Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Eeen feest dat verlegen maakt
titel : Eeen feest dat verlegen maakt
datum : 11 januari 2009
volledige onderwerp : Zondag 29 & 30
Download deze preek.

Preek over HC zondag 29&30 (GZR, 5-12-04 (nabetrachting HA); De Lier, 30-01-05; IJmuiden, 17-2-08; Lisse, 25-5-08;
opnieuw bewerkt voor Den Ham, 11-1-09 (nabetrachting HA))

Ps.95:1,2 Ps.95:1 (voorzang) / 2,3 (na votum en zegengroet)
HA V L 1Kor.10,1-[13
• Gez.123:2,3,4 Ps.94:6,7
• Ps.95:3 (na klaarmaken tafel) L 1Kor.10,14-]22
• L 1Kor.10,1-13 / Lied 470 (aan tafel) Ps.95:4,5
L 1Kor.10,14-22 T HC (29&)30
Ps.95:4,5 Lied 358:1,4,6
T HC zondag 29&30 Apostolische geloofsbelijdenis I / Gez.123:3 / Ap. gel.bel. III
Lied 358:1,4,6 Lied 225 (na collecte)
Lied 225 (na collecte)

Gemeente van de Here Jezus,

Het avondmaal. De opstellers van de Heidelbergse Catechismus trekken maar liefst drie zondagen uit voor de behandeling ervan. Dat heeft natuurlijk alles te maken met het feit dat er over het heilig avondmaal viereneenhalve eeuw geleden heel verschillend werd gedacht. Volgens de roomsen veranderen brood en wijn tijdens de viering van het avondmaal in het echte lichaam en bloed van Christus. Brood dat van de viering overblijft mag je dan ook niet aan de eendjes voeren. Want dan voer je Christus zelf aan de eendjes. Brood dat overblijft wordt dan ook bewaard in een monstrans: een ding, vaak van goud, dat wat lijkt op een kleine staande klok. Het verschil is alleen dat er achter het glas geen uurwerk met een wijzerplaat zit, maar die stukjes brood. Omdat in zo'n monstrans Christus zelf zit, mag je ook in aanbidding voor zo'n ding neerknie¬len. De Catechismus heeft dan ook volkomen gelijk als hij, in het beroemd/beruchte vraag en antwoord 80, hiervan zegt: Dit is je reinste afgoderij. In die tijd was het ook nodig de zaken zo scherp te stellen. Want gereformeerden waren vroeger zelf ook rooms geweest. Die roomse manier van denken over het avondmaal was hun met de paplepel in gegoten. Je zou kunnen zeggen dat die in de zondagen 28 tot 30 er weer met de paplepel uitgeschept wordt.
Ik ga niet de hele preek gebruiken om die verschillen tussen roomsen en gereformeerden uit te diepen. Toch gaat deze preek wel degelijk over de zondagen 29 en 30 van de Catechismus. Want het punt waar ik vanmiddag bij stil wil staan is wel degelijk een centrale punt uit deze beide zondagen, nl. het feit dat het avondmaal blijkbaar een omstreden onderwerp is. Dat was het toen, maar dat is het nu nog steeds. De viering van het avondmaal blijft vragen oproepen.
De kern van deze preek zal zijn dat het eigen is aan het avondmaal om vragen te blijven oproepen. Omdat het een teken is bij het evangelie van Jezus, de gekruisigde Christus. Dat evangelie is vanaf het begin velen een aanstoot en een dwaasheid geweest (1Kor.1,24). Als een gekruisigde Christus de tegenstellingen hoog laat oplopen, dan zeker de viering van de kruisdood van Christus. Dat kan niet anders.

Het thema voor deze preek is:

Het avondmaal: een feest dat verlegen maakt

Want dat avondmaal is:

1. niet echt (v&a 78-80)
2. niet gezellig (v&a 81)
3. niet open (v&a 82)

1. Het avondmaal is níet echt. Ik zou het ook positief kunnen formuleren: Het avondmaal is nét echt. Maar dat komt op hetzelfde neer. Dat klinkt best wel schokkend. Als het niet echt is, is het dan niet nep? Dat was de vraag waar de zestiende-eeuwer mee zat. Als het brood niet echt Christus’ lichaam en de wijn niet echt Christus’ bloed, wat is het dan wel? Is met de beeldenstorm van de reformatie het avondmaal niet net zo leeg en kaal geworden als de kerkgebouwen? Die vraag probeert de Catechismus te beantwoorden in vraag en antwoord 79. Een vraag die rijst als in vraag en antwoord 78 en 80 gesteld wordt dat het brood en de wijn gewoon brood en wijn blijven. Als brood en wijn dan niet veranderd worden in het eigen lichaam en bloed van Christus, waarom zegt Christus dan: “Dit is mijn lichaam”, en: “Dit is het nieuwe verbond in mijn bloed”? Waarom spreekt Paulus dan van een gemeenschap met het lichaam en bloed van Christus?
Het antwoord is eigenlijk een herhaling van het eerste vraag en antwoord van zondag 28: Even zeker als ik het gebroken brood en de vergoten wijn ontvangen, krijg ik deel aan Christus’ gekruisigd lichaam en vergoten bloed. Als Christus zegt: “Dit is mijn lichaam”, dan moet je dat dus niet letterlijk nemen, zoals de roomsen (en de luthersen) doen. Het is door Christus meer bedoeld als een heel krachtige belofte: net zo zeker als je het teken ontvangt, krijg je de zaak waar dat teken voor staat.
Dat zal waar zijn. Net zo goed als het waar is dat wij door de werking van de Heilige Geest deel krijgen aan Christus’ echte lichaam en bloed. Maar de vraag is natuurlijk wel: Hoe geeft de Heilige Geest ons nu deel aan Christus’ echte lichaam en bloed: door het avondmaal of toch door het geloof? Anders gezegd: krijgen we gelijk met het brood en de wijn de Geest? Gebeurt dat op hetzelfde moment als we dat hapje brood en dat slokje wijn nemen? Dan zou de avondmaalsviering toch een soort magisch moment kennen. Even heel plastisch: op hetzelfde moment als brood en wijn indalen in onze maag, daalt de Geest neer in ons hart. Wil de Catechismus dat beweren?
In zondag 28 zei hij nog van niet: Christus gekruisigd lichaam eten en zijn vergoten bloed drinken betekent, dat wij met een gelovig hart heel het lijden en sterven van Christus aannemen en daardoor vergeving van zonden en eeuwig leven krijgen. Dat kan aan de avondmaalstafel in de kerk, maar natuurlijk net zo goed aan de ontbijttafel thuis. Sterker nog: in Christus’ lijden en sterven geloven, dat moet je juist doen als je niet in de kerk zit. Zoals de berijming van Ps.51 zegt: “Niet aan het altaar wordt mijn schuld geboet. Nee, ’t offer van een diep gewond gemoed en een gebroken hart zal U behagen”. Niet aan het altaar, niet aan de avondmaalstafel. Alleen als de Heilige Geest een diep berouw in je werkt en je hart openstelt voor het offer dat Christus voor jou gebracht heeft, zul je gered worden. Anders gezegd: door het geloof alleen, sola fide.
Nu zegt de Catechismus gelukkig ook niet dat de avondmaalsviering stiekem toch een soort magisch moment zou kennen. Maar hij wekt die indruk wel. Tegenover de roomsen die zeggen dat je bij de protestantse avondmaalsviering niks krijgt vindt de Catechismus het toch nodig te zeggen dat de Heilige Geest je ziel even werkelijk deel geeft aan Christus’ gekruisigd lichaam en vergoten bloed als je lichaam deel krijgt aan brood en wijn. Dat wekt toch de suggestie dat het verschil tussen rooms en gereformeerd uiteindelijk niet zo groot zou zijn.
Ik zal het met een simpel voorbeeldje duidelijk maken. Rome zegt: “Dit muntje van 50 eurocent verandert in koffie, kijk maar”. Hij werpt het in de koffieautomaat en even later houdt hij triomfantelijk een bekertje koffie omhoog: “Zie je wel?” Een gereformeerde weet wel beter. Maar het resultaat is hetzelfde: mét dat hij er boven een muntje inwerpt, komt er onder koffie uitlopen. Zo vieren roomsen en gereformeerden beiden avondmaal en beiden krijgen ze deel aan het echte lichaam en bloed van Christus. Alleen verschillen ze van mening over de vraag hoe dat precies in zijn werk gaat. De één zegt: door brood en wijn, de ander: door de Heilige Geest.
Nu, zo is het dus niet. Juist dat bijbelgedeelte dat de Catechismus aanhaalt kan dat duidelijk maken. Het stuk dat we met elkaar gelezen hebben uit 1Kor.10. Daarin noemt Paulus inderdaad de beker der dankzegging, waarover wij de dankzegging uitspreken, een gemeenschap met het bloed van Christus, en het brood dat wij breken een gemeenschap met het lichaam van Christus. Als je het hele stuk leest, blijkt dat je door het avondmaal net zo deel hebt aan Christus, als dat je door het eten van offervlees dat aan de afgoden gewijd is gemeenschap hebt met de afgoden. Maar dat kan toch helemaal niet? Hoe kun je nou gemeenschap hebben met de afgoden? Die bestaan toch helemaal niet? Nee, maar door vlees te eten dat gegrild is op het altaar voor een afgod wek je de indruk dat die afgod voor jou wél bestaat. Pas bekeerden moeten daarmee oppassen.
Voorbeeld: iemand die zich pas zeer onlangs van de islam tot het christendom bekeerd heeft, blijft gewoon de ramadan houden. Hij heeft dat altijd als een goed middel ervaren om jezelf eens helemaal te heiligen voor God. Ook aan het suikerfeest aan het einde van de ramadan doet hij volop mee. Want het is zo’n gezellig en samenbindend feest. Wat zou zijn moslimfamilie daarvan denken? Wat zou zijn nieuwe familie, de gemeente van Christus, daarvan denken? Zouden de eersten toch niet de stille hoop en de tweeden stille argwaan koesteren dat hij toch nog niet helemaal los is van zijn oude geloof? Nu is dat niet de interessantste vraag, wat de mensen ervan denken. De vraag is: Wat moet God daarvan denken? Paulus schrijft: “Of willen we de Heer tergen?” Je zegt wel dat je met de islam gebroken hebt, maar waar blijkt dat uit? Je zult een keuze moeten maken die voor God en mensen duidelijk en zichtbaar is. Dus geen ramadan meer houden, ook al is misschien het nog zo’n goed middel om je aan God te wijden. Dus geen suikerfeest meer vieren. Ook al is het nog zo’n gezellig en samenbindend feest. Uiteindelijk maak je het vooral jezelf daarmee moeilijk. Leid jezelf niet in verzoeking. In Paulus’ woorden: “Ben je soms sterker dan God?” Overschat jezelf toch asjeblieft niet.
Op dezelfde manier als je door het houden van de ramadan gemeenschap houdt met de islam, onderhoud je door de viering van het avondmaal gemeenschap met Christus. Jij laat God en mensen zien waar je staat, als je naar voren komt, gaat aanzitten, neemt van het brood en drinkt uit de beker: “Hier sta ik, ik kan niet anders”. Maar is dat ondertussen ook zo? Besef je wel wat je doet? Je laat je als Abraham roepen uit je gewone leventje, om op weg te gaan naar het land dat God je wijzen zal. Je zegt: “Die weg, dat is voor mij Christus en Christus alléén. Hij is dé weg, dé waarheid en hét leven” (Joh.14,6). Meen je dat? Of zeg je wel dat er voor jou maar één Redder is, maar kun je je in de praktijk aardig zelf redden? Zeg je wel dat je een vreemdeling en bijwoner op aarde bent, op weg naar de stad die fundamenten heeft (Hebr.11,10), maar voel je je hier in de praktijk eigenlijk best wel thuis?
Dát is de vraag waar het avondmaal je voor plaatst. Niet: Zijn brood en wijn wel echt? Maar: Ben jíj wel echt? Zoals je niet God kunt dienen en Mammon (Mt.6,24), de god van het geld, zo kun je ook niet de beker des Heren drinken èn de beker der boze geesten, deel hebben aan de tafel des Heren èn de tafel der boze geesten. Maar Mammon bestaat toch helemaal niet? Als ziet hoe sommigen hem dienen, dan weet je dat hij wel degelijk bestaat. Zo bestaan ook boze geesten net zo goed als de Heilige Geest. Door welke g/Geest jij bezield wordt, moet niet aan de avondmaalstafel, maar in de praktijk blijken. Laat het geen praktijk zijn die God tot naijver wekt. Overschat jezelf niet. Hij kent jou beter dan jij jezelf. Doe jezelf niet sterker voor dan je bent. Jij trekt dat wel? Nee, Hij moet jou trekken. Of ben je soms sterker dan Hij?

2. Het avondmaal is een feest dat ons verlegen maakt. In de eerste plaats omdat het de grote tegenstelling tussen vlees en Geest op scherp zet, in de tweede plaats omdat het er gans anders toegaat dan bij wat wij feest noemen. IJzige stilte. Zelfs achtergrondmuziek ontbreekt vaak. Kan dat niet anders?
Zeker wel. Want het christelijke avondmaal is voortgekomen uit het joodse Pascha. Dat was een gezellige maaltijd. Natuurlijk was dat Pascha opgebouwd uit minder gezellige elementen: ongezuurd brood, bittere kruiden. Maar het was wel een complete maaltijd. Samen eten, het is nog steeds een vorm die we gebruiken als we iets te vieren hebben. Maar niet in de kerk. Daar zijn alleen de bittere elementen overgebleven. Het is alleen maar kern. De rand ontbreekt.
Toch is het best goed voor ons dat we met het avondmaal wat verlegen blijven. Juist door het van tijd tot tijd te doen met de kern van ons geloof alleen scheppen we een situatie waarin we eindelijk eens een keer niks te vinden en niks te zeggen hebben. Op het moment dat je met de brokken van je eigen zonden zit, dan mag je best even heel stil zijn, van schaamte over je eigen zonden en van verwondering over Gods liefde. Voor mensen die dat op kunnen brengen is het avondmaal ingesteld. In de woorden van vraag en antwoord 79: “Voor hen die om hun zonden een afkeer van zichzelf hebben en toch vertrouwen dat deze hun om Christus wil vergeven zijn, en dat ook de overblijvende zwakheid door zijn lijden en sterven bedekt is; die ook begeren hoe langer hoe meer hun geloof te versterken en hun leven te beteren”. Afkeer van jezelf, om wat je nu precies terechtbrengt van je leven als kind van God. Vertrouwen dat God je daar toch niet om afwijst. Verlangen om te groeien in geloof en in een heilig leven. Die gevoelens horen bij het avondmaal. Heel tegenstrijdige gevoelens. Hoe moet je ooit een vorm vinden waarin schaamte, vertrouwen, verlangen samengaan? Laten we maar liever even verlegen zijn met onszelf en met Gods ongelooflijke genade voor ons.

3. Avondmaal: niet echt, niet gezellig, en tenslotte: ook niet open. Want tot het avondmaal mag men niet toelaten hen zich die door hun belijdenis en leven als ongelovigen en goddelozen doen kennen, zegt vraag en antwoord 82. Omdat dit onze belijdenis is, worden er voor elke avondmaalsviering ouderlingen aangewezen die tafelwacht hebben. U weet wel, die ouderlingen die u het teken geven dat u mag aangaan. Maar ze heten tafelwacht omdat het ook hun taak is u tegen te houden als u niet mag aangaan. Omdat u in zonde leeft.
Maar zouden ze u ook moeten afhouden, als u geen briefje hebt? Dat is ook weer zoiets: dat je een briefje moet hebben, als je als lid bent van een zusterkerk toch het avondmaal hier mee wilt vieren. Dan heb ik het er nog niet eens over dat die regel alleen geldt voor mensen uit zusterkerken, d.w.z.: mensen die lid zijn van een vrijgemaakte kerk. Maar hoe moet het als iemand wel een broeder of zuster in Christus is, maar niet vrijgemaakt? Naar een goed antwoord op die vraag zijn we nog steeds op zoek. Steeds meer mensen nemen daar aanstoot aan. Voor hen stamt zo’n regel nog uit de tijd dat wij dachten de enige ware kerk te zijn. Als we daar nu wat genuanceerder over denken, dan moeten we nu ook maar gauw overgaan tot een wat genuanceerder toegangsbeleid voor het avondmaal. Of niet?
Toch is de verbinding die wij leggen tussen je keuze voor Jezus als je verlosser en je keuze met wie je die belijdenis viert niet alleen maar onzin. Ik zal u een voorbeeld geven. In mijn eerste gemeente had ik uitstekende contacten met veel synodaal-gereformeerden in het dorp. Ze hebben me zelfs eens gevraagd te komen preken in een evangelisatiebijeenkomst op zondagavond en ik heb dat gedaan. De broeder die mij daarvoor uitnodigde schreef eens een uitstekend artikel in het synodale kerkblaadje, waarin hij het opnam voor de leer van de verzoening van onze zonden door Christus’ dood aan het kruis. De pastoraal werkster had nl. in het vorige nummer een artikeltje reclame gemaakt voor prof. Den Heijer, die niet gelooft in Christus’ opstanding uit de doden en niet inziet hoe hij nog iets zou moeten hebben aan de dood van een mens uit het jaar nul. Toch volstond die broeder met het schrijven van een ingezonden. Hij voegde zich niet bij de kerk in het dorp waarin voor deze dwaalleer geen plek is. Heeft zo’n woord van Paulus hier niks mee te maken: “U kunt niet drinken uit de beker van de Heer en ook uit de beker van de demonen, u kunt niet deelnemen aan de tafel van de Heer een ook aan die van de demonen”? Het heeft er alles mee te maken. Als je werkelijk van de Here Jezus houdt, als zijn zoendood voor jouw zonden je alles is, dan wil je niet langer zitten aan de avondmaalstafel van een kerk waarin die dood met voeten getreden wordt. Het is het één of het ander.
Toch blijf ik die broeder die een indrukwekkend ingezonden schreef in zijn kerkblad mijn broeder in Christus noemen. Juist daarom doet het zo zeer dat we onze gezamenlijke eenheid in Christus op heel veel manieren kunnen beleven en beoefenen, maar niet aan de avondmaalstafel. Het lichaam van Christus is gescheurd, ook hier ter plaatse. Juist aan de avondmaalstafel mogen we niet doen of dat niet zo is. Anders parkeren we het woord van de apostel Paulus uit onze schriftlezing: “Omdat het één brood is zijn wij, hoewel met velen, één lichaam, want we hebben allen deel aan dat ene brood”. Het avondmaalsformulier zegt daarvan: “Daarom zullen wij alleen, die door waar geloof in Christus ingelijfd zijn, samen één lichaam zijn. Omdat Christus, onze geliefde Heiland, ons eerst zo uitnemend heeft liefgehad, moeten wij ook elkaar liefde bewijzen en dat niet alleen met woorden, maar ook door onze daden”. Daarom kun je niet samen avondmaal vieren, als je niet metterdaad één lichaam wilt vormen. Maar dat voelt niet goed. Want het is niet goed.

De maaltijd des Heren: een feest dat ons verlegen maakt. Zo zal het blijven totdat Hij komt.

Amen.