Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > De kerk als kathedraal van de liefde
titel : De kerk als kathedraal van de liefde
datum : 9 november 2008
volledige onderwerp : Zondag 21
Download deze preek.

Preek over HC zondag 21 (Niezijl, 13-6-99, nabetrachting HA, Grijpskerk, 27-6-99; Ureterp, 11-11-01; Enumatil, 16-02-03; Rijnsburg, 9-5-04; De Lier, 10-10-04; GZR, 18-2-07; Den Ham, 9-1108)

Ps.125 :1,2
Avondmaalsformulier IV
Ps.16:1 (na apostolische geloofsbelijdenis)
L Ef.3,14-4,6
Gez.139:1,2,3
T HC zondag 21
Lied 95
Gez.118 (na collecte)

Gemeente van Jezus Christus,

Bij mijn voorbereidingen voor deze preek, over wat wij geloven van de heilige algemene christelijke kerk, en wat wij verstaan onder de gemeenschap der heiligen, stuitte ik op twee haaks op elkaar staande citaten over wat de kerk is. Ik zal ze u voorlezen. Het eerste citaat luidt:

“De kerk is de kathedraal van de liefde. Daarom kan een mens alleen maar lyrisch zijn over de kerk” (A.A. van Ruler).

En het tweede citaat:

“In het thema kerk komen alle frustraties van hele, halve, kwart en gepasseerde christenen samen, kerk is een knooppunt van weerzin tegen het christelijk geloof geworden” (H.M. Kuitert).

Een groter verschil van mening is wel niet denkbaar. De kerk als kathedraal van de liefde of de kerk als samenvatting van alle frustraties. Alleen maar lyrisch kunnen zijn over de kerk, of op de kerk totaal afknappen.

Het zou interessant zijn u uit te nodigen rechts naast de preekstoel te gaan staan als u zich herkent in het eerste citaat. Als u dus, denkend aan de kerk, spontaan wel in jubelzangen zou kunnen uitbarsten. En links naast de preekstoel als u zich herkent in het tweede citaat. Als u dus, denkend aan de kerk, alleen maar gevoelens van weerzin in uw hart voelt opkomen.
Maakt u zich geen zorgen, ik zal me aan dat experiment niet wagen. Al was het alleen omdat het risico groot is, dat ik u dan verenig in weerzin tegen uw predikant, die ineens met van die evangelische fratsen komt.
Nu zijn beide citaten ook wel erg extreem. Hoeveel je ook van de kerk houdt, hoezeer je je er ook thuis voelt, wie zal zeggen dat hij of zij alleen maar lyrisch kan zijn over de kerk? Daarvoor gebeuren er te regelmatig dingen die je teleurstellen, of die je ongerust maken.
En alleen maar weerzin voelen als je aan de kerk denkt, dat is ook wel weer héél erg negatief. Zelfs mensen die absoluut niet meer willen dat een dominee op een ziekenzaal ook voor hen bidt kunnen er over het algemeen toch ook niet omheen, dat boven een ziekbed van iemand van de kerk een vracht kaartjes hangt, waarbij hun eigen maagdelijk witte prikbord nogal schamel afsteekt.

Toch zullen er denk ik meer mensen zijn die zich herkennen in “de kerk als samenvatting van alle frustraties” dan in “de kerk als kathedraal van de liefde”. Ik las eens een verhaal over twee vrienden die elkaar in geen jaren gezien hadden. Vraagt de één op een gegeven moment aan de ander: “Geloof je nog in God?” Antwoord: “Ik geloof nog wel in God, maar niet meer in zijn grondpersoneel”. In denk dat het velen zo vergaan is. Maar geloven ook niet meer in God, juist omdat ze op zijn grondpersoneel afgeknapt zijn
Dat grondpersoneel kunnen de dominee of de ouderlingen zijn. Ik vind het zelf wel eens griezelig om te merken hoezeer voor sommige mensen de dominee en de kerk één pot nat zijn. “Die dominee had helemaal geen aandacht voor mij. Als ik op catechisatie met vragen kwam dan was daar geen tijd voor. Hij had alleen maar tijd voor de catechismus. Terwijl ik met hele andere vragen zat”. Of: “Als ik met kritische vragen kwam, dan zei-d-ie alleen maar: “Ja, dat kunnen wij zondige mensen niet begrijpen. Dat moet je gewoon geloven”, of nog erger: “Zo mag je helemaal niet denken”. Ik vind het nooit helemaal eerlijk, dat de dominee er de schuld van krijgt als mensen met de kerk breken. Is ook wat al te makkelijk. Maar het werkt wel vaak zo. Een dominee kan een boel verknoeien. En de predikant die zich daarvan bewust is krijgt al snel ‘t verwijt dat ‘ie te slap is.
Maar dat grondpersoneel kunnen ook gewoon de gemeenteleden zijn. Waar waren ze, toen jij het zo moeilijk had? Als je hen daarop aanspreekt krijg je echter als antwoord: “Ja, maar daar durf ik niet goed heen, want dan weet ik niet wat ik moet zeggen”. Of: “Daar kom ik niet weer. Want òf je krijgt van die eindeloze klaagzangen, van: “Ik voel me zo alleen, er komt ook nooit iemand bij me”, òf je krijgt ‘t idee dat je d’r aan vast zit. Ben je daar één keer geweest, dat kun je er zeker van zijn, dat je de vraag krijgt: “Je komt ook nooit meer”. Maar ik heb toch ook m’n eigen leven?”
Ondertussen krijg je als predikant van de betrokkenen zelf te horen: “Weet u wat ú moet doen? U moet maar eens wat meer preken over de gemeenschap der heili¬gen....”

Nu treft ‘t, dat ik het daar vanmiddag net over moet hebben, over het artikel uit de apostolische geloofsbelijdenis over de heilige, algemene, christelijke kerk, de gemeenschap der heiligen. Waar moet ik het dus over hebben? Over onze frustraties? Dat er soms zo weinig te ervaren valt van die gemeenschap der heiligen? En dat dat dus anders moet? Nee. Ik wil er eens met u bij stilstaan, dat de Catechismus niet vraagt: Wat ervaart u van de kerk?, maar: Wat gelooft u van de kerk. En dat is toch niet hetzelfde. Gelukkig niet.
Je krijgt vandaag de dag, door alle nadruk die gelegd wordt op de beleving, de ervaring van het geloof, dat geloof en ervaring zo’n beetje samenvallen. Waar geloof wordt dan beleefd geloof. En kun je niet uit ervaring over je geloof spreken, dan heb je het ware geloof nog niet.
Nu zult u mij niet horen zeggen, en u hebt mij dat ook nooit horen zeggen, dat geloof en ervaring niks met elkaar te maken hebben. Geloven is maar niet een zaak van het uit je hoofd leren van een aantal waarheden. Waar geloof zit niet tussen je oren, het zit in je hart. D.w.z.: Het hangt er niet maar wat bij in je leven, als een blinde darm, die je net zo goed kunt missen, maar zoals het hart je bloed rondpompt tot in de uithoeken van je lichaam, zo doordrenkt het geloof je leven. Psalm 27 zingt daarvan:

“Zo ik niet had geloofd dat in dit leven
mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou,
mijn God, waar was mijn hoop mijn moed gebleven?
Ik was vergaan in al mijn smart en rouw”.

Dát is bevindelijk geloof. Je in al je vezels afhankelijk weten van Gods onverdiende liefde voor jou. En daarin ook je troost, je houvast gevonden hebben, dat Gód jóu vasthoudt. Maar dat betekent dus ook, dat je zekerheid in God ligt, en nergens anders, niet in jezelf en al helemaal niet in je gevoel. De troost, het houvast dat het geloof je biedt is juist dat, zelfs als je van God helemaal niks voelt, dat je toch zeker weet dat Hij bij je is, je vasthoudt en je niet laat vallen.

“Bij God, de HERE, is
mijn hulp en troost gewis,
al is mij alles tegen.

Al word ik opgejaagd,
van elke kant belaagd,
de HEER zal met mij wezen” (Ps.3:3c,2d).

Een heleboel dingen die je gelooft ervaar je niks van. B.v. dat God alles geschapen heeft. Kun je dat voelen? Natuurlijk niet. Daar was je niet bij. Toch put je daar een rijke troost uit, als je weet dat die Schepper je Vader is. Hij die alles gemaakt heeft, die ook mij gemaakt heeft, die zal niet toelaten dat mijn voet wankelt (Ps.121,3). Dat geloof ik, zelfs als ik sta te trillen op mijn benen, zelfs als ik denk: “God, waar bent U nou?” Zelfs dan weet ik zeker: Hij is bij mij, en houdt mij vast. Geloven tegen je ervaring in en er dan toch troost, rust bij vinden.

En zo vraagt ook zondag 21 niet: “Wat ervaart van de heilige, algemene christelijke kerk”, maar: “Wat gelooft u ervan”. Niet: “Wat ervaart u van de gemeenschap der heiligen?”, maar: “Wat verstaat u daar onder”. En terecht. Want de kerk is een artikel uit de belijdenis van ons geloof. Wij geloven niet alleen in God, Vader, Zoon en Heilige Geest, maar wij geloven ook: de kerk. Ook de kerk is allereerst een zaak van geloof, en dan pas van ervaring. En zo is ook de gemeenschap der heiligen allereerst een zaak van geloof, en dan pas van ervaring. Zoals je mag belijden dat je, tegen je ervaring in, tóch gelooft in God de Vader, de almachtige, Schepper van de hemel en de aarde, zo mag je ook belijden dat je, tegen al je slechte ervaringen met de kerk in, tóch gelooft dat je een lid bent van een gemeenschap van heiligen, en eeuwig zult blijven.

Want wat is nu die gemeenschap der heiligen? In het kerkelijk jargon betekent gemeenschap der heiligen zoveel, beter gezegd: zo weinig, als: de band die je als broeders en zusters van elkaar in de kerk ervaart, het onderling meeleven. Maar dat is een erg beperkte en versmalde opvatting van gemeenschap der heiligen. De catechismus begint daar ook niet mee. Die geeft als eerste betekenis van gemeenschap der heiligen: “dat de gelovigen allen samen en ieder persoonlijk als leden gemeenschap hebben (niet: met elkaar, maar:) met de Here Christus en deel hebben aan al zijn schatten en gaven”. Gemeenschap der heiligen betekent in de eerste plaats gemeenschap met Christus. Daarom worden de gelovigen ook heiligen genoemd. Omdat ze “in Christus geheiligd zijn”.
In de leden van de kerk, en dus ook in jezelf, heiligen te zien, dat vereist wel geloof. Want onze ervaring leert ons over ‘t algemeen wel wat anders. Maar dat is nou juist de troost die het geloofsartikel van de gemeenschap der heiligen ons biedt: dat je niet af hoeft te gaan op je ervaring, maar dat je mag belijden, tegen je ervaring, en tegen je geweten in: “Ik ben een heilige”. Het gaat er niet om wat ik van mezelf vind, het gaat er ook niet om wat anderen van mij vinden, het gaat erom wat God van mij vindt. En dan mag ik in de kerk horen in het woord van God dat verkondigd wordt, dat ik met al mijn zonden, mijn eigenaardigheden, mijn kortzichtigheid en tekort¬schieten in liefde voor God en mijn naaste voor Hem een rechtvaardige ben, als ik geloof dat zijn Zoon Jezus Christus mij geworden is tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en een volkomen verlossing.
Dat evangelie wordt niet alleen mij, maar ook mijn even onheilige medeheiligen aangezegd. In het gedeelte dat we samen gelezen hebben horen we Paulus bidden, dat de Efeziërs van binnen met kracht gesterkt mogen worden door Gods Geest, opdat Christus door het geloof in hun harten woning zou maken. En dan schrijft hij: “Geworteld en gegrond in de liefde, zult gij dan, samen met alle heiligen, in staat zijn te vatten, hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is, en te kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot alle volheid Gods”. Is gemeenschap der heiligen in de eerste plaats: gemeenschap met Christus, die ons tot heiligen maakt, in de tweede plaats betekent het dus: samen met alle heiligen je verbazen over de volle omvang van Gods liefde in Jezus Christus: dat niet alleen aan jou, maar ook aan zo ontelbaar veel anderen God zijn liefde in Jezus Christus gegeven heeft. Niet alleen hier in Den Ham, maar over de hele wereld. En maken wij ons zelf al zorgen over de achteruitgang van de kerk in Nederland, dan horen wij Paulus bidden, of onze ogen geopend mogen worden voor de wereldwijde, en nog steeds groeiende gemeenschap waarin wij mogen staan, een gemeen¬schap van mensen die samen met ons delen in het heil in Christus.
Samen met alle heiligen, dat betekent niet alleen: samen met alle heiligen die nu leven, maar ook: samen met alle heiligen die niet meer leven: de geloofsgetuigen van Hebr.11, de heiligen uit het oude verbond, die ook gerechtvaardigd en geheiligd werden door het geloof in Christus: Abraham, van wie Christus zelf zegt, tegenover de joden, dat hij zich erop verheugd heeft zijn dag te zien en hij heeft die gezien en zich verblijd (Joh.8,56) en het volk Israël in de woestijn, nog op weg naar het beloofde land, dat volgens Paulus toch al dronk uit een geestelijke rots en die rots was Christus (1Kor.10,4).
Maar bij die gemeenschap der heiligen over de dood heen mogen we ook denken aan hen die wij zelf nog gekend hebben, maar in het geloof in Jezus Christus ontslapen zijn. De gemeen-schap der heiligen is een gemeenschap die zelfs door de dood niet verbroken kan worden. Zo ervaren wij dat niet. Wij zien op tegen het moment dat we onze geliefden achter moeten laten, dat we een geliefde los moeten laten. Wij voelen de pijn van een gemis dat blijft. Maar wat we niet ervaren mogen we toch geloven: Dat we één blijven in de gemeenschap met Christus en in Hem dan toch ook in de gemeenschap met elkaar. Want Christus houdt levenden en doden bij de hand, als had Hij de levenden, die achterblijven, bij zijn ene hand, en de doden, die heengaan om met Hem te zijn, bij zijn andere hand.
De belijdenis van de kerk als de gemeenschap der heiligen is dus bepaald niet in de eerste plaats een belijdenis die je op wil zadelen met een schuldcomplex dat je tegenover je mede-zusters en -broe¬ders weer schromelijk tekort geschoten bent, maar de belijdenis van de kerk als de gemeenschap der heiligen zet je in die geweldige ruimte van het volk dat God Zich uit alle tijden en alle plaatsen verkoren heeft om Hem lief te zijn. En daarom belijden wij de kerk niet als de vergaarbak van alle frustraties, maar wel degelijk als de kathedraal van de liefde: de breedte, lengte, hoogte en diepte van Gods liefde in Jezus Christus die de wereld, ja aarde èn hemel omspant.

In die kathedraal mochten wij vandaag weer bijeenzijn. In deze kathedraal mochten wij het feest van de gemeenschap der heiligen vieren: het heilig avondmaal, dat niet heilig is omdat het zo plechtig toegaat, of omdat de deelnemers van zichzelf nou van die heiligen zijn, maar alleen omdat het ons, onheiligen, deel geeft aan Hem die ons heilig máákt: onze Heiland, Jezus Christus. Dat de gelovigen allen samen en ieder persoonlijk als leden gemeenschap hebben met de Here Christus en deel hebben aan al zijn schatten, dat werd ons vandaag weer onder ogen, in handen, op het hart gedrukt.
De oude kerk dacht bij die schatten en gaven allereerst aan de sacramenten. Zij verstond onder “gemeenschap der heiligen” in de eerste plaats de gemeenschap, niet van de heilige mensen, maar met de heilige dingen: doop en avondmaal. Ook al zet ik, in navolging van de catechis¬mus, deze uitleg van “gemeenschap der heiligen” op de derde plaats, na de gemeenschap met Christus en na de gemeenschap die er in Hem mag zijn met alle heiligen, ik zou deze uitleg toch niet graag kwijtraken. Want vooral het avondmaal is de viering van wat we samen in Christus hebben.
Wie nu wel avondmaal gevierd heeft, maar niet als het feest van ónze gemeenschap met Christus, maar slechts als het privé-feestje van zijn of haar individuele gemeenschap met Christus, die heeft een vergissing gemaakt. Wie avondmaal viert kan nl. niet meer zeggen: “Ik heb niks met die mensen, ik heb niks met die man, ik heb niks met dat mens”. Dat kan alleen als je niks met Christus hebt.

Amen.