Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Zonder Jezus blijf je nergens
titel : Zonder Jezus blijf je nergens
datum : 14 december 2008
volledige onderwerp : Zondag 16
Download deze preek.

Preek over HC zondag 16
(Niezijl, 14-2, Grijpskerk, 21-2-’99; Ureterp, 7-10-01; Enumatil, 12-01-03; GZR, 4-7-04; De Lier, 23-9-07; opnieuw bewerkt voor Hardenberg-B, 14-12-08)

Ps.115:1,2,8
L Pred.9,1-10
Ps.143:7,8,9
T HC zondag 16
L NGB art.19b
Lied 124
Ps16:3,4,5 (na apostolische geloofsbelijdenis)
Ps.139:3,5,11 (na collecte)

Zonder Jezus blijf je nergens

Gemeente van Jezus Christus,

Al wordt de wereld ook een hel
en ‘t leven niets dan lijden,
wij vrezen niet, - Immanuël
zal stellig ons bevrijden.

Zo vertaalt en berijmt het Liedboek voor de kerken het derde couplet van het Luther-lied, een vaste burcht is onze God. Vroeger zongen we:

En grijnsd’ ook d’ open hel ons aan,
met al haar duiv’lventallen,
toch zal geen vrees ons nederslaan,
toch doen wij ‘t loflied schallen.

Ik ben blij, dat we het Luther-lied niet meer in deze brallerige versie hoeven te zingen. In plaats van “schallen” was “brallen” meer op z’n plek geweest als rijmwoord. Er spreekt een zelfverzekerdheid uit waar ik koud van wordt. Zo van: laat de hel maar over ons losbarsten, kom maar op, wij zijn niet bang. Alsof wij als een soort bruinhemden op spijkerlaarzen door de wereld zouden moeten stampen. Een christen is toch geen Uebermensch? En gelukkig wist Luther dat ook. Aan dat zelfverzekerde derde couplet laat hij immers een tweede couplet voorafgaan:

Wij hebben zelf geen tegenweer,
‘t gevecht was gauw verloren.
Doch voor ons strijdt een sterke Heer,
tot redder uitverkoren.

Onze zekerheid ligt niet in onszelf, maar in onze sterke Heer. Om die reden spreekt de Liedboek-berijming mij meer aan dan wat Luther er zelf van bakte:

wij vrezen niet, - Immanuël
zal stellig ons bevrijden.

Maar dan blijf ik weer zitten met de eerste beide regels van de Liedboek-berijming:

Al wordt de wereld ook een hel,
en ‘t leven niets dan lijden.

Kan dat, dat de wereld een hel wordt, en ‘t leven niets dan lijden?
We moeten niet te snel zeggen, dat daar niks van klopt, omdat de hel pas ná dit leven losbreekt. De Here Jezus zegt tenminste in Joh.3,36: “Wie in de Zoon gelooft heeft eeuwig leven; doch wie de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem”. Als je nu niet Jezus als je Verlosser aanneemt, dan verandert er na je leven niets. Gods toorn blijft op je. Wie nu leeft zonder God, leeft eeuwig zonder God. Dat is de hel. En dat betekent dus ook, dat zolang je leeft zonder de Here Jezus, dat je leven nu al een hel is. Maar omge¬keerd: Zodra je Hem als je Verlosser aanneemt, dan ga je over van de hel naar de hemel. Of zoals Jezus het Zelf verwoordt in Joh.5,24: “Wie mijn woord hoort en Hem gelooft die Mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven en komt niet in het oordeel, want hij is overgegaan uit de dood in het leven”. In de woorden van de apostel Paulus, Kol.1,13: “God heeft ons verlost uit de macht der duisternis en overgebracht in het Koninkrijk van zijn lieve Zoon”.
Om die reden ben ik dus uiteindelijk toch niet zo gelukkig met die Liedboek-berijming van het Luther-lied. Want ook al verschilt het lijden van de gelovigen uiterlijk niks van het lijden van wie niet geloven, het is niet hetzelfde lijden. Lijden en lijden is twee. Voor wie gelooft in Jezus als zijn of haar Verlosser is het lijden geen hel, omdat het geen godverlaten lij¬den meer is. De godverlatenheid is eruit, sinds God in zijn Zoon Jezus Christus erin kwam. Toen wij de hel over ons afriepen door God te verlaten, kwam God ons in zijn Zoon Jezus Christus zelf opzoeken in onze godverlatenheid. En aan het kruis riep Hij het uit: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten”, en dan vult het avondmaalsformulier aan: “opdat wij door God aangenomen, en nooit meer door Hem verlaten zouden worden”. Hoe eenzaam je je ook voelt, God is bij je, sinds de Zoon van God is neergedaald in de hel.

Dat is kort samengevat wat wij geloven, als wij die woorden uit de apostolische geloofsbelijde¬nis uitspreken: neergedaald in de hel. De Zoon van God is door zijn Vader verlaten, opdat God altijd bij ons zou zijn, hoe eenzaam we ons ook voelen. Zoals de Catechismus zegt: In mijn felste aanvechtingen, d.w.z.: zelfs als ik God helemaal niet voel, en er wanhopig aan twijfel of Hij wel bij me is, of Hij me niet in de steek gelaten heeft, dan mag ik toch zeker weten dat God mij van de angst en pijn van de hele verlost heeft. Ons lijden is geen godverlaten lijden, ons lijden is geen hel, en daarom zal het dat in eeuwigheid ook niet worden. Want door het geloof in Jezus die de hel is doorgegaan ben ik al overgebracht vanuit de macht der duisternis in het Koninkrijk van Gods lieve Zoon, en mag ik ook geloven dat God mij zal bevrijden van alle boos opzet en behouden in zijn hemels Koninkrijk brengen (2Tim.4,18).

Toch, ook al is de strekking van die woorden “neergedaald in de hel” wel duidelijk, toch blijft het een geloofsartikel dat met raadselen omgeven is. Want wanneer was Jezus dan in de hel? Als een leven zonder God de hel is, dan was de nederdaling van Gods Zoon naar de aarde die van God vervreemd was door de zonde al de nederdaling ter helle. Dan is de vleeswording van het Woord tegelijk ook de nederdaling ter helle. De Catechismus zit voor een deel ook op deze lijn, als hij zegt, dat onze verlossing van de hel door Jezus bewerkt is gedurende heel zijn lijden, maar vooral aan het kruis. Dus niet alleen aan het kruis, maar gedurende heel zijn lijden. En we hebben de vorige keer gezien, in zondag 15, dat Jezus heel de tijd van zijn leven op aarde de toorn van God gedragen heeft. Heel zijn leven was een hel, maar vooral het einde van zijn leven, toen Hij aan het kruis hing, en gedurende drie uren het licht uitging, waarna Hij uitriep: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?”
Toch, heel Jezus’ leven was een hel, maar vooral toen Hij aan het kruis hing, dat is niet helder. De Catechismus kan niet precies aangeven wanneer Jezus nu neergedaald is in de hel. Daarin komt ook een stukje verlegenheid met dit geloofsartikel uit. De Catechismus maakt toch een soort noodsprong in de uitleg van de woorden “nedergedaald ter helle”. Dat kan u ook duidelijk worden, als u zich even indenkt, dat de Catechismus Jezus’ nederdaling ter helle dus in elk geval plaatst vóór zijn sterven. De Catechismus kan niet precies aangeven wannéér voor zijn sterven (gedurende heel zijn leven, of toch vooral aan het kruis?), maar in elk geval: vóór zijn sterven. Jezus kan niet na zijn sterven in de hel geweest zijn, dus tussen zijn sterven en opstanding, dus gedurende de drie dagen dat Hij in het graf lag. Dat zou ook moeilijk kunnen, want zei Jezus niet tegen die moordenaar aan het kruis: “Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn” (Lc.23,43)? Als Jezus na zijn sterven naar de hel zou gaan, dan had Hij moeten zeggen: “Heden zult gij in het paradijs zijn, maar Ik in de hel”. Bovendien zegt Jezus, vlak daarna, en vlak vóór zijn sterven: “Vader, in uw handen beveel ik mijn geest”, en niet: “Satan, in jouw klauwen beveel Ik mijn geest” (Lc.23,46).
Toch is het merkwaardige, dat de apostolische geloofsbelijdenis Jezus’ nederdaling ter helle wél plaatst ná Jezus’ sterven, zelfs na zijn begrafenis: geleden, gekruisigd, gestorven, begraven, neergedaald in de hel. De Catechismus trekt de nederdaling ter helle dus naar voren, en legt dit geloofsartikel uit als een andere formulering voor: die geleden heeft en die gekruisigd is. De Catechismus legt de nederdaling ter helle dus anders uit dan de apostolische geloofsbelijdenis het oorspronkelijk bedoelde. Daarmee hoeft die uitleg nog niet onjuist te zijn. Wel is het goed om toch ook met elkaar te overwegen, wat er dan wél oorspronkelijk bedoeld werd met die nederdaling ter helle.

Welnu, de woorden “nedergedaald ter helle” zijn pas betrekkelijk laat in de apostolische geloofsbelijdenis opgenomen, zo rond het jaar 400. U kunt dat ook nog daaraan zien, dat in de geloofsbelijdenis van Nicea, uit het jaar 321, en uiteindelijk vastgesteld in 381, deze woorden ontbreken. Misschien is u dat nog nooit opgevallen. Maar in de geloofsbelijdenis van Nicea belijden we: “Hij is ook voor ons gekruisigd onder Pontius Pilatus, heeft geleden en is begraven. Op de derde dag is Hij opgestaan”. Geen nederdaling ter helle.
Oorspronkelijk werd met de woorden “nedergedaald ter helle” bedoeld: neergedaald in het dodenrijk. D.w.z.: Jezus was onder de doden. En op de derde dag staat hij dan weer op uit de doden, niet uit de dood, maar uit de doden. Jezus deelde dus het lot van alle gestorvenen, waar de psalmen nog van zingen: “Niet de doden zullen de HERE loven, niemand van wie in de stilte zijn neergedaald”, Ps.115. Neergedaald in de stilte van het graf, waar niemand God nog eer brengt, dat is ook Jezus’ lot. Hem trof het lot, waarvan de dichter van Ps. 143 God smeekt, dat het hem niet mag treffen: “Verberg uw aangezicht niet voor mij, opdat ik niet worde als wie in de groeve neerdalen”, en dan zingen wij met onze psalmberijming: “Doe mij uw aangezicht weer gloren, voordat ik word als wie verloren afdaalden in het dodenrijk”. Of zoals we zingen met Ps.94: “Als Gij, Heer, mij niet helpen wilt, dan daal ik in de stilte af, diep in de kilte van het graf”. De drieslag: gestorven-begraven-neergedaald in de hel was dus een aflopende reeks: Hij stierf, werd begraven, Jezus was dus echt dood, neergedaald in de stilte, de kilte van het graf, het dodenrijk. Als de Catechismus dan ook drie vragen eerder zegt, dat Christus begraven is, om daardoor aan te tonen, dat Hij echt gestorven was, dan legt hij in feite het “nedergedaald ter helle” uit: Jezus was echt dood.

Maar als de woorden “nedergedaald ter helle” in feite uitleggen wat het betekent dat Jezus begraven is, voegt die belijdenis dan wel wat toe? Toch wel. Want het moet goed tot ons doordringen dat Jezus in het graf lag omdat Hij dood was. Op de derde dag stond Hij niet op uit het graf, omdat Hij blijkbaar toch niet zo dood was als wij, wanneer we sterven. Nee, zijn dood was voor Hem net zo vernederend als voor ons. De dood is een schande. Juist de lezing uit het bijbelboek Prediker bepaalt ons daarbij.
Misschien stuitte dat stukje uit de Bijbel u wel wat tegen de borst. Juist in de Bijbel zou je verwachten dat er wat fijnzinniger over de dood gesproken werd. Je voelt toch de behoefte om Prediker tegen te spreken als hij zegt: “Ben je een rechtvaardige of zondaar, goed en rein of onrein, offer je wel of offer je niet, ben je goed of zondig, durf je makkelijk een eed te zweren of ben je bang een eed te zweren – alle mensen treft hetzelfde lot. Dat is zo triest bij alles wat de mensen doen onder de zon; en hoe triest ook dat hun hart hun leven lang vol kwaad en dwaasheid is, en dat hun leven eindigt bij de doden”. Dat is toch helemaal niet waar? Het maakt toch wel degelijk uit hoe je geleefd hebt? Prediker doet net of je net zo goed goddeloos als vroom kunt leven, want zowel de goddeloze als de vrome treft uiteindelijk hetzelfde lot. Maar dat is toch helemaal niet zo? Er is toch ook een leven na het leven en een dood na de dood? Eeuwig leven voor wie het goede gedaan heeft en eeuwige dood voor wie het kwade gedaan heeft?
Toch, is het nu werkelijk zo dat wij door het goede te doen de dood kunnen overwinnen? Prediker bepaalt ons erbij dat dat niet zo is. De dood is niet alleen voor de goddelozen, maar ook voor de vromen een vijand die je niet kunt verslaan. Goed gedrag loont niet. Vromen vallen net zo goed als goddelozen ten prooi aan de vergetelheid.
Misschien kent u dat liedje van Bram Vermeulen:

En als ik doodga, huil maar niet
Ik ben niet echt dood
Moet je weten
't Is maar een lichaam
Dat ik achterliet
Dood ben ik pas
Als jij me bent vergeten

En als ik doodga, treur maar niet
Ik ben niet echt weg
Moet je weten
Het is de heimwee
Die ik achterliet
Dood ben ik pas
Als jij die bent vergeten

En als ik doodga, huil maar niet
Ik ben niet echt dood
Moet je weten
't Is het verlangen
Dat ik achterliet
Dood ben ik pas
Als jij dat bent vergeten

Dood ben ik pas
Als jij mij bent vergeten

Nu, dat soort goedpraten van de dood veegt Prediker de vloer mee aan als hij zegt: “Er is niets meer dat de doden loont, want ze zijn vergeten. Hun liefde en hun haat, alle hartstocht die ze ooit gehad hebben, ging allang verloren. Ze nemen nooit meer deel aan alles wat gebeurt onder de zon”.
Ook christenen moeten de dood niet onderschatten. Als iemand die niet gelooft zegt: “Dood is dood”, dan moeten wij maar niet te snel zeggen, dat er leven na de dood is. Kijk, er zijn een heleboel mensen, ook niet-christenen, die geloven dat er meer is dan dit leven. Dan moeten wij maar niet te snel het met die mensen eens zijn. Anders blijven wij zelf ook zitten met die teksten uit het oude testament, dat in het stille graf niemand God nog eer brengt, of nog groffer, wat we bij Prediker lazen: “Beter een levende hond dan een dode leeuw, Wie nog in leven zijn, weten tenminste dat ze sterven moeten, maar de doden weten niets”.
De Bijbel leert niet dat wij van onszelf een onsterfelijke ziel zouden hebben. Nee, met de dood houdt alles op. En als er al leven na de dood is, als het dus niet is “dood is dood” , maar “dood is doorgang naar het eeuwige leven”, dan is dat absurd, innerlijk tegenstrijdig. Dat dood niet dood is, maar leven, kan alleen omdat de Zoon van God dood was; omdat Hij gedeeld heeft in de schande van de dood, die goeden en kwaden op één hoop gooit. Alleen omdat Gods Zoon nergens was, zijn wij toch ergens.
Zonder Christus waren wij nergens meer, en zo is het nog steeds. Zonder Christus ben je nergens als je sterft. En nergens, dat is de hel. Nergens¬huizen. Geen plek, maar nergens plek. Je bidt, maar je wordt niet gegeven. Je zoekt, maar je wordt niet gegeven. Je klopt, maar je wordt niet opengedaan (vgl. Mt. 7,7). Wie de hel een plaats, een plek noemt, ergens in het heelal, geeft de hel teveel eer. Dan zou je nog ergens thuis zijn, ook al is dat thuis een dolhuis. Dan zou er nog iets van lotsverbondenheid der verdoemden zijn, iets van gemeenschap. Het is niet goed dat de mens alleen zij. Want dat is juist de hel, alleen zijn, nergens zijn. Dat was Jezus, alleen. Daar was Jezus, nergens.
Juist omdat de hel geen plek is, maar geen-plek is, is het niet zo vreemd, dat wij niet goed kunnen aangegeven, wanneer Jezus nu is neergedaald in de hel: al met zijn menswording, heel de tijd van zijn leven op aarde, vooral aan het kruis, of toch toen hij gestorven en begraven was. Het is dat allemaal. Als Jezus van zichzelf zegt: “De vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de zoon des mensen heeft geen plaats om het hoofd meer te leggen” (Mt.8,20), dan is dat de hel. Zo eenzaam hoeft geen mensenkind meer te zijn, die Jezus aanneemt als zijn Verlosser. Als je het gevoel hebt nergens meer te zijn, dan ben je toch niet in de hel, want Hij was hier, en weet je te vinden. Als Jezus aan het kruis roept: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?”, dan is dat de hel. Ook als wij het Hem soms naroepen: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?”, dan zijn we toch niet in de hel, want Hij was hier, en weet je te vinden. Als Jezus begraven wordt, en de steen wordt voor het graf gerold, dan is dat de hel. Dan is het einde verhaal van een levende (Schillebeeckx), dan wordt het boek zijns levens gesloten, dan valt de deur achter Hem in het slot. En als de deur die straks achter ons in het slot valt slechts het omslaan van een bladzijde in het boek des levens is, een binnendeur, een tocht-deur, dan alleen omdat Jezus de tocht van óns leven gemaakt heeft tot en met de dood, die sinds de zondeval bij het leven hoort; omdat op de wanden van ons graf te lezen valt: Jesus was here.
Jezus was hier? De Zoon van Gód was hier! De Nederlandse geloofsbelijdenis gaat zelfs zover te beweren, dat de twee naturen van Christus, zijn godheid en zijn mensheid, zelfs door zijn dood niet gescheiden geweest zijn. Christus lag dus maar niet naar zijn mensheid in het graf. Wat zouden we daar ook aan hebben? Nee, Christus, mens èn God lag in het graf. “Zijn goddelijke natuur bleef steeds met de menselijke verenigd, zelfs toen Hij in het graf lag”, zegt art. 19 van de NGB. Was God dood? Dat durf ik niet te zeggen. Maar Hij was in elk geval in de dood, om aan wat niets was zijn kracht te ontnemen (naar 1Kor.1,28). Wat niets was, de dood, is door de Zoon van God iets geworden, een doorgang naar het eeuwige leven. En als we definitief nergens meer zijn, dan zijn we toch ergens: bij Hem. En Hij weet ons te vinden, zelfs als er niets meer van ons overgebleven is, als zijn dag daar is. Dan wekt Hij op wat niets was, of ‘t niks was.

Door Jezus Christus worden die woorden waar uit Ps.139:

Waarheen zou ik gaan voor uw Geest,
waarheen vlieden voor uw aangezicht?
Steeg ik ten hemel - Gij zijt daar,
of maakte ik het dodenrijk tot mijn sponde - Gij zijt er.

Ps.139 is een gebed tot een God die ons leven, inclusief de dood, van binnenuit kent. Hij kent ook je twijfel, je doodsangst. Bid dan tot Hem, met Ps.139:

Doorgrond mij, o God, en ken hart,
toets mij en ken mijn gedachten;
zie, of bij mij een heilloze weg is,
en leid mij op de eeuwige weg.

Amen.