Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Het kruis in de polder.
titel : Het kruis in de polder.
datum : 27 juni 2004
volledige onderwerp : Zondag 15
Download deze preek.

Preek over HC zondag 15 (GZR, 27-6-04; GCS, 4-12-05; Hoofddorp, 23-4-06)

Ps.137:1,2,3 (v.m.)
Ps.111:1,5,6
L Spr.8,1-3.14-36
Ps.49:1,2,5a
L Kol.1,15-23
T HC zondag 15
Lied 476:1,2
Gez.3 (n.m.)
Lied 479 (na collecte)

Gemeente van de Here Jezus,

De grazige weiden, de stille wateren,
ik heb ze gezocht en inderdaad
gevonden, ze waren nog mooier
dan mij was beloofd,
prachtig.

En in dit liefelijk landschap de zoon
van de maker, aan een boom genageld,
maar geen spoor van geweld
of verzet, alleen maar
vrede, rust.

Zijn lege ogen kijken het landschap in,
om zijn mond spelen de eeuwige vragen,
waarom dan, wie ben je,
waar was je, e.d.

Zonder verwijt, hij moet hebben geweten
wat er zou gaan gebeuren.
Ik heb geen antwoord.

Een gedicht van Rutger Kopland. De woorden zijn niet moeilijk te begrijpen. Maar wat bedoelen die woorden te zeggen? Het gedicht heeft iets innerlijk tegenstrijdigs, dat je na eerste lezing niet meteen bij elkaar kunt krijgen. Er spreekt een geweldige rust uit. En toch eindigt de dichter met de woorden: “Ik heb geen antwoord”. Er is iets gaan knagen. Iets is aan hem gaan vreten. Dat zal iets te maken hebben met Jezus. Maar hoe dan? Want de Jezus die hij ontmoet is de vrede zelf. Ook al is Hij aan een boom genageld, toch ontdekt de dichter geen spoor van geweld of verzet. Alleen maar vrede, rust. Jezus verwijt de dichter die naar hem opziet helemaal niks. Zoals Hij daar aan die boom hangt is Hij het toonbeeld van aanvaarding. Hij moet geweten hebben wat er zou gaan gebeuren. Hij wist waar Hij aan begon. Het is Hem niet overkomen. Hij heeft het zelf op Zich genomen. Deze Jezus stelt geen vragen. En toch heeft de dichter geen antwoord. Of is misschien het feit dat Jezus zwijgt onverdraaglijk? Had Hij maar gesproken. Had Hij het maar uitgeschreeuwd: “Dit is jouw schuld. Waarom heb je Me dit aangedaan?” Dan had je je woordje wel klaar gehad: “Hoezo mijn schuld? Wat heb ik dan verkeerd gedaan? Ik ben me van geen kwaad bewust. Natuurlijk, we maken allemaal wel eens fouten. Maar dit heb ik nooit gewild. Ik heb best waardering voor wat U zei. Dat je je vijanden moet liefhebben en als ze je op de ene wang slaan, je ze ook de andere wang moet toekeren, enzo. Dat U daar zelf ook naar leefde. Dat U oog had voor de paria’s van uw dagen: de melaatsen, de hoeren de tollenaars. Dat doe ik U zo nog niet na. Of is dat het? Moet ik U dat zo wel nadoen? Ja hallo, ik ben toch ook maar een mens? Ik ben toch God niet?” Maar Jezus vraagt je helemaal niet jezelf te rechtvaardigen. Rechtvaardigt Hij jou misschien? Maar wil ik dat eigenlijk wel? Hoef ik mezelf helemaal niet schoon te praten? Doet Hij dat voor Mij? Door bloedend uit al zijn wonden daar voor Mij te hangen? Ik heb geen antwoord.

Misschien ga ik u wel wat te snel, broeders en zusters. Ik mediteer over een gedicht dat u voor het eerst hoort. Het zou me zelfs niks verbazen dat dat bij sommigen van u het enige is dat tot nu toe bleef hangen: “Komt die dominee weer met een gedicht aanzetten. Van één of andere… (Rutger Kopland.) Nooit van gehoord”. De Catechismus hebt u allemaal wel van gehoord. Terwijl daar deze preek toch over moet gaan.
Laat ik daar dan eerst wat over zeggen. Deze preek moet inderdaad over zondag 15 van de Catechismus gaan. Maar hoe dan? Ik herinner me een uitspraak die iemand eens deed in een of ander blad, waarin hij uitlegde waarom naar de kerk gaan hem steeds meer ging vervelen. Hij zei: “Preken is minstens een half uur praten over iets dat je zo ook wel begrijpt”. Nu, als ik één ding niet wil, dan wel dat. Een zeker niet over zondag 15. Want daarin gaat het over de kern van ons christelijk geloof: het lijden van Christus aan het kruis. Maar staat er in zondag 15 ook maar één woord dat nieuw voor u is? Moet ik dan enthousiast gaan doen over iets dat u allang weet? In de hoop dat u ook weer enthousiast wordt van wat u allang weet? Door de kracht van de Heilige Geest gebeurt dat soms. Ik kan me herinneren dat ik zo eens een preek gehoord heb van ds. Jac. Kruidhof, toen nog predikant in Arnhem. Het was alsof ik voor het eerst iets voelde van de wereld van liefde die achter die stukgepreekte Christus schuilging. Ik was overstuur van geluk en kon urenlang niks anders stamelen dan: “Die dwaas heeft het begrepen”. Maar dat ging ook weer over. Ik denk dat dat vooral daarvan komt dat dat je de gekruisigde Christus in je gewone leven niet tegenkomt. Je komt Hem tegen in de Bijbel. Je komt Hem tegen als de Bijbel gepreekt wordt. Dan is het net of je gewone leven even niet meer bestaat. Of alleen Jezus nog bestaat. Dat is een overweldigende ervaring. Maar het gaat op één of andere manier niet samen: Jezus èn je gewone leven. Het is alsof je als de profeet Ezechiël door de Geest bij je haren opgetild wordt en verplaatst van Babel naar Jeruzalem (Ez.8,3). Je maakt een reis van duizenden kilometers, van duizenden jaren, en staat ineens voor het kruis. Maar je moet ook weer terug. En daar sta je dan ineens weer in de stad Den Haag, in het jaar 2004.
Iets van die spanning en iets van een oplossing voel ik in het gedicht van Rutger Kopland. Het heeft een andere titel, maar ik zou erboven gezet hebben:

HET KRUIS IN DE POLDER

Het gedicht opent met de mededeling dat ‘ik’ de grazige weiden, de stille wateren gezocht en inderdaad gevonden heb. Welke grazige weiden, welke stille wateren? Die van Psalm 23 natuurlijk: “De Heer is mijn herder, mij ontbreekt niets; Hij doet mij neerliggen in grazige wieden; Hij voert mij aan rustige wateren; Hij verkwikt mijn ziel”. Waar heeft de dichter die grazige weiden en die stille wateren dan gevonden? Waarschijnlijk ergens in Noord-Groningen. De dichter is tenminste psychiater in Groningen. Ergens in de polder, tussen sloten en weilanden, kwam een Psalm-23-gevoel over hem. U hebt zoiets misschien zelf ook wel eens beleefd. Was het niet in de polder, dan wel in de bergen. Alleen is het dan geen Psalm-23-gevoel, maar een Psalm-121-gevoel: “Ik hef mijn ogen op naar de bergen: vanwaar zal mijn hulp komen? Mij hulp is van de Here, die hemel en aarde gemaakt heeft”. Was het niet in de bergen, dan wel aan zee. Alleen is het dan geen Psalm-121-gevoel, maar een Psalm-93-gevoel: “Maar, Heer, Gij zijt veel sterker dan ’t geweld / der waat’ren, dien Uw almacht palen stelt; / de grote zee zwijgt, op uw wenk en wil, / hoe fel zij bruis’, hoe fel zij woede, stil” (Ps.93:3, oude berijming). Het zijn ervaringen die veel mensen alleen in de vakantie nog opdoen: dat je, alleen in de natuur, tot rust komt. Zo’n gevoel van ‘eenzaam, maar niet alleen’. Je ontmoet God, in zijn macht en in zijn nabijheid.
Maar kun je Jezus ontmoeten in de natuur, zoals je God ontmoet in de natuur? Als je daar ‘nee’ op moet zeggen, heb je dan God wel echt ontmoet? Jezus zegt zelf: “Niemand kent de Vader dan de Zoon en wie de Zoon het wil openbaren” (Mt.11,27). “Ik ben de weg en de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij” (Joh.14,6). Op zijn minst betekent dat dat de godservaring die je in de natuur opdoet een heel beperkte godservaring is. Omdat het een crisisloze ervaring is. Als je God echt kent, in Jezus Christus, dan gaat het schuren en knagen in je ziel.
Die ervaring hoor ik doorklinken in het vervolg van het gedicht van Kopland. Want “in dit liefelijke landschap (ziet hij) de zoon van de maker, aan een boom genageld”. Hoe kan dat? Hoe kan hij ineens de gekruisigde Christus ontmoeten in grazige weiden, aan stille wateren? Waarschijnlijk viel zijn oog op een kruisbeeld dat daar aan een boom hing, een crucifix. Misschien maakte Kopland een wandeling in de buurt van Kloosterburen, een roomse enclave in Noord-Groningen. Ook dan, of misschien moet ik wel zeggen: dan pas voelt hij vrede, rust.
Vreemd is dat. Want zo vredig ziet een kruisbeeld er toch niet uit. Zo’n gekromd, uitgemergeld lichaam, vastgespijkerd op een paal, bloedend uit vele wonden. Maar dat is blijkbaar niet wat de dichter treft. Hij zegt zelfs: “(ik zien) geen spoor van geweld of verzet, alleen maar vrede, rust”. Natuurlijk ziet hij wel een spoor van geweld: die spijkers door handen en voeten, het bloed uit de wondgaten. Maar dat is geweld dat Jezus aangedaan wórdt. Bij Hemzélf vindt hij geen spoor van geweld of verzet. Hij is de rust zelve. Hij hangt daar zonder verwijt, moet geweten hebben wat er zou gaan gebeuren.

Een heel verschil met die omstreden film The Passion of the Christ. Ik moet de eerste nog tegenkomen, die na het zien van die film zei: “geen spoor van geweld, alleen maar vrede, rust”. Omdat het bloed bij wijze van spreken van het doek druipt. Het was interessant om te lezen hoe de niet-christelijke pers de film om die reden als mislukt beschouwde. Iemand schreef zelfs dat deze film op hem dezelfde uitwerking had als een pornofilm. Zoveel expliciet geweld stompt net zo af als expliciete seks. Als je al iets voelt, dan hooguit walging. Een andere recensent vatte de film zó samen: Jezus in anderhalf uur gedegradeerd tot een stuk bloedend vlees. Hij vond zelfs dat deze film de beste antireclame was voor Jezus als de Verlosser. Want deze Jezus deed niks meer en kon niks meer. Van zo’n machteloze antiheld kun je geen heil meer verwachten. Ik dacht wél, toen ik dat las: Dan heb je, onbewust, de kern van het evangelie onder woorden gebracht. “Wij prediken een gekruisigde Christus, voor Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid, maar voor hen die geloven is Christus zó juist de kracht van God en de wijsheid van God. Want het dwaze van God is wijzer dan de mensen en het zwakke van God is sterker dan de mensen”, om de apostel Paulus eens te citeren (1Kor.1,23-25). Juist christenen die de film gezien hebben konden er bij bepaald worden hoe absurd hun geloof eigenlijk is. Deze machteloze Jezus is nu de macht van God. Wij zijn verlost door iemand die niks meer deed en niks meer kon, omdat Hij in anderhalf uur gedegradeerd werd tot een stuk bloedend vlees. Maar dat kun je er alleen bij bedenken, als je al gelooft. Je moet het erbij denken, anders zou je je geloof nog kwijtraken. Alleen een scène helemaal aan het eind raakte sommige kijkers nog. En dat misschien alleen, omdat ze van de rest van de film niks gezien hadden. De scène waarin Jezus, doodgemarteld, van het kruis wordt afgenomen. Dat is een heel verstild beeld. “Geen spoor van geweld of verzet, alleen maar vrede, rust”.

En juist die rust, die vrede knaagt. Aan Rutger Kopland in elk geval wel. Knaagt het nog aan u, die zondag 15 wel kunt dromen? Vreet het nog aan jou, die zondag 15 niet kunt dromen, maar het één keer vluchtig doorleest en zegt: dat wist ik allang? Ik zou graag willen dat u vanmorgen met mij die overbekende woorden eens opnieuw ging lezen. Misschien wel voor het eerst écht ging lezen. Want de waarheid die tussen die uitgekauwde woorden doorschemert is wel degelijk om stil van te worden. Zo stil, dat je niks meer te zeggen hebt. “Ik heb geen antwoord”.
Want of je wilt of niet, zondag 15 gáát wel over u en jou. Ook als het u niks doet, ook als het je niet raakt. De Catechismus heeft het “de toorn van God tegen het hele menselijke geslacht” (dus ook tegen u), over “het strenge oordeel van God, dat over ons zou komen” (dus ook over jou), over de “vloek die op mij lag” (dus ook op mij). Of vergis ik me nou? Gaat het hier helemaal niet over u, over jou, over mij? Want er staat toch ook dat Christus die toorn van God tegen het hele menselijk geslacht (dus ook over u) al gedragen hééft; dat Christus, om ons te bevrijden van het strenge oordeel van God, dat over ons zou komen (dus ook over jou), al veroordeeld ís; dat Christus de vloek die op mij lag (dus ook op mij) al op Zich geladen hééft? Niet voor niks spreekt de Catechismus toch over Gods toorn, oordeel en vloek in de verleden tijd? Hoe moet mij dat nu nog raken? Sterker nog, zelfs over Christus wordt in de voltooíd tegenwoordige tijd gesproken: Hij hééft Gods toorn gedragen, ooit, bijna 2000 jaar geleden. Hoe moet mij dat nog raken? De Catechismus heeft het hier toch over een probleem dat duizenden jaren voor mijn geboorte al opgelost is? Nou, fijn om te weten. Daar nemen we dan met blijdschap kennis van en gaan over tot de orde van de dag.
“Hoho”, roept een slimmerik, “maar je moet het natuurlijk wel geloven. Anders heeft Christus Gods toorn niet voor jou gedragen. Anders heeft Hij jou niet bevrijd van Gods strenge oordeel. Anders heeft Hij de vloek die op jou lag niet op Zich geladen”. Toch is dat raar. Heeft Christus tóen Gods toorn niet gedragen als je nú niet gelooft? Heeft Hij nou Gods toorn tegen het hele menselijke geslacht gedragen of niet? Het is toch onzin om te zeggen dat Hij die toorn pas gaat dragen, als jij gaat geloven? Wanneer zou Hij dat dan moeten doen? Die wazige EO-praatjes van: “Als jij gelooft, dan is Christus voor je zonden gestorven”, dat slaat logisch toch helemaal nergens op? Hij ís voor je zonden gestorven of Hij is dat niet.
Wat ben ik hier nou aan het doen? Zit ik hier met m’n gefilosofeer het evangelie van zondag 15 om zeep te helpen? Nee, het is juist omgekeerd. Met al die mitsen en maren van “je moet wel geloven” help je juist het evangelie van zondag 15 om zeep. Ik vind dat juist het meest opvallende aan zondag 15. Nergens zit daar een addertje onder het gras van: “Nou, dat hangt nog, of Jezus wel voor jou gestorven is”. Terecht voelen gereformeerden zich wat ongemakkelijk als er gezegd wordt: “Jij moet kiezen voor God, dan kiest God voor jou”. Het is toch omgekeerd? Christus is toch voor ons gestorven toen wij nog vijanden waren (Rom.5,10), sterker nog: toen wij er helemaal nog niet waren? Inderdaad. Maar ondertussen zijn wij geen haar beter dan mensen die zeggen: “Als jij gelooft, dan is Christus voor jou zonden gestorven”. Er hoeft maar iemand in de krant te zeggen dat hij de straat opgaat met de boodschap: “Jezus is voor jouw zonden gestorven”, of het regent ingezondens. Want degene die die boodschap hoort moet natuurlijk wel gaan geloven en dat weet je van tevoren niet. Of nog gereformeerder: Je mag helemaal niet tegen iedereen zeggen dat Jezus voor je zonden gestorven is. Want Hij is alleen gestorven voor de uitverkorenen. O, dus wat de Catechismus zegt, dat Christus de toorn van God tegen de zonde van het héle menselijke geslacht aan lichaam en ziel gedragen heeft, dat klopt niet? Dat staat helemaal niet in die teksten, die de Catechismus daar in de voetnoten voor aandraagt?
Nu, dat klopt wél. Dat staat inderdaad in die teksten die de Catechismus als bewijs aanvoert en in nog een heleboel meer: Jezus hééft de toorn van God tegen de zonde van het hele menselijke geslacht gedragen. Maar dat is toch niet zo tactisch van de apostelen en in hun voetspoor de opstellers van de Catechismus, om dat meteen cadeau te doen? Dan krijg je toch dat mensen, zelfs kerkmensen, zeggen: “Nou, fijn om te weten. Daar nemen we dan met blijdschap kennis van en gaan over tot de orde van de dag”?
Nee, dat krijg je dan helemaal niet. Neem nog eens dat gedicht van Rutger Kopland. Die komt tot rust aan stille wateren, in grazige weiden en ineens staat hij voor het kruis. Hij wordt onrustig van de rust die Jezus aan dat kruis uitstraalt. Jezus verwijt hem niks. Hij hoort Hem niet al mopperend zijn kruis op Zich nemen: “Kan Ik voor jou het vuile werk opknappen. Je wordt bedankt”. Niks van dat alles. Dat er überhaupt iets als “het vuile werk” valt op te knappen, daar word je je pas van bewust als je Jezus voor jou aan het kruis ziet hangen. Niet door de wet, maar door het evangelie word je je pas van kwaad bewust. Pas als je voor het kruis staat, besef je hoe het er in werkelijkheid met je voorstaat. En op het moment dat dat tot je door begint te dringen, realiseer je je dat Hij die last al van je schouders genomen heeft. Jóuw zonden op zíjn schouders. Voor waar ik nooit mee gezeten heb heeft God zijn Zoon al gezonden. Om mijn overtredingen werd Hij doorboord, om mijn ongerechtigheden verbrijzeld; de straf die mij de vrede aanbrengt was op Hem en door zijn striemen is ons genezing geworden (Jes.53,5 // 1Pt.2,24). Maar ik wist niet eens dat ik ziek was! Ben ik dan zo traag van begrip of is God zo snel met zijn liefde?
Wat moet je zeggen, als je ontdekt dat God je zonden al vóór is geweest? “Jezus, het spijt me? Ik heb het niet geweten?” Wat klinkt dat goedkoop. Niks zeggen, maar gewoon doorgaan zoals je bezig was met waar je mee bezig was? Dat is nog veel goedkoper.

Daar Ge U voor mij hebt in de dood gegeven,
hoe zou ik naar mijn eigen wil nog leven?
Zou ik aan U voor zulk een bitter lijden
mijn hart niet wijden? (Lied 177:6)

Rutger Kopland zegt dat niet. Hij stamelt slechts: “Ik heb geen antwoord”. Wat moeten wij ook zeggen? God gaf antwoord op een vraag die wij niet stelden, maar die Hem blijkbaar kwelde. Blijkbaar kon Kopland het met dat antwoord niet doen. Het raakte hem wel, anders had hij niet gezwegen. Maar hij bleef niet zwijgen. Als zijn moeder gaat dementeren, heeft hij zelf ook vragen. Vragen waar God geen antwoord op geeft. Hij dicht:

Het was mijn moeder, het lijfje dat daar roer-
loos stond in ’t gras, alleen haar dunne haren
bewogen nog een beetje in de wind, als voer

zij over stille waatren naar een oneindig daar en
later, haar God. Er is geen God, maar ik bezwoer
Hem Zijn belofte na te komen, haar te bewaren.

Het is niet vreemd als mensen, in een verpleegtehuis om zich heen kijkend, zeggen: “Er is geen God”. Wat is de zin van de dingen die gebeuren? Die zin is van den beginne bij God, zegt het Spreukenboek. Hij is geboren is uit de Vader vóór alle eeuwen als zijn troetelkind, God uit God, Licht uit Licht. Alle dingen zijn in Hem en door Hem en tot Hem geschapen. Alle dingen hebben hun bestaan in Hem, zegt Paulus in Kolossenzen 1. Gods Zoon is zin van al wat is. Hij is de sleutel op het raadsel van al wat bestaat. Als je Hem niet kent, blijft het leven op slot zitten. Er zit geen lijn, geen doel, geen samenhang in. Vallen de stukjes in Jezus dan wel op hun plaats? Dat moet en zal nog blijken. Als Gods antwoord op zijn vraag ook het antwoord op onze vragen zal blijken te zijn.

Ik heb geen antwoord. Maar God heeft wel een antwoord. Een antwoord dat je niet onberoerd laat. Een antwoord dat onze schuld onthult en bedekt. Een antwoord dat mensen laat ontdekken dat ze zondaar zijn en zondaars laat ontdekken dat ze Gods kinderen zijn. Een antwoord waar niks aan toe te voegen valt. Een antwoord waarop maar één reactie mogelijk is:

Amen, kom, Here Jezus! (Opb.22,20)

Amen.