Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Bidden om een bonus
titel : Bidden om een bonus
datum : 11 oktober 2009
volledige onderwerp : Zondag 50
Download deze preek.

Preek over HC zondag 50 (Den Ham, 11-10-09)

Ps.119:58-60
L Mc.8,1-21
Gez.57
T HC zondag 50
Ps.4:3
Lied 20:1,2 (na apostolische geloofsbelijdenis)
Lied 20:5,7 (na collecte)

Gemeente van de Here Jezus,

Ze leren het ook nooit: die topmannen die bij hun ontslag nog steeds de bonussen op willen strijken waar ze recht op hadden vóór de financiële crisis uitbrak. Terwijl die hele bonuscultuur mee de oorzaak is van het uitbreken van die crisis. Maar wereldleiders als Barack Obama en ministers van financiën als Wouter Bos kunnen wel zeggen dat er een einde moet komen aan een systeem dat gedreven wordt door hebzucht en dat iedereen dus zijn verantwoordelijkheid eens moeten nemen, die topmannen zijn niet bereid de beloning voor hun falen op te geven. Afspraak is afspraak. Dus als er tien miljoen was afgesproken laten zij zich niet afschepen met een schijntje van vijf miljoen. Tot verbijstering van velen gaf de rechtbank van Utrecht hun daarin nog gelijk ook.
Midden in de crisis moeten wij van de Here Jezus elke dag blijven bidden om het brood dat wij nodig hebben. Dat gebed staat haaks op de mentaliteit van het grote graaien. Die topmannen kunnen het dan ook niet bidden. Maar kunnen wij het wel bidden? Zelfs als wij met het Onzevader slechts bidden om het brood dat wij nodig hebben, doen we dat dan omdat we zelf ook vinden dat we niet meer nodig hebben dan dat? Of verlangen we diep in ons hart naar meer dan brood alleen; zouden we de hand van onze Vader in de hemel liever willen herkennen in andere dingen dan ons dagelijks brood?
In het gedeelte dat we gelezen hebben uit het heilig evangelie hoorden we de Farizeeën het verlangen uitspreken naar een teken uit de hemel. Terwijl Jezus al voor de tweede keer duizenden mensen gevoed had met een handvol broden. Of valt zo’n wonder niet in de categorie “teken uit de hemel”? Was het daarvoor toch te gewoon? Moet Jezus, om te bewijzen dat Hij de Messias is, met iets anders aankomen? Als je zo denkt, kan een gekruisigde Messias al helemaal niet aan je diepste behoefte voldoen. Daar waarschuwt de Here zijn volgelingen voor als Hij zegt: “Pas op voor de zuurdesem van de Farizeeën”. Dat zuurdesem van de Farizeeën kan ook ons geloof in Jezus verzuren. Dan zijn we diep in ons hart helemaal niet blij met Hem. Want waar we zo’n behoefte aan hadden, dat geeft Hij niet.
Als u bij uzelf merkt dat ook uw geloof is aangetast door het virus van de Farizeeën, roep uzelf dan tot de orde door weer eens heel bewust de vierde bede van het Onzevader te bidden: “Geef ons vandaag het brood dat wij nodig hebben”. Daarmee maak je de dingen die je voor je leven op aarde nodig hebt weer tot bijzaak. Sterker nog: het brood wat wij nodig hebben wordt een bonus. Dat valt in de categorie: “het andere dat ons bovendien geschonken wordt”, als we eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid zoeken (Mt.6,33).
Ik vat de preek over de vierde bede van het Onzevader als volgt voor u samen:

Bidden om een bonus

“De leerlingen waren vergeten genoeg brood mee te nemen; ze hadden maar één brood bij zich”. Dat is een zin die ons een beetje verbaast. Want in het voorgaande waren er van zeven broden en een paar kleine vissen zeven manden met brokken overgebleven. Blijkbaar hadden de leerlingen de inhoud van die manden ook uitgedeeld, zonder iets voor zichzelf te houden. Als ze al iets vergeten waren, dan in de eerste plaats zichzelf.
Ze overleggen met elkaar hoe ze het probleem dat nu ontstaan is zullen oplossen. Tot Jezus Zich in hun gesprek mengt met de opmerking: “Pas op, hoed je voor de zuurdesem van de Farizeeën”. Jezus zit blijkbaar nog met zijn gedachten bij de discussie die Hij vlak daarvoor met de Farizeeën gevoerd heb. Dat verlangen naar tekenen uit de hemel is echt dodelijk voor het geloof in Jezus als de Messias. Maar doordat Jezus de twijfel die door de Farizeeën gezaaid is vergelijkt met de werking van zuurdesem in een deeg, menen zijn leerlingen dat Hij het, net als zij, heeft over het feit dat het brood bijna op is. Ze zullen zijn opmerking wel opgevat hebben als: “Wanneer jullie brood gaan kopen, dan niet bij een bakker die de leer van de Farizeeën aanhangt”.
Een begrijpelijk misverstand, zou je zeggen. Maar Jezus begrijpt er niets van: “Begrijpen jullie het dan nog niet?” Volgens de evangelist Marcus eindigt het gesprek tussen Jezus en zijn leerlingen zelfs met dat verwijt. Nu heeft Jezus hun wel een hint gegeven door te herinneren aan de twaalf manden met brokken die over waren van de eerste wonderbare spijziging en aan de zeven manden met brokken die over waren van de tweede wonderbare spijziging. Maar we hadden toch wel graag gehoord wat volgens Jezus zelf dan de betekenis is van die manden met brokken. Nu moeten wij er, net als Jezus’ eerste leerlingen, maar naar raden.
Toch is met de hints die Jezus geeft wel op te lossen in welke richting Hij denkt. Iets anders is of wij bereid zijn die richting ook in te slaan. Dan wordt het pas moeilijk. Zo moeilijk dat we al snel geneigd zijn te zeggen dat Jezus dat toch iets anders bedoeld moet hebben. Laten we samen maar eens proberen het raadsel waarvoor Jezus ons stelt op te lossen.
Jezus herinnert aan wat er overbleef van die wonderbare spijzigingen: de eerste keer twaalf manden en de tweede keer zeven manden met brokken. Hij herinnert dus niet aan die wonderbare spijzigingen zelf. Dan is dus meteen duidelijk dat Hij niet bedoelt dat Hij toch wel een derde wonderbare spijziging kan houden, door het ene brood dat nog wel aan boord is zo te vermenigvuldigen dat dertien man ervan kunnen eten. Toch zijn er wel uitleggers die de oplossing in die richting zoeken. Zo las ik ergens: “(De leerlingen blijken) te klein te denken over de Heiland: alsof Hij, wanneer het over brood ging, niet in staat zou zijn daar zelf voor te zorgen. En dat terwijl Hij in de afgelopen tijd tot tweemaal toe de broden had vermeerderd” . Maar Jezus verwijst niet naar de vijf broden en de twee vissen waarmee hij vijfduizend mensen voedde of de zeven broden en de paar kleine vissen waarmee Hij vierduizend mensen voedde. Hij verwijst naar de manden met brokken die van die beide wonderbare spijzigingen overbleven. Wat voor de leerlingen hoofdzaak is, is voor de Here Jezus dus bijzaak. Het is of Hij tegen hen èn ons wil zeggen: “Als je in Mij gelooft, blijft er toch genoeg over om van te leven?”
Ik kwam bij een andere uitlegger een merkwaardige toepassing tegen. Volgens hem is dat ene brood dat de leerlingen nog wel hadden een symbool voor Christus zelf, die het brood des levens is . Ik noem die toepassing merkwaardig, omdat dat zou betekenen dat Marcus daarom vermeldt dat de leerlingen maar één brood bij zich hadden in de boot. Niet omdat ze letterlijk maar één brood bij zich hadden: brood uit de aarde, maar omdat ze figuurlijk één brood bij zich hadden: brood uit de hemel. Ik geloof daar niks van. Het feit dat de leerlingen maar één brood bij zich hadden is juist de aanleiding voor het hele gesprek. Ondertussen slaat deze uitlegger wel met een kromme stok een rechte slag. Want Jezus wil wel degelijk zeggen dat als Hij met je is, je niet alleen ontvangt wat je voor je ziel nodig hebt, maar ook wat je voor je lichaam nodig hebt. Anders gezegd: Als je gelooft dat Hij het brood van God is dat neerdaalt uit de hemel en leven geeft aan de wereld (Joh.6,33), dan zul je zien dat er genoeg gewoon brood voor je overblijft.
“Begrijpen jullie het dan nog niet?”, zegt Jezus. Daar klinkt een diep verdriet in door. Dat is des te pijnlijker omdat Hij in zijn discussie met de Farizeeën ook al zo’n diepe zucht geslaakt had: “Waarom verlangt uw soort mensen tekenen? Ik verzeker u: aan mensen als u zal zeker geen teken gegeven worden”. Zelfs bij zijn eigen leerlingen bespeurt Hij de zuurdesem van de Farizeeën. Ook hun is het blijkbaar niet genoeg dat Hij bij hen is. Ook zij denken, zonder het hardop te zeggen: “Wat heb je eraan dat Jezus met je is, als je zelf zonder brood zit?”
Denkt u eigenlijk ook zo, broeders en zusters? Ik ben me ervan bewust dat zo’n gewetensvraag ook wat goedkoop over kan komen; zeker uit de mond van iemand aan wie de crisis eigenlijk voorbijgaat. Maar als je baan op het spel staat of als het bedrijf dat je met eigen handen hebt opgebouwd over de kop dreigt te gaan, dan is het een stuk moeilijker om te blijven zeggen dat je desondanks in Jezus alles hebt wat je nodig hebt. Toch stel ik die vraag niet om u het u nog moeilijker te maken dan u het misschien al hebt. Als Jezus in herinnering roept hoeveel manden met brokken er overblijven als Hij met je is, dan doet Hij dat juist om u te bemoedigen. “Heb Ik je ooit gebrek laten lijden? Bleef er niet ook voor jou steeds genoeg over om van te leven? Waarom laat je de twijfel dan toe in je hart of Ik je wel zal helpen? Ik ben toch bij je? Waarom maak je je dan zo’n zorgen?”
De grootste ramp die ons kan over komen is niet dat wij onze baan kwijtraken, maar de grootste ramp die ons kan overkomen is dat wij ons geloof kwijtraken. Ik zeg dat niet omdat ik gemakkelijk praten heb. Al was het alleen omdat voor mij die dingen onlosmakelijk met elkaar samenhangen. Zou ik mijn geloof in kwijtraken, dan zou ik ook mijn baan kwijtraken. Op de momenten dat ik even niet bij mijn geloof kan, kan ik mij dus echt wel iets voorstellen bij de zorgen die op u afkomen, wanneer uw baan op de tocht staat. En toch zeg ik: Als in die spookbeelden van je toekomst niet het visioen doorbreekt dat God Zich om Christus’ wil voor eeuwig over je zal ontfermen, dan ben je pas echt reddeloos verloren.
In die nood mag je ook de vierde bede van het Onzevader tot God richten: “Geef ons vandaag het brood dat wij nodig hebben”. Een heel bescheiden gebed. Je hebt voor je gevoel misschien veel meer nodig dan het brood dat je nodig hebt. Je hebt voor je gevoel misschien vooral nodig dat je de zekerheid krijgt dat je niet alleen vandaag, maar ook morgen, niet alleen deze maand, maar ook volgende maand, niet alleen dit jaar, maar ook volgend jaar het brood krijgt dat je nodig hebt. Maar daar leert Jezus je niet om te bidden. Beperk je tot wat je vandaag echt nodig hebt. Dan mag je morgen wel bidden om wat je morgen echt nodig hebt. Maar ondertussen leef je zo wel heel dicht bij de Here. Zou dat misschien Jezus’ bedoeling zijn met de vierde bede: dat je het brood uit de aarde zoekt, maar het brood uit de hemel vindt?
Ik denk het wel. De Catechismus legt de vierde bede in elk geval ook zo uit. Want volgens het leerboek van de kerk betekent de bede: “Geef ons heden ons dagelijks brood”, niet: “Wil ons verzorgen met alles wat wij voor ons lichaam nodig hebben, punt”. Nee, volgens de Catechismus betekent de vierde bede: “Wil ons zó verzorgen met alles wat wij voor ons lichaam nodig hebben, dat wij daardoor erkennen dat U de enige oorsprong van al het goede bent. Leer ons daardoor ook ons vertrouwen niet langer op enig schepsel, maar op U alleen te stellen”. Ons dagelijks brood moet dus niet alleen ons lichaam, maar ook onze ziel voeden. Groeien in geloof, dat doen we niet alleen door avondmaalsbrood te eten, maar ook door gewoon brood te eten, zegt de Catechismus
Als wij zien dat er ondanks onze zorgen genoeg steeds weer genoeg overblijft om van te leven, dan keert misschien ook het vertrouwen terug dat er steeds genoeg over zál blijven om van te leven. Want de manden met brokken zijn tekens geworden van de liefde die God voor ons heeft. Een liefde die zo groot was dat Hij ons niet alleen wilde helpen door ons brood te geven, maar ons ook wilde verlossen door zijn Zoon te geven. Heb je die God eenmaal gevonden, dan heb je alles, zelfs als je even niks hebt.

We lezen niet hoe die geschiedenis uit Marcus 8 afgelopen is. Jezus vermenigvuldigde dat ene broodje niet tot dertien broodjes, maar vermenigvuldigde eerste onze vragen: “Begrijpen jullie het dan nog niet?” Maar als je het antwoord op die vraag gevonden hebt, hoeft er ook niet meteen brood op de plank te komen. Want dat brood uit de aarde is slechts een bonus. Het brood uit de hemel is het loon.

Amen.