt maar nooit te gebeuren. Want wanneer is iets ooit helemaal goed? Als het dat al is, dan blijft het dat nooit. Als je je ogen goed de kost geeft, dan kun je geen andere conclusie trekken dan de schrijver van het bijbelboek Prediker: “Lucht en leegte, alles is maar leegte”. Want over alles hangt de schaduw van de dood. De dood lijkt sterker dan het leven, de tegenstander sterker dan de Voorstander.
Toch zegt de apostel Paulus in een brief aan een andere kerk: “Als God voor ons is, wie kan dan tegen ons zijn?” (Rom.8,31) Het lijkt erop dat Paulus niet alleen van Satan, maar ook van God vrijmoedig durft te zeggen: “Zijn plannen kennen we maar al te goed”. Hoe komt Paulus erbij met evenveel stelligheid te zeggen dat God voor is als dat Satan tegen ons is? Dat zegt Paulus niet omdat er in deze wereld toch net wat meer aanwijzingen zijn dat God goed is dan dat de duivel slecht is. Als je je ogen goed de kost geeft, kun je hooguit zeggen dat goed en kwaad elkaar in evenwicht houden. Maar je kunt niet zeggen, wat Paulus in zijn brieven wel doet: “Ik ben ervan overtuigd dat het lijden van deze tijd in geen verhouding staat tot de luister die ons in de toekomst geopenbaard zal worden” (Rom.8,18). Paulus kan dat alleen zeggen omdat hij Jezus heeft leren zien als de Christus, de zoon van de levende God (vgl. Mt.16,16). Want meteen nadat hij het uitgeroepen heeft: “Als God voor ons is, wie kan dan tegen ons zijn?”, legt hij uit hoe hij daar bij komt: [ppt] “Zal hij, die zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen prijsgegeven heeft, ons met Hem niet alles schenken?” (Rom.8,32). Je zou toch zeggen dat dat kruis van Jezus juist het symbool is van de macht, niet van het goede, maar van het kwade? Ja, dat zou je zeggen als je van Jezus niet meer kon zeggen dan dat Hij de gestorvene is. In die waan heeft Paulus zelf ook geleefd. Tot diezelfde Jezus hem tegenkwam. Sinds die tijd loopt Paulus zich het vuur uit de sloffen met het evangelie: “Christus Jezus, die gestorven is, meer nog, die is opgewekt en aan de rechterhand van God zit, pleit voor ons. Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Tegenspoed, ellende of vervolging, honger of armoede, gevaar of het zwaard? Wij zegevieren in dit alles glansrijk dankzij hem die ons heeft liefgehad. Ik ben ervan overtuigd dat niets ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die hij ons gegeven heeft in Christus Jezus, onze Heer” (Rom.8,34-39).
Jezus’ opstanding doet ons met nieuwe ogen naar zijn kruis kijken. Van een symbool voor de macht van het kwade, wordt het een symbool voor de onmacht van het kwade. Van een teken van de onmacht van het goede wordt het een teken van de macht van het goede. Hoe machteloos je ook bent, [ppt] als je bij die machteloze Jezus hoort, kan het kwade geen greep op je krijgen. [HA] Bijna luchtig zegt dezelfde Jakobus die het had over een wereld van onrecht: “Onderwerp u aan God en verzet u tegen de duivel, dan zal Hij van u wegvluchten” (4,7). Niet omdat wij zo sterk zijn, maar omdat God zou sterk is. Heren kan de duivel wel aan. Maar knechten niet.

3. De duivel is tegen, God is voor, wat ben jij: voor God en tegen de duivel of tegen God en voor de duivel? Ligt het dan zo zwart-wit? Ja, broeders en zusters, jongens en meisjes, zo zwart-wit ligt het. Luther heeft in zijn bestrijding van Erasmus’ boekje over de vrije wil eens geschreven: [ppt] “Zo is de menselijke wil in het midden geplaatst, als een lastdier; wanneer God erop zit, wil het en gaat het waarheen God wil. Wanneer de duivel erop zit, wil het en gaat het waarheen de duivel wil, en het heeft niet de eigen vrije keuze om naar een van beide ruiters toe te lopen of hem te zoeken, maar de ruiters zelf strijden erom het in bezit te krijgen”. Dat is wel heel kras gezegd. Maar Luther wil er maar mee zeggen: Je moet niet menen dat je een neutrale positie in kunt nemen tussen God en duivel, vanwaar jij eens zult beslissen of je bij God, bij de duivel of bij geen van beiden wilt horen. Als je God niet dient als je Heer, dan ben je dús een slaaf van de duivel. Meer smaken zijn er niet.
Ik zou het gelijk van Luther met een spervuur van Bijbelteksten kunnen gaan bewijzen. Laten twee woorden van Jezus zelf genoeg mogen zijn: “Wie in de Zoon gelooft heeft eeuwig leven, wie de Zoon niet wil gehoorzamen zal dat leven niet kennen; integendeel Gods toorn blijft op hem rusten”, Johannes 3 vers 36. “Waarachtig, ik verzeker u: wie luistert naar wat ik zeg en hem gelooft die mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven; over hem wordt geen oordeel uitgesproken, hij is van de dood overgegaan naar het leven”, Johannes 5 vers 24.
De apostel Paulus kan dan ook zeggen [ppt] dat al wat niet uit geloof voortkomt zondig is (Rom.14,23). De dingen die wij doen of laten zijn dus niet op zich goed of slecht. Ze zijn goed als ze uit de wortel van het geloof voortkomen en slecht als ze niet uit de wortel van het geloof voortkomen (vgl. NGB art. 24). Of wij vinden dat er in sommige dingen geen kwaad steekt is dan ook niet zo interessant. De vraag is of we ze doen uit geloof in God en tot eer van God.
Maar hetzelfde moet gezegd worden van dingen die voor ons gevoel goed en nodig zijn. De bediening van de tucht aan die zondaar in Korinte was goed en nodig. Toch, als die zondaar daaraan kapot zou gaan, zegt Paulus: “We moeten ervoor oppassen dat Satan ons niet gebruikt; zijn plannen kennen we maar al te goed”. Daar zouden broeders en zusters die onder het mom van Reformatie bezig zijn het lichaam van Christus te scheuren eens goed over na moeten denken. Daar zouden ook broeders en zusters die van dergelijke oproepen kennis nemen een goed over na moeten denken: ademen dergelijke websites een levensgeur ten leven of een doodslucht ten dode (2Kor.2,16)? Is dat laatste het geval, dan moet je je er net zo verre van houden als van andere vuiligheid die er op het net te vinden is.
[ppt] Niemand van ons, oud of jong, zeker of onzeker, kan het zich permitteren de zesde bede geen plek te geven in zijn dagelijks gebed: “leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze”. Maar wie dat gebed van harte tot God opzendt, die mag zijn gebed met “Amen” besluiten. [ppt] Want God heeft je gebed veel stelliger verhoord dan je in je hart voelde dat je dit van Hem verlangde.

Amen.