Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > ...gelijk ook wij vergeven
titel : ...gelijk ook wij vergeven
datum : 18 oktober 2009
volledige onderwerp : Zondag 51
Download deze preek.

Preek over HC zondag 51
(Grijpskerk/Niezijl, 18-3-2001; bew. voor GZR (nabetr. HA, 7-9-03); Nieuwerkerk, 1-5-04; opnieuw bewerkt voor Den Ham, 18-10-09)

Ps.9:1,2,6
Lied 15:1,2
L Lc.7,36-50
Lied 404
T HC zondag 51
Ps.35:5,6,13
Ps.85:1,3,4 (na collecte)

Gemeente van de Here Jezus,

“Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren”. Wie het waagt dit gebed in de mond te nemen, is blijkbaar van mening dat God nog wel wat van ons kan leren. Hij kan nog een voorbeeld aan ons nemen. Zoals wij vergeven onze schuldenaren, zo moet ook God ons onze schulden vergeven. Alsof wij toonbeelden van vergevings-gezindheid waren.
Dat is toch absurd? En toch wordt deze bede dagelijks door miljoenen christenen over de hele wereld tot God opgezonden. Hoe halen ze het in hun hoofd! Als God werkelijk ons onze schulden zou moeten vergeven onder het motto: “Goed voorbeeld doet goed volgen”, dan zouden wij met een heleboel onvergeven zonden blijven zitten. Dan zouden wij met deze bede niet Gods vergeving, maar zijn oordeel over ons afbidden.
Sommige christenen nemen de vijfde bede van het Onze Vader volstrekt serieus, en passen haar daarom aan. Zij bidden iets in de trant van: “Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij proberen te vergeven onze schuldenaren”. Zij houden in hun gebed voor de zekerheid toch maar een slag om de arm, omdat ze beseffen dat ze nooit de vergevingsgezindheid kunnen opbrengen die God van hen vraagt. Zij zouden niet graag zien dat God hen zo behandelde als zij zelf hun naasten behandelen. Eigenlijk zeggen ze dan ook met hun aangepaste versie van de vijfde bede: “Vergeef ons niet onze schulden zoals wij vergeven onze schuldenaren. Want wij vinden het zo moeilijk om elkaar te vergeven. Wij willen het wel, maar we kunnen het niet. Wil ons dat niet aanrekenen, en ons toch vergeving schenken om Jezus’ wil”.
Maar de meeste andere christenen bidden toch gewoon de woorden die Christus hen geleerd heeft. Omdat ze niet ongehoorzaam durven zijn aan het bevel van Christus: “Bidt gij dan aldus” (Mt.6,9a)? Waarschijnlijk toch vooral omdat ze menen dat de soep niet zo heet gegeten wordt als ze wordt opgediend. “Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren”? Dat kan de Here Jezus natuurlijk nooit letterlijk zo bedoeld hebben. Hij formuleert de vijfde bede waarschijnlijk zo, om ons ook te prikkelen tot vergevingsgezind-heid. Hij wil ons er waarschijnlijk mee leren dat het niet zo kan zijn dat je wel vergeving wilt ontvangen, maar geen vergeving wilt schenken. Het feit dat God ons in Christus met Zichzelf verzoend heeft moet ons motiveren om ons ook met elkaar te verzoenen. In die volgorde. Eerst God, die ons onze schulden vergeeft, dan wij, die elkaar elkaars schulden vergeven. God moet geen voorbeeld nemen aan ons, wij moeten een voorbeeld nemen aan God. Zoals ook de apostel Paulus ergens zegt: “Wees goed voor elkaar en vol medeleven; vergeef elkaar zoals God u in Christus vergeven heeft” Ef.4,32). Dan zou Christus dus het omgekeerde bedoelen van wat Hij ons leert. Hij zegt wel: “Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren”, maar Hij bedoelt: “Leer ons onze schuldenaren te vergeven, gelijk ook Gij ons onze schulden vergeeft”.
U merkt wel aan deze laatste zin, dat ik van deze relativering van de vijfde bede nog niet zo overtuigd ben. Ongetwijfeld is de formulering van de vijfde bede prikkelend bedoeld. Maar je haalt de angel er wel uit, als je in je uitleg de vijfde bede in feite omkeert. Terwijl de Here Jezus wel degelijk een verband legt tussen de vergeving die wij elkaar schenken en de vergeving die wij van God vragen. “Want”, zegt Hij ergens, “als jullie anderen hun misstappen vergeven, zal jullie hemelse Vader ook jullie vergeven. Maar als je anderen niet vergeeft, zal jullie Vader jullie misstappen je niet vergeven” (Mt.6,14.15). Nee, Hij zegt dat niet “ergens”, Hij zegt dat meteen nadat Hij zijn discipelen het Onze Vader geleerd heeft. Het is alsof Hij voor de zekerheid nog even een voetnoot bij de vijfde bede van het Onze Vader plaatst. Hij zag blijkbaar al aankomen dat zijn discipelen anders net zo lang aan hun uitleg van de vijfde bede zouden schaven, tot ze ermee uit de voeten konden.
Maakt de Catechismus zich daar ook niet een beetje schuldig aan, als hij de tweede helft van de vijfde bede parafraseert als: gelijk ook wij het vaste voornemen hebben te vergeven onze schuldenaren? Is dat geen afzwakking van de vijfde bede? Jezus leert ons immers niet te bidden of God ons wil vergeven zoals wij vergevingsgezínd zijn jegens elkaar, maar of Hij ons wil vergeven zoals wij elkaar daadwerkelijk vergéven.
Maar dat is toch geen vergelijk? Zelfs als je de betekenis van de vijfde bede omkeert, en zegt dat wij elkaar moeten vergeven zoals God ons vergeeft, dan nog is dat toch een onmogelijke opgave? Zelfs als je met de apostel Paulus zegt dat God geen navolger van ons moet zijn, maar dat wij navolgers van God moeten zijn (Ef.5,1), dan nog zal onze navolging toch slechts een slap aftreksel van Gods volmaakte liefde kunnen zijn? Neemt God daar genoegen mee? Of moeten we zeggen dat als Gods goede voorbeeld ons niet goed doet volgen, we alsnog Gods toorn opwekken, en onze vergeving weer verspelen. Zoals die slaaf uit een gelijkenis van de Here Jezus, die zijn schuld alsnog moest betalen, toen hij zijn medeslaaf niet kon vergeven (Mt.18,23-35). Dan zou Gods vergeving van onze zonden weliswaar niet in eerste instantie afhankelijk zijn van onze vergeving van elkaar, maar in tweede instantie toch wel. Dat is toch van de regen in de drup?

Nu zijn er mensen die daar toch wat nuanceringen in aan wil brengen. Zij wijzen erop dat die slaaf zijn medeslaaf niet wilde vergeven, ondanks het feit dat die medeslaaf hem er wel om gesmeekt had: “Heb geduld met mij, ik zal je betalen”. Maar als iemand je niet om vergeving vraagt, hoef je hem die ook niet te geven. Zo gaat het toch in de omgang met God ook? God vergeeft ons onze zonden alleen als we Hem erom bidden. Nu, zoals God ons onze zonden alleen vergeeft als we Hem daarom vragen, zo hoeven wij de zonden van onze naasten alleen te vergeven, als die daarom vraagt.
Als je het zó bekijkt, hoef je niet meer zo zwaar te tillen aan dat woordje “gelijk” uit de vijfde bede: “Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren”. Want de vergeving die God ons schenkt en de vergeving die wij elkaar moeten schenken laten zich wel degelijk met elkaar vergelijken. Zoals het gaat tussen ons en God, zo moet het ook gaan tussen ons en onze naaste. Minder niet, maar ook meer niet. Want het kan natuurlijk niet zo zijn dat God ons slechts onze zonden vergeeft als we er ook echt berouw van hebben, Hem om vergeving vragen en ons leven beteren, maar dat wij onze naaste moeten vergeven, terwijl die nergens spijt van heeft en gewoon doorgaat met het aanrichten van kwaad.
Er zijn best wel veel mensen die door de vijfde bede nog dieper in de put raken dan ze al zitten. Je bent door een ander voor het leven getekend. De pijn die hij of zij bij je teweeg gebracht heeft, je blijft er mee worstelen. Kom je er ooit mee in het reine? Je hebt aan jezelf al genoeg. Laat staan dat er weer plek voor die ander in je leven zou zijn. Alleen de gedachte daaraan doet je al ineenkrimpen. Maar dan komt er een ambtsdrager bij je, die zegt dat de Here van je vraagt hem of haar toch van harte te vergeven. Dat is toch niet eerlijk? Die ander heeft jou kapot gemaakt. Moet jij het nu weer goedmaken? Als je dat gewoon niet kunt opbrengen, sta jij dan schuldig voor God? Als je daarmee worstelt en iemand zegt tegen je: “Zolang die ander geen zelf geen opening biedt, zolang hij of zij zelf niet om vergeving vraagt, hoef jij je niet schuldig te voelen”, dan valt er een last van je schouders. Je hoeft niet barmhartiger te zijn dan God. Zoals er staat in de berijming van Psalm 32: “Maar wie op Hem vertrouwt en schuld belijdt, omringt Hij met zijn goedertierenheid”. Schuld belijden, dat is toch meer dan “sorry” zeggen. Dat zou mooi makkelijk zijn. Je tekent een ander voor het leven en dan in z’n algemeenheid vragen: “Wil je me vergeven?” Zo werkt dat toch niet? En zeker niet als de dader pas met zijn vraag om vergeving komt, op het moment dat het uit komt. Dan ineens moet alles met de mantel der liefde bedekt worden.
Terecht wordt hier gezegd dat van daadwerkelijk vergeving schenken pas sprake kan zijn, als er maar niet in z’n algemeenheid, maar heel concreet belijdenis van schuld heeft plaatsgevonden. Zoals David, na schuldbelijdenis om zijn zonde met Batseba, zegt: “Het offer voor God is een gebroken geest; een gebroken en verbrijzeld hart zult u, God, niet verachten” (Ps.51,19). Pas als jezelf kapot bent van wat je gedaan hebt, ontstaat er ruimte voor vergeving, voor verzoening.
Toch is dat niet het héle evangelie van Gods vergeving en verzoening. Want God vergeeft ons onze zonde niet omdat wij Hem daarom vragen, maar omdat Hij zijn Zoon Jezus Christus naar de aarde gestuurd heeft, zonder dat wij daarom gevraagd hadden. Zoals de apostel Paulus ergens schrijft: “God bewees ons zijn liefde door dat Christus voor ons gestorven is toen wij nog zondaars waren”. En: “Wij werden met God verzoend door de dood van zijn Zoon, toen we Gods vijanden nog waren” (Rom.5,8.10). En nu is het zeker zo dat die verzoening pas ons deel wordt als wij ons ook laten verzoenen (2Kor.5,20). We krijgen inderdaad pas vergeving van onze zonden als we Hem er ook om vragen. Maar God brengt ons tot die bede om vergeving door ons de vergeving van onze zonden aan te bieden. Onze zonden worden inderdaad pas verzoend als we er berouw van hebben. Maar God brengt ons tot dat berouw door ons voor het kruis van zijn Zoon Jezus Christus te plaatsen. Pas als we Hem zien sterven voor onze zonden beseffen we hoe erg die zonden eigenlijk waren. Maar we beseffen tegelijkertijd hoeveel God al die tijd van ons gehouden heeft, dat Hij zelfs zijn Zoon Jezus Christus eraan opgeofferd heeft om het maar weer goed te krijgen. God is dus geen God die niks van ons wil weten zolang wij Hem niet om vergeving vragen, maar een God die ons juist met zijn liefde opzoekt, en ons zo tot die bede om vergeving wil brengen. Wie dan ook zegt dat je de ander pas hoeft te vergeven als die erom vraagt heeft gelijk, maar gaat tegelijk ook wat kort door de bocht. Maar de bocht die zo afgesneden wordt is wel de bocht van het evangelie: God die zich in de meest onmogelijke bochten gewrongen heeft om het maar weer goed te krijgen tussen Hem en ons.

“In de meest onmogelijke bochten”? Zeg dat wel! De ander pas vergeven als die erom vraagt, dat is misschien nog wel te doen. Maar de ander op de knieën krijgen door zelf voor hem op de knieën te gaan, dat is toch niet te volgen? Inderdaad. Dat is niet volgen. Dus hoeven we aan het bidden van de vijfde bede per definitie maar niet te beginnen? Omdat de vergeving die wij elkaar schenken toch nooit het niveau haalt van de vergeving die God ons schenkt?
Nee, zo is het niet. Christus leert ons niet te bidden: “Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren”, om ons het bidden bij voorbaat onmogelijk te maken. Het is juist omgekeerd. Hij leert bij voorbaat mensen die nog vijanden van elkaar zijn te bidden: “Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren”.
Als je dit bidt doe je het voorkomen dat God nog wel wat van je kan leren. Hij kan nog een voorbeeld aan je nemen. Zoals jij je vijanden vergeven hebt, zo moet God ook jou maar vergeven. Maar op het moment dat je zó bidt besef hoe dwaas je bent. Niet jij bent een toonbeeld van vergevingsgezindheid, Hij is dat. Hij werpt al onze zonden in de diepten der zee, om een beeld van de profeet Micha aan te halen (7,19). Bij Hem is vergeven meteen ook vergeten. Dat zal het bij ons nooit worden, zelfs als we het dolgraag willen. Wij zouden pijnlijke herinneringen ook zo graag voor altijd achter ons willen laten. Maar de littekens blijven, en schrijnen soms nog steeds.
Jezus leert gebroken mensen te bidden: “Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven ons schuldenaren”. Door ons die bede op de lippen te leggen, maakt Hij ons van die gebrokenheid bewust. Dan bidden mensen die niet kunnen vergeven, dat ze dat wél kunnen. Wie de vijfde bede van het Onze Vader in de mond neemt, die grijpt vooruit op een tijd die nog niet gekomen is. Het is het gebed van burgers van een rijk in de hemelen (Flp.3,20), dat eens op aarde neer zal dalen (Opb.21,2.10). Het is een bede waar een groot verlangen uit spreekt.
De Catechismus spreekt van “het vaste voornemen” dat wij hebben om “onze naaste van harte te vergeven”. Dat lijkt een afzwakking van de vijfde bede, maar is het toch niet. De Catechismus heeft het immers maar niet over een vaag voornemen, maar over een vast voornemen van harte te vergeven. Let eens op de plaatsing van de woordjes “vast” en “van harte”. Er staat niet dat het nu al van harte gaat. Je moest je ertoe zetten. Maar dat begin is er. Ook al zit de deur nog dicht, die deur is er wel. Een deur waar die ander op kan aankloppen.

Het slot van de preek is plagiaat. “Het kan wel zijn dat het tweede gedeelte (van de vijfde bede) ons moeilijkheden geeft, maar dan komt dat, omdat het eerste ons moeilijkheden heeft gegeven. Het kan wel zijn, dat het tussen mij en mijn naaste niet in orde wil komen, maar dan komt dat, omdat het tussen mij en God nog niet in orde gekomen is. Dáár wringt de schoen. Ook hier zal men aan de vruchten de boom kennen. Waar Gods liefde geen punt meer is, daar is mijn liefde geen punt meer. Dan kan er van een vrouw gezegd: “Haar zonden zijn haar vergeven, al waren het er vele, want ze heeft veel liefde betoond” (Luc. 7 : 47)” (G. Th. Rothuizen, Allemaal zondagen, 182).

Amen.