Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Niet mijn en dijn, maar ik en jij
titel : Niet mijn en dijn, maar ik en jij
datum : 28 juni 2009
volledige onderwerp : Zondag 42
Download deze preek.

Preek over HC zondag 42 (Den Ham, 28-6-09)

Ps.119:4,5,6
L Ex.21,1-6.16.37-22,3
Ps.39:3,4
T HC zondag 42
Lied 26:2,4
Gez.179B
Lied 465:1,4,5 (na collecte)

Gemeente van de Here Jezus,

Laten we bij de behandeling van zondag 42 van de Heidelbergse Catechismus eerst eens luisteren naar een uitlegger uit het verleden: ds. Bernardus Smytegelt, die een kleine driehonderd jaar geleden gereformeerd predikant in Middelburg was. Zijn preken, vooral zijn serie van honderdvijfenveertig preken over Het gekrookte riet, worden in bevindelijk-gereformeerde kring nog steeds gebruikt in leesdiensten. In zijn preek over zondag 42 zegt ds. Smytegelt: “Eerst. Kunnen wy grove dieverye begaan met eenen mensch te steelen. Dat soort van dieverye wordt begaan in den slaafhandel; die eenen mensche steelt, zeid God, zal zekerlyk gedood worden, Exod. XXI:16. Is dat niet droevig, daar hebben de Christenen eene negotie van gemaakt. Ach! mogten die mensen, die zoo verkogt, vervoert, en dikwils daarom vermoort worden, eens spreken; zouden ze niet zeggen, als eertyds Joseph; Ik ben dieffelyk ontstolen uit myn land, Gen. XL:15”. U kunt zich misschien voorstellen dat Smytegelt zich met deze prediking niet geliefd maakte in Middelburg, wat dat was een centrum van de (gereformeerde) slavenhandel.
Toch, hoe profetisch deze prediking ook geweest mag zijn, u vraagt zich waarschijnlijk wel af wat dit vlammende protest tegen de slavenhandel met het achtste gebod te maken heeft. Zeker, ook ds. Smytegelt had het over stelen. Maar dan niet over het stelen van dingen, maar over het stelen van mensen. Dat is toch heel wat anders? Nee, dat is niet heel wat anders. De apostel Paulus kende deze uitleg van het achtste gebod ook al. In zijn eerste brief aan Timoteüs noemt hij een aantal voorbeelden van zonden tegen de tien geboden. Bij het achtste gebod noemt hij als voorbeeld: “slavenhandelaars” (1Tim.1,10). In de oude vertaling stond er nog “zielverkopers”. Dat klonk zo exotisch, dat je je er niks bij kon voorstellen. De Statenvertaling sprak echter al onomwonden van “mensendieven”.
Het is belangrijk om te weten dat het achtste gebod ook dit betekent. Ja, dat het dat misschien wel in de eerste plaats betekent. Want dan begrijpen we dat het in dit gebod niet gaat om de dingen van de naaste, maar om de naaste zelf. Op de tweede tafel van de tien geboden staat wat wij aan onze naaste verplicht zijn, zegt de Catechismus in vraag en antwoord 93. Dat moeten we ook bij de lezing van het achtste gebod onthouden. Het gaat in dit gebod niet ineens over mijn en dijn, maar nog steeds over ik en jij. Anders gezegd: in het koninkrijk der hemelen is een minister van economische zaken meteen ook minister van sociale zaken. God wil de dingen blijkbaar niet zakelijk bekijken. Bij Hem wordt het meteen persoonlijk.
Bij zijn Zoon is het dus niet anders. Als iemand Hem vraagt: “Meester, zeg tegen mijn broer dat hij de erfenis met mij moet delen”, krijgt hij als antwoord: “Wie heeft mij als rechter of bemiddelaar over jullie aangesteld? Pas op, hoed je voor elke vorm van hebzucht, want iemands leven hangt niet af van zijn bezittingen, zelfs niet wanneer hij die in overvloed heeft” (Lc.12,13-16). Dat is een manier van denken die haaks staat op onze manier van denken. Want op de vraag: “Wat krijg ik in het handje?”, komt de wedervraag: “Wat heb je in je hartje?” Dat lijkt niet helemaal eerlijk. Want is iemand die aanspraak maakt op een deel van een erfenis dus per definitie een geldwolf? Zo ver gaat de Here Jezus niet. Hij zegt slechts: “Hoed je voor elke vorm van hebzucht”. Of die man die Jezus vroeg een uitspraak te doen in een erfeniskwestie gedreven werd door hebzucht, op die vraag zal die man zelf antwoord moeten geven. Waarschijnlijk zou hij daarop antwoorden dat hij zich daar totaal niet in herkende. En door de gelijkenis van de rijke dwaas, waarmee Jezus zijn antwoord illustreerde, zou hij zich waarschijnlijk zelfs totaal miskend voelen. Hij hebzuchtig? Hij een rijke dwaas? Hij kwam gewoon op voor zijn recht. En misschien was dat zelfs wel zo. Maar de ervaring leert wel dat mensen niet voor hun recht opkomen als ze er zelf minder van worden, maar als ze er zelf beter van worden. Er is tenminste geen verhaal overgeleverd waarin die broer bij Jezus kwam met de vraag: “Zeg tegen mij dat ik de erfenis met mijn broer moet delen”.
Toch zou dat een vraag geweest zijn waarin Jezus Zichzelf herkend had. Want het evangelie van Jezus Christus is het verhaal van een arme dwaas. In de woorden van de apostel Paulus: “Tenslotte kent u de liefde die onze Heer Jezus Christus heeft gegeven: hij was rijk, maar is omwille van u arm geworden opdat u door zijn armoede rijk zou worden” (2Kor.8,9). De Here Jezus is onze Middelaar, niet onze mediator. Ik wil geen kwaad woord spreken over het nut van mediation. Want het kan een manier zijn om te voorkomen dat mensen die een geschil hebben elkaar in de haren vliegen. Maar het doel van het evangelie ligt verder, veel verder (1Sam.10,37.38). Dat doel is niet bereikt wanneer twee mensen elkaar níet in de haren vliegen, maar als twee mensen elkaar wél in de armen vliegen. Mediation is een nette vorm van afscheid nemen. Twee partijen krijgen hun deel, maar ze krijgen niet elkaar. Daarom gaat de Here Jezus dus ook niet in op dat verzoek een uitspraak te doen in een erfeniskwestie. Hij proeft in dat verzoek niet de nood van iemand die zijn broer dreigt mis te lopen, maar de nood van iemand die zijn erfdeel dreigt mis te lopen. Misschien was het zijn erfdeel wel. Maar wat zou het, als God tegen je zegt: “Dwaas, nog deze nacht zal je leven van je worden teruggevorderd. Voor wie zijn dan de schatten die je hebt opgeslagen?” Op die vraag van God is wel een antwoord te geven. Met die schatten worden de kinderen van de overledene weer opgezadeld. Als hun onderlinge verstandhouding geen schade lijdt door de erfenis die hun in de schoot geworpen wordt, dan is dat niet dankzij die erfenis, maar ondanks die erfenis.
Niet voor niets zegt de Here Jezus verderop in het evangelie van Lucas: “Geen enkele knecht kan twee heren dienen: hij zal de eerste haten en de twee liefhebben, of hij zal juist toegewijd zijn aan de ene en de andere verachten. Je kunt niet God dienen én de mammon” (Lc.16,13). “De mammon” is hier niet een ander woord voor “het geld”, maar de naam die de gód van het geld draagt. Geeft de Here Jezus het geld daarmee niet wat teveel eer? Er is toch maar één God: de Here, onze Vader in de hemel? Ja, maar voor sommige mensen is geld zó belangrijk, dat het voor hen eigenlijk een soort god wordt. Wonderlijk is dat. Want God leeft en geld is dood. Je kunt een briefje van 20 euro in snippers scheuren. Het is gewoon dood papier. Daar voelt dat briefje niks van. Nee, dat briefje niet. Maar jij wel. Dan denk je: “Dat is toch wel zonde, om zo’n briefje te verscheuren. Want je kunt er zulke leuke dingen mee doen. Twintig euro, daar kun je een mooie cd voor kopen. Je kunt het natuurlijk ook aan iemand geven die kranten op straat staat te verkopen, maar ik ga echt geen krant van twintig euro kopen. Twee euro is mooi zat”. Zo zie je maar weer: geld is niet iets doods, het is iets levends. Want het doet iets met je. Als je het gebruikt voor jezelf, dan heb je er nooit genoeg van. Als je het aan een ander moet geven, dan is het al gauw te veel. Geld maakt hebberig, niet geverig. Daarom moet de Here Jezus niks hebben van geld. Het is een macht die het slechtste uit jezelf omhoog haalt.
Als je geld hebt, moet je keuzes maken. Hoeveel voor mezelf, hoeveel voor een ander? Dat is heel moeilijk. Want wanneer doe je het nou goed? Met geld kun je het bijna niet goed doen. Als je eerlijk bent hou je altijd teveel voor jezelf en geef je te weinig aan een ander. Wat zou het handig zijn als je tegelijk aan jezelf èn aan een ander kon geven. Nou, daar is ook wat voor. Dat heet loterij: staatsloterij, bankgiroloterij, postcodeloterij, krasloterij, lotto. Jij koopt een lot voor – weet ik veel – twintig euro, en misschien win je wel een prijs van een miljoen. Tegelijk gaat ook een deel naar goeie doelen. Fantastische uitvinding toch? Ja, van de duivel, die drommels goed weet dat mensen makkelijker geven als ze ook er rijk van kunnen worden. Vroeger mochten mensen die aan loterijen meededen niet aan het avondmaal. En terecht. Want de Here Jezus zei: Je kunt niet God dienen en de mammon. Je mag niet zogenaamd goed zijn voor een ander, maar stiekem toch vooral goed zijn voor jezelf. Het is het één of het ander.
In de wetten van Mozes, die we gelezen hebben, brengt God dat op een heel bijzondere manier aan het licht. Op het eerste gezicht lijkt er niet zo heel veel licht in die wetten over diefstal te zitten. Diefstal wordt maar zwaar bestraft. Wordt het gestolene teruggevonden, dan moet het dubbel vergoed worden. Wordt het gestolene niet teruggevonden, dan moet het zelfs vier- tot vijfvoudig vergoed worden. Als we daar uit opmaken dat de Here blijkbaar een hartgrondige hekel aan diefstal heeft, dan is dat al heel wat.
Maar de keerzijde daarvan is toch wel degelijk evangelie. Want de ironie van deze bepalingen is toch wel dat een dief gedwongen wordt vrijgevig te worden. Heeft hij een rond gestolen, dan moet hij niet alleen dat ene rund, maar ook een tweede rund teruggeven. Kan hij het rund niet teruggeven, omdat hij het al geslacht of verkocht heeft, dan moet hij zelfs vijf runderen teruggeven. Heel anders dan bij ons. Voor zover ik weet, zorgt ons rechtssysteem er wel voor dat iemand die bestolen is daar niet minder van wordt, maar niet dat iemand die bestolen is daar beter van wordt. Want iemand wiens heilige koe gestolen is, krijgt niet zijn auto terug plus een nieuwe, of vijf nieuwe als zijn auto al naar Oost Europa geëxporteerd is. Ons rechtssysteem bestraft niet met vergoeding, maar met vergelding. De autodief moet brommen. Daar wordt zijn slachtoffer slechts in zoverre beter van dat het hem goed zal doen dat zo’n dief er niet te genadig vanaf komt. Maar de dief wordt niet gedwongen om zijn slachtoffer genadig te zijn. In het oude Israël was dat dus wel zo.
Maar als je zo’n wet eens rustig op je in laat werken, komt toch ook de vraag bij je op: Moet je dan eerst een dief worden om gul voor je naaste te zijn? Moeten dieven het goede voorbeeld geven aan mensen die weliswaar de grens tussen mijn en dijn niet overschrijden, maar ook de grens tussen zichzelf en hun naaste niet? De Catechismus heeft dan ook goed tussen de regels van het achtste gebod door gelezen, als hij zegt dat God ons daarmee gébiedt het welzijn van onze naasten, waar we kunnen en mogen, te bevorderen en zo met hen te doen, als wij willen dat men met ons doet. Bovendien dat we onze arbeid trouw verrichten, om ook de behoeftigen te kunnen helpen. Oftewel: dat we trouw zijn in ons dagelijks werk, niet om te voorkomen dat we bij de sociale dienst moeten aankloppen, maar om het mogelijk te maken dat wij zelf sociale diensten kunnen verlenen. Als de Catechismus daarin gelijk heeft – en dat heeft hij – dan is een dief niet iemand die neemt, maar iemand die niet geeft.
Hoe belangrijk God dat geven vindt blijkt als iemand die wel kon nemen, maar niet kon geven zelf als slaaf verkocht moest worden. We lazen in immers in Exodus 22 vers 2: “De dief moet alles vergoeden; bezit hij niets, dan moet men hem verkopen voor een bedrag ter waarde van het gestolene”. Terwijl er een aantal verzen eerder nog stond: “Wie iemand ontvoert, moet ter dood gebracht worden, of hij de ander nu als slaaf verkocht heeft of hem nog in zijn bezit heeft”. De dingendief mag dus wat de Here betreft in de handen vallen van de mensendief. .
Het lijkt me belangrijk daar bij stil te staan in een kerkdienst waaraan weinig mensen zullen deelnemen die zichzelf een dief voelen. Om die reden wordt in preken de letter van het achtste gebod vaak maar overgeslagen. In plaats van tegen diefstal wordt er liever gewaarschuwd tegen materialisme. Het is ook bijbels om daartegen te waarschuwen. Want zegt de Here Jezus zelf niet: “Verzamel voor jezelf geen schatten op aarde: mot en roest vreten ze weg en dieven breken in om ze te stelen. Verzamel liever schatten in de hemel, daar vreten mot noch roest ze weg, daar breken geen dieven in om ze te stelen. Waar je schat is, daar zal ook je hart zijn” (Mt.6,19-21). Maar hoe belangrijk het ook is om tegen het materialisme te waarschuwen, er kan toch ook het signaal vanuit gaan dat stoffelijke zaken minderwaardig zijn vergeleken met geestelijke zaken. Dat is dan een heel verkeerd signaal, dat ons slordig maakt in de omgang met het aardse goed. Want de bijbel spreekt bepaald niet geringschattend over geld en goed, als was het allemaal maar aards slijk. God gúnt zijn volk een land vloeiend van melk en honing. Hij ziet ze, nadat ze aan dag hard gewerkt hebben, al zitten onder hun wijnstok of hun vijgenboom. Een heel verschil met Egypte, waar ze zich kapot konden werken ter meerdere glorie van de farao. Wie de arbeidsvreugde van zijn volksgenoot verstoort door hem het loon op zijn werk te misgunnen of afhandig te maken, die maakt weer slaven van vrije mensen. Dat is voor God zo’n schrikbeeld, dat Hij bij monde van Mozes zegt: “Als jij steelt, kun je zelf Mij gestolen worden”. Zijn Zoon denkt er nog net zo over, als Hij zegt: “Als jullie onbetrouwbaar blijken in de omgang met de valse mammon, wie zal jullie dan werkelijk belangrijke dingen toevertrouwen? En als jullie onbetrouwbaar blijken met wat een ander toebehoort, wie zal jullie dan geven wat jullie zelf toekomt?” (Lc.16,11.12)
Wat betekent dat, dat je niet onbetrouwbaar moet blijken met wat een ander toebehoort? Dat je iedereen geeft wat hem toekomt: belasting aan wie je belasting verschuldigd bent, accijns aan wie je accijns verschuldigd bent, auteursrechten aan wie je auteursrechten verschuldigd bent, ontzag aan wie ontzag toekomt, eerbied aan wie eerbied toekomt” (Rom.13,7)? Daar begint het inderdaad mee. U kunt dat maar beter serieus nemen, broeders en zusters. Als je de belastingdienst of de uitgever of de platenmaatschappij onthoudt wat hun toekomt, zal God jou de erfenis onthouden die jou om Christus’ wil als kind van God toekomt.
Maar zoals gezegd is dat nog maar het begin. Een goed begint weliswaar, maar toch nog steeds het halve werk. Want als de Here Jezus zegt: “En als jullie onbetrouwbaar blijken met wat een ander toebehoort, wie zal jullie dan geven wat jullie zelf toekomt?”, zou Hij dan ook niet bedoelen: “En als jullie geen genade kunnen schenken, zouden jullie dan wel genade kunnen ontvangen?”
Het koninkrijk der hemelen wordt niet bevolkt met mensen die keurig gegeven hebben waar ieder recht op had, maar door mensen die gegeven hebben aan ieder die daar geen recht op had. Want ook al kun je het met geld bijna niet goed doen, maar je kunt met geld wel goeddoen. Of zoals Paulus het tegen Timoteüs zegt: “Zeg tegen de rijken in de tegenwoordige wereld dat ze niet groots moeten zijn en hun hoop niet vestigen op een onzekere rijkdom, maar op een God, die ons alles in overvloed geeft om ervan te genieten. Zeg ze dat ze goed moeten doen, rijk zijn in goede werken, goedgeefs en bereid om te delen. Zodoende zullen ze in schat achteruit leggen als in goed fonds voor de toekomst, om het ware leven te winnen” (1Tim.6,17-19, naar NFB/NaBij).
Wat is het nu? Mogen we nou genieten of moeten we toch weer goeddoen? Die tegenstelling zou de Here Jezus niet begrepen hebben. Want volgens Hem maakt geven je gelukkiger dan krijgen (Hnd.20,35b). Goeddoen, dat is pas genieten.

Ieder het zijne, zei de dief, dus ook ik het zijne.
Ieder het zijne, zei de burger, dus ook ik het mijne.
Ieder het zijne, zei de christen, dus ook jij het mijne.

Amen.