Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > God is groot! Allah Akbar?
titel : God is groot! Allah Akbar?
datum : 15 maart 2009
volledige onderwerp : Zondag 34
Download deze preek.

Preek over HC zondag 34 (GZR, 06-02-05 (nabetrachting HA); Den Ham, 15-3-09)

Ps.138:1,2,3
Gez.179b (vóór dopen Tim Wolters)
Lied 335 (rond dopen)
L Deut.32,1-14
Ps.81:1,6,8,12
L Deut.32,15-43
Gez.170:1,4
T HC zondag 34
Ps.16:1,2,3
Lied 431:1,5,7 (na collecte)

Gemeente van de Here Jezus,

God is groot! In het Arabisch: Allah akbar! Of ligt het zo simpel niet? Zo simpel ligt het inderdaad niet. Maar dat is niet omdat ‘Allah’ islamitisch zou en ‘God’ christelijk. Nee, ‘Allah’ is Arabisch en ‘God’ is Nederlands. En niet alleen aan mensen die “Allah akbar” zeggen, maar ook aan mensen die “God is groot” zeggen moet gevraagd worden wat ze daarmee bedoelen. Is de Allah die jij vereert, is de God die jij aanroept wel de Vader van Jezus Christus?
“Vereer naast mij geen andere goden”. Volgens de Heidelbergse Catechismus betekent dat o.a.: “dat ik de enige ware God naar waarheid leer kennen. Hem alleen vertrouw, met alle ootmoed en geduld mij aan Hem alleen onderwerp, al het goede van Hem alleen verwacht, Hem met heel mijn hart liefheb vrees en eer, en wel zo, dat ik eerder alle schepselen prijsgeef, dan dat ik het minste of geringste tegen zijn wil zou doen”. Ik weet niet of het u opgevallen is, maar de naam van Jezus Christus wordt in dit antwoord nergens genoemd. Dat is toch wel een gemis. Want Jezus zelf zegt: “Wie de Vader is, dat weet alleen de Zoon, en iedereen aan wie de Zoon het wil openbaren” (Mt.11,27). De apostel Johannes zegt het zijn meester na in zijn eerste brief: “Ieder die de Zoon niet erkent, heeft ook de Vader niet. Wie de Zoon erkent, heeft ook de Vader” (1Joh.2,23). Het is dan ook onmogelijk te spreken van de enige ware God zonder zijn Zoon te noemen. De Catechismus doet dat wel. Het gevolg is dat een moslim antwoord 94 zonder problemen na kan zeggen. Zo’n zin: “dat ik met alle ootmoed en geduld mij aan Hem alleen onderwerp” zal hem zelfs bijzonder aanspreken. Want ‘islam’ betekent letterlijk: onderwerping. Dat is een woord dat moslims waarschijnlijk zelfs meer aan zal spreken dan christenen. Als wij de zaak waar dat woord voor staat al kennen, dan spreken we toch liever van ‘overgave’. Dat klinkt wat minder naar slaaf en wat meer naar liefde. Omdat als wij God zouden moeten typeren, we liever zeggen: “God is liefde”, dan: “God is groot”.
Toch wil ik het in deze preek opnemen voor dat woord uit de Catechismus dat ons wat minder ligt: ‘onderwerping’. Omdat het wel degelijk waar is dat God groot is.

God is groot in zijn liefde en macht.

1. als de Vader van Jezus Christus
2. als de bewerker van leven en dood

1. God is groot in zijn liefde en macht. Maar in het lied van Mozes uit Deuteronomium lijkt Gods liefde wel door zijn macht verslonden te worden. Gods majesteit wordt in dat lied op een huiveringwekkende manier bezongen. Je zou bijna zeggen: op een gruwelijke manier bezongen. Mozes lijkt het volk Israël te willen leren dat hun God een God is die over lijken gaat. Met als hoogte– of dieptepunt: “Mijn pijlen maak ik dronken van het bloed van vijanden, gevallen en gevangen; mijn zwaard verslindt het vlees van hun mannen die zo dreigend hun haren hadden losgeworpen”.
Nu, daar kom ik zo wel op. Wel klopt het dat Mozes de Israëlieten iets wil leren over God. Zij staan op de drempel van het beloofde land. Maar de Here ziet al aankomen dat zij van dat beloofde land niet alleen de vruchten, maar ook de goden gaan plukken. Hij zegt tegen Mozes: “Zij zullen Mij verlaten en het verbond dat ik met hen gesloten heb verbreken. Want ik weet nu al waar hun hart naar uitgaat, nog voor ik hen in het land gebracht heb dat ik hun onder ede heb beloofd” (31,16b.21b). Daarom moeten de Israëlieten bij voorbaat een lied aanleren, dat hun inprent hoe God zal reageren op hun ongehoorzaamheid en afval: “Ik zal Me van hen afkeren en dan eens zien hoe het hun vergaat. Want dit is een verdorven geslacht, niemand van hen is te vertrouwen. Als het vuur van mijn toorn is ontstoken, zal het branden tot in het diepst van het dodenrijk; het zal de aarde verschroeien en alles wat daar groeit, het zal de grondvesten van de bergen verteren. Ramp na ramp breng Ik over hen, al mijn pijlen schiet Ik op hen af. Honger zal hen uitmergelen, de pest hen verteren, ziekten zullen hen te gronde richten. Ik geef hen ten prooi aan wilde dieren, giftige slangen laat Ik hen bijten. Buiten eist de oorlog zijn tol, binnen heerst de angst voor de dood. Niemand wordt ontzien, man noch vrouw, jong noch oud”.
Ik zei net: Mozes wil de Israëlieten bij voorbaat iets leren over God. Wat dan? Dat Hij keihard is? God noemt Zich inderdaad in dit lied keer op keer een rots. Maar een rots kun je niet krenken en tergen. Een rots wordt zelf nergens heet of koud van. Een rots is geen vuur. Een rots heeft geen hart. Maar wat je ook van de God van het lied van Mozes kunt zeggen, dat niet. Als je al van God kunt zeggen dat Hij een rots, dan in die zin dat je op zijn hartstocht kunt bouwen.
Let er eens op hoe teer God spreekt over dat onooglijke volkje Israël. Hij heeft de erfenis van de aarde verdeeld onder de mensenkinderen. Elk volk kreeg zijn deel. Maar Jakob was het deel dat God Zichzelf toemat. Dat was zijn oogappel. Er staat niet bij waarom. Het was gewoon zo. Om onverklaarbare redenen is God voor Israël gevallen. Voor dat volkje had Hij alles over. Hij vergelijkt Zichzelf met een adelaar die zijn jongen over de rand van het nest duwt, maar er wel meteen achteraan duikt, onder hem gaat vliegen, hem op zijn vlerken neemt en weer naar het nest draagt. Zo spannend is het leven van Gods kind: het is een sprong in het diepe. Zo ontspannen is het leven van Gods kind: maar Vader is altijd bij je en draagt je naar huis.
God als adelaar, dat is God in Christus. God die zelf achter zijn kind aangaat als het de weg kwijt is en dreigt te vallen. Die dieper gaat dan wij: lijdt, sterft en neerdaalt in de hel. God is geen gier, die in den hoge loert op zijn prooi, maar een adelaar, die voor zijn jong de diepte in gaat.
God is groot, juist in zijn liefde. Hij is hoogverheven, juist in zijn nederigheid. Moslims lopen zich stuk op de avondmaalstafel. Niet alleen omdat daar alcohol geschonken wordt, maar ook en vooral omdat hun God te groot is om klein te zijn en daarom te klein om echt groot te zijn.
De God van het lied van Mozes is niet van steen, maar van vlees en bloed. Je zou bijna zeggen: Hij is in zijn emoties van liefde en toorn bijna menselijk. Of moet je zeggen: in het hebben en tonen van onze emoties blijkt dat wij naar het beeld van God gemaakt zijn? Hoe het ook zij, de aanstoot en de ergernis die wij voelen bij het lezen van het lied van Mozes is de aanstoot die moslims voelen als ze horen van de gekruisigde Christus. God moet God blijven en geen mens worden. Onze zonden, daar moet Hij op één of andere manier maar boven staan. Hij mag wel emoties kennen, maar dan alleen liefde en geen toorn. Dat vinden wij, dwaze mensen, beneden zijn waardigheid.
Nu, zo’n god is een afgod. Want het is geen God in Christus: een God die niet te hoog is om echt lief te kunnen hebben, maar ook niet te hoog is om echt toornig te kunnen zijn. Jahwe heet Hij in het oude testament: Ik ben, Immanuel in het nieuwe: Ik ben… met u. God met ons. Maar dat betekent niet alleen dat we Hem mee kunnen hebben, maar ook dat we Hem tegen kunnen komen. Hij is geen God van verre, maar een God van nabij. Zijn hand is er, om vóór ons of tegen ons te strijden.
“Ik zal mijn hand tot de kleinen wenden”. Die tekst uit Zacharia 13 kun je nogal eens aantreffen in een gevelsteen boven de ingang van een gereformeerde kerk. Ik heb hem zelf zien staan op de gevel van gereformeerde kerken in het Friese Oosterend en Groningse Boerakker. Dan weet je dat dat gebouw stamt uit de tijd de doleantie, toen de gereformeerden zichzelf graag de ‘kleine luyden’ noemden. Zo’n tekst uit Zacharia is ‘kleine luyden’ natuurlijk op het lijf geschreven: “Ik zal mijn hand tot de kleinen wenden”. Ja, in de Statenvertaling wel. Maar je zou moeten vertalen: “Ik zal mijn hand tégen de kleinen keren”. Of zoals het in de Nieuwe Bijbelvertaling staat: “Weerloos als ze zijn zal ik ze treffen” (13,7b). Alsof de Here wil zeggen: “Ik zál dat gearriveerde, zelfingenomen volkje”. Pijnlijk, zo’n steen in de gevel van je kerk. Gauw weghalen? Nee, vooral laten zitten. Het is het lied van Mozes in een notendop. Zoals Israël dit lied zingend het beloofde land moest binnengaan, zo wij moeten ook wij terdege dat juist de mensen aan wie God zijn liefde verklaard heeft Hem het diepste kunnen kwetsen. Juist zij zouden toch moeten weten dat ze zijn liefde niet en zijn toorn wel verdiend hebben. Want wat is het aangrijpen van brood en beker anders dan het je vastklampen aan de hoornen van het altaar? Wie Gods liefde normaal vindt en zijn toorn abnormaal, die heeft van het evangelie nog maar weinig begrepen.

2. God is groot in zijn liefde en macht. Israël moest ervan zingen bij de intocht in het beloofde land. Zouden ze dat gedaan hebben? Het staat nergens. Het zou me niks verbazen als ze daarvoor niet zo in de stemming waren. Maar dat zou dan wel ten onrechte zijn. Want uiteindelijk wint in dit lied Gods liefde voor zijn volk het van zijn toorn over zijn volk. De Here speelde even met de gedachte zijn volk weg te vagen en elke herinnering aan hen uit te wissen. Maar wat zouden de andere volken daarvan denken?
Weer zoiets raars: dat kan God toch niks schelen, wat de mensen van Hem denken? Blijkbaar wel. Hij kan het niet zetten als men denkt: “Dat volk van niks had blijkbaar een God van niks”. In de ondergang van Israël herkenden de volken rondom niet de hand van de almachtige God. Want mensen willen nu eenmaal de hand van God alleen zien in voorspoed en niet in tegenspoed. Zit het Israël mee, dan hebben ze hun God blijkbaar mee. Maar zit het Israël tegen, dan hebben ze blijkbaar niet hun God tegen. Nee, dan hebben de volken rondom blijkbaar hun goden mee. Of dan zit ‘het’ tegen. Maar God die tegenzit, dat bestaat niet.
Maar God zegt: “Ziet toch in dat ik, ik het ben, ik ben de enige, naast mij is er geen andere god. Ik laat sterven, ik geef leven, ik sla wonden en genees. Wanneer ik mijn macht laat gelden is er niemand die redding bieden kan”. Opnieuw een totale omkering van het godsbeeld dat wij mensen graag ontwerpen. Wij zouden zeggen: Als de dood toeslaat, is het God die je doet herleven. Als het leven pijn doet, is het God die je wonden weer doet genezen. Maar God antwoordt: Dan zou Ik slechts achter de feiten aanlopen. Nee, Ik was het die mijn volk het graf van de ballingschap ingestuurd heb. Ik was het die het verbrijzeld heb met mijn sterke hand en mijn uitgestrekte arm. Niet jullie, heidenvolken zijn het die mijn volk dit aangedaan hebben. Ziet toch dat Ik, Ik het ben. Geen moment zijn ze in jullie macht geweest. Steeds waren ze in mijn macht.
Als u dat goed op zich in laat werken, broeders en zusters, begint u misschien toch te dagen dat het lied van Mozes wel degelijk een blijde boodschap bevat. Ook voor ons. Je kunt als kind van God nooit zeggen dat je in de macht van een ander dan God bent. “De diepste plaats is in zijn hand, van Hem zijn bergen, zee en land. Hij heeft ze hun bestaan gegeven” (Ps.95:2). Hij heerst soeverein over hoogte èn diepte, land èn zee, dag èn nacht, leven èn dood. Je kunt wel roepen: “Ik wil geen God die ook beschikt over de dood”, maar besef wel wat je zegt. Want een god die het niet kan laten stormen, die kan de storm ook niet stillen. Een god die niet beschikt over de dood, die beschikt ook niet over het leven.
God is een God die te vrezen valt. Een God om je dan ook met ontzag aan te onderwerpen. Niet alleen op zondag, maar ook op maandag t/m zaterdag. Je kunt geen tijd reserveren voor jezelf, die geen tijd voor God is. Je kunt niet de onafhankelijkheid uitroepen over een klein hoekje van je leven. Je kunt het wel proberen, maar God legt je bij voorbaat het lied op de lippen: “Ziet toch in dat ik, ik het ben, ik ben de enige, naast mij is er geen andere god. Ik laat sterven, ik geef leven, ik sla wonden en genees. Wanneer ik mijn macht laat gelden is er niemand die redding bieden kan”.
Maar waarom zou je je proberen te onttrekken aan Gods macht? Wat schiet je op met een nieuwe Psalm 139: “Hoe zou ik aan uw aandacht ontsnappen, hoe aan uw blikken ontkomen? Klom ik op naar de hemel – U tref ik daar aan, maar lag ik neer in het dodenrijk, gelukkig: daar bent U niet. Reisde ik mee met de opgaande zon, daalde ik neer in het uiterste westen, dan vond ik een land waar uw hand niet kon komen, een plek waar uw rechterhand mij niet kon grijpen. Gelukkig ben ik in het verborgene gemaakt, kunstig geweven in de schoot van de aarde. Dus was mijn wezen U één groot geheim en stond in uw boekrol van mij niets beschreven. Alles ligt nog open, ’t kan vriezen, ’t kan dooien. Je moet in het leven het zelf zien te rooien”. Hoe bestaat het dat er mensen zijn die deze duivelse Psalm 139 als muziek in de oren klinkt. Geef mij dan Paulus maar: “Ik ben er zeker van dat dood noch leven, engelen noch machten noch krachten, heden noch toekomst, hoogte noch diepte, of wat er ook maar in de schepping is, ons zal kunnen scheiden van de liefde, die God ons geschonken heeft in Christus Jezus, onze Here” (Rom.8,39).

Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben. Maar als je God kent in Jezus Christus: waarom zou je? Amen.