Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Hij is hier wél, want Hij is opgevaren
titel : Hij is hier wél, want Hij is opgevaren
datum : 6 april 2008
volledige onderwerp : Zondag 18
Download deze preek.

Preek over Zondag 18 HC
(Niezijl/Grijpskerk, 11-4-'99; Zuidhorn, 24-10-'99; Grijpskerk/Niezijl, 30-6-02; GCS, 6-4-08)

Ps.89:1,2
Ps.89:17,18
L Joh.20,1-18
Ps.96:6,7,8
T Zondag 18 HC
Ps.5:9,10
Lied 234 (na collecte)

Gemeente van Jezus Christus,

"Hij is hier niet". Tot die verschrikkelijke ontdekking kwamen de vrouwen op de paasmorgen. Ze waren op weg gegaan met specerijen om Jezus' lijk te gaan zalven. In Nederland krijg je een dag of vijf om aan het idee te wennen, dat iemand van wie je veel gehouden hebt hier niet meer is. Je kunt hem of haar nog bezoeken, zolang hij of zij nog boven de aarde staat. Voor sommige mensen een belangrijke vorm van rouwverwerking. Maar in Palestina was dat er niet bij. Vanwege het warme klimaat volgde op het moment van overlijden vrijwel meteen de begrafenis. Zo was het ook bij Jezus gegaan. Nadat zijn lichaam van het kruis afgenomen was, was Hij meteen gelegd in het tuingraf van Jozef van Arimatea. Maar die vrouwen waren met zijn dood nog lang niet klaar. Ze konden zich gewoon niet voorstellen, dat Hij, die toch anderen gered had uit de dood, Zichzelf niet had kunnen redden. En daarom wilden ze Hem nog eens zien, Hem nog aanraken, wat ze bij zijn leven misschien nooit gedurfd hadden. Ze wilden Hem op een bepaalde manier nog bij zich houden. Maar nu als dode.
Maar dan... "Hij is hier niet!" Grafschennis? Lijkroof? Heel hun rouwverwerking wordt in het honderd gegooid door een leeg graf, en door een engel die nog eens wat zout in de wonden strooit door met een stalen gezicht te zeggen: "Komt, ziet de plaats waar Hij gelegen heeft".
Maria van Magdala had Petrus en Johannes erbijgehaald, die zich erover verbaasd hadden wat hier wel gebeurd mocht zijn (Lc.24,12), maar daarna toch maar weer naar huis gegaan waren. Alleen Maria was bij het lege graf achtergebleven, huilend.
De beide engelen in het graf lijkt het een beetje te gaan irriteren, dat Maria daar nu nog staat te huilen. En nogal bot zeggen ze tegen haar: "Vrouw, waarom weent gij?" Een weinig pastorale benadering. Zeker tegenover Maria van Magdala. Een vrouw die in haar leven al genoeg had meegemaakt. Zeven boze geesten had Jezus eens uit haar gedreven. En nu moest ze aan de afwezigheid van haar Redder een plekje geven. Maar hoe zou dat kunnen als zelfs die zekerheid, dat Jezus er niet meer was, haar ontnomen werd? Die zeven boze geesten stonden bij wijze van spreken al in de startblokken om deze lege vrouw weer te betrekken. En dan zegt zo'n engel: "Mens, wat sta je hier nou te huilen!"
Huilen om een leeg graf, voor die engelen is dat je reinste dwaasheid. Hoe kun je nou huilen als de leegte die Jezus achterlaat bestaat in een leeg graf? Dat is toch de heerlijkste leegte die er bestaat? "Hij is hier niet, Jezus, de gekruisigde". De gekruisigde, dat is de man die een kleine twee dagen eerder nog beladen met onze zonden aan het kruis hing. Maar als Hij hier niet meer is, dan zijn zij er ook niet meer, onze zonden. "Maria, hoe kun je nu bij een leeg graf zeggen: 'Ik zie er geen gat meer in?'", lijken die engelen te willen zeggen. "Het gapende gat van Pasen betekent nu juist dat je er wel weer een gat in mag zien. De macht die tussen jou en God in staat, de zonde, daar is een gat in geschoten. Je leven staat weer open naar God toe, nu en tot in eeuwigheid. Dit lege graf, het opent eens ook jouw graf. Dit lege graf is een belofte die vervuld wordt als engelen eens bij jouw graf staan te wijzen: 'Zij is hier niet, want ze is opgewekt'".

"Hij is hier niet". De kerk heeft al tweeduizend jaar de tijd gekregen om met dit duizelingwekkende evangelie vertrouwd te raken. Als ik vragen mag: "Went het?" Nee toch? Een gat geslagen in de zonde, daar wen je toch niet aan als je uit ervaring weet dat de zonde in je eigen leven nog zo machtig is? Een gat geslagen in de dood, daar wen je toch niet aan als je ziet dat de dood nog steeds oppermachtig lijkt? Wat hebben we dit abnormale engelenwoord nog steeds nodig, in onze strijd tegen de zonde, in onze worsteling met de dood.

"Hij is hier niet", "hier", d.w.z.: in het graf. Maar je zou ook kunnen zeggen: "Hij is hier niet", "hier", d.w.z.: hier op aarde. Zoals de Catechismus zegt in Zondag 18: "Naar zijn menselijke natuur is Hij niet meer op de aarde", want "Christus is voor de ogen van zijn discipelen van de aarde naar de hemel opgenomen". Wij leven niet alleen na Pasen, wij leven ook na Hemelvaart. Als ik vragen mag: "Went dat, dat Jezus hier niet meer is?" Nee toch? Ik mag tenminste hopen, dat u er niet zo aan gewend bent dat Hij hier niet meer is, dat u Hem ontwend bent. Een kerk die aan Jezus' afwezigheid gewend is, een kerk die niet onwennig is van Jezus' afwezigheid, die Hem niet mist, die zit ook niet meer op Hem te wachten. Door zijn hemelvaart houdt Jezus de spanning van Pasen erin. "U bent dan wel opgestaan, Here Jezus, maar wij dan? Als U dan de macht van de zonde gebroken hebt, waarom merken wij daar dan zo weinig van? Waarom moeten wij dan nog steeds doormodderen met onze zonde? Hoelang moeten wij nog wachten voordat U ook ons uw volmaaktheid schenkt? Als U dan de macht van de dood gebroken hebt, waarom moeten wij dan nog steeds aan graven staan van hen voor wie U toch ook bent opgestaan? Waarom moeten wij dan aanzien dat hele volken ethnisch gezuiverd worden; dat er kinderen geboren worden die bij voorbaat ten dode opgeschreven zijn? Wij kunnen daar maar niet aan wennen, wij willen daar ook niet aan wennen, want U bent toch opgestaan?"
Iemand schreef eens: "De opwekking maakt ons opgewekt, de opstanding opstandig", en zo moet het inderdaad zijn. De opwekking maakt ons opgewekt. Ons leven is niet hopeloos, want Christus is opgewekt. Zoals een paaslied uit het Liedboek voor de kerken (Lied 206:1,6) zingt:

Nu moet gij allen vrolijk zijn.
De bomen zingen in de tuin,
het lege graf verzwijgt het niet,
de mond geopend voor een lied,
halleluja.

Wij willen zingen dat Hij leeft,
Hij leeft die God gehoorzaamd heeft,
zijn graf staat ledig in de tijd,
het is een mond vol zaligheid,
halleluja.

Maar juist het feit dat zijn graf ledig in de tijd staat, maakt ons op een bepaalde manier ook opstandig. Zijn graf mag dan wel leeg staan, als een mond vol zaligheid, maar ondertussen vullen onze graven zich. En dan heb ik het nog niet eens over al die massagraven die van tijd tot tijd ontdekt worden. Dat vloekt toch met elkaar? "Here, als uw lege graf dan een mond vol zaligheid is, dan laat u ons toch niet met de mond vol tanden staan?". Dat is de opstandigheid van het geloof waartoe de opstanding ons opwekt. Ook móet opwekken. Als wij zo niet meer bidden, dan blijkt daaruit dat wij de opstanding niet meer serieus nemen. En als wij, afgestompt door het zoveelste menselijk drama, op de plek en met de mogelijkheden die God ons gegeven heeft niet meer werken aan een wereld waar gerechtigheid woont, dan blijkt daaruit dat ook wij de opstanding niet meer serieus nemen. Dat kon wel eens Jezus' eerste bedoeling zijn van zijn hemelvaart: Zien of wij de macht van zonde en dood nu net zo gaan haten als God, toen Hij zijn Zoon uit die macht van zonde en dood opwekte. Hij kon het niet aanzien, dat zijn Zoon, gesloopt door onze zonde, in het graf lag. Maar dan wij ook niet! Leven uit de opstanding, dat is het gevecht aangaan met de zonde en met alle gevolgen daarvan.

Maar God lijkt ons die strijd wel moeilijk te maken. Want Hij wekte zijn Zoon niet alleen op uit de dood, Hij nam Hem ook op in heerlijkheid. "Hij is hier niet, de gekruisigde, want Hij is opgewekt". Maar ook: "Hij is hier niet, de opgestane, want Hij is opgevaren". En dan stelt de Catechismus, bijna verslagen, de vraag: "Is Christus dan niet bij ons tot aan de voleinding der wereld, zoals Hij ons beloofd had?" Christus' laatste woorden op aarde waren toch volgens Matteüs: "Zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld" (Mt.18,20)? En het lijkt of Matteüs dan wijselijk de hemelvaart maar weglaat. Maar uit Lucas' geschriften weten we toch wel beter? Lucas schrijft: "En het geschiedde, terwijl Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde" (Lc.24,51), "en een wolk onttrok Hem aan hun ogen" (Hd.1,9). Hij, die door zijn dood en opstanding zelf de opstanding en het leven is (Joh.11,25), onttrokken aan onze ogen.

Aan onze ogen. Maar niet aan deze wereld! Door zijn hemelvaart wordt de opgestane Heer niet buiten deze wereld en buiten de geschiedenis geplaatst. Dat is ook het antwoord dat de Catechismus geeft op die angstige vraag, of Christus door zijn hemelvaart dus niet meer bij ons is. De Catechismus zegt dan: "Christus is echt mens en echt God. Naar zijn menselijke natuur is Hij niet meer op de aarde, maar naar zijn godheid, majesteit genade en Geest verlaat Hij ons nooit meer". De Catechismus wil maar zeggen: Ondanks Christus' hemelvaart blijft de kracht van zijn opstanding toch op aarde werkzaam. Hij is dan misschien niet meer lichamelijk op aarde, maar Christus is ook God. En als God, met al zijn goddelijke macht en majesteit, blijft hij ons terzijde staan.

De Catechismus werkt zich met dit antwoord wel een beetje in de nesten. Als mens is Jezus niet meer op aarde, maar als God wel. Dan komt natuurlijk de vraag op: Worden op die manier de twee naturen in Christus dan niet van elkaar gescheiden? Wordt Christus zo niet in tweeën gescheurd: Naar zijn mensheid is Hij in de hemel, maar naar zijn godheid is Hij alomtegenwoordig, overal aanwezig, dus ook op aarde.
Dat lijkt een typisch theologenprobleem. Ik vermoed tenminste, dat de meesten van u wel andere dingen aan hun hoofd hebben dan de vraag: Worden door de hemelvaart de twee naturen van Christus niet gescheiden?
Nu, tot op zekere hoogte is dit ook een theologenprobleem. Op de achtergrond van Zondag 18 speelt namelijk een discussie uit de zestiende eeuw tussen gereformeerden en luthersen. Luther beweerde dat Christus na zijn hemelvaart niet alleen naar zijn godheid, maar ook naar zijn mensheid alomtegenwoordig was, omdat zijn menselijke natuur ging delen in de eigenschappen van de goddelijke natuur. Luther had die theorie nodig voor zijn avondmaalsleer. Volgens Luther is Christus bij het avondmaal lichamelijk aanwezig in brood en wijn. Christus zegt immers bij de instelling van het avondmaal: "Dit is mijn lichaam"? Maar het brood kan alleen echt Christus' lichaam zijn, als Christus ook lichamelijk in dat brood aanwezig is. Zo werkt Luthers avondmaalsleer dus door in zijn hemelvaartsleer.
Terecht verzet de Catechismus zich tegen deze opvatting van Jezus' hemelvaart. Zo wordt het immers onmogelijk de Schrift na te spreken, die zegt dat Christus door zijn hemelvaart van ons scheidde. Maar door daar het accent op te leggen roept de Catechismus wel weer nieuwe problemen op. De Catechismus voelt blijkbaar zelf ook nattigheid, en stelt bijvoorbaat maar de vraag, of zo de twee naturen van Christus niet gescheiden worden. En het antwoord luidt dan, dat de godheid van Christus alleen maar een groter bereik, een grotere actie radius heeft dan zijn mensheid. Maar dat betekent nog niet, dat godheid en mensheid dan gescheiden zouden worden. Om de redenering van de Catechismus even met een voorbeeld duidelijk te maken: Als je iemand wel een hand kunt geven, maar geen zoen, omdat diegene daarvoor tever wegstaat, dan betekent dat toch nog niet dat je hand van je mond gescheiden is? Je hand heeft nu één keer een groter bereik dan je mond. Zo heeft ook Christus' godheid een groter bereik dan zijn mensheid: naar zijn godheid is hij alomtegenwoordig, maar naar zijn mensheid niet. Naar zijn mensheid blijft Hij plaatsgebonden, in de hemel. Maar dat hoeft daarom toch nog niet te betekenen dat zijn godheid en zijn mensheid van elkaar gescheiden zijn?
Een heel verhaal over een theologenprobleem. Maar ik besteed er toch aandacht aan (tegen goeie adviezen van handboeken voor de catechismusprediking in, zo van: Val je gemeente asjeblieft niet lastig met dit soort dogmatische hoogstandjes) omdat ik dit dus niet een typisch theologenprobleem vind. Want het punt waar het hier om gaat is dit: Kunnen wij nog wel echt contact met Jezus hebben sinds Hij van ons scheidde in zijn hemelvaart? Met Jezus. Gewoon Jezus. Niet Jezus naar zijn godheid, Jezus. Jezus. Bij die naam kun je je iets voorstellen: een concreet persoon. De Catechismus gaat een beetje de kant op, dat wij hier op aarde, sinds de hemelvaart, niet meer te maken hebben met die concrete Jezus van Nazaret, maar alleen nog maar met de Zoon, de tweede persoon van de drieëenheid.
De Catechismus zegt ook in antwoord 49 dat wij door Christus' lichamelijke hemelvaart ons vlees in de hemel hebben tot een onderpand. En dat is natuurlijk niet niks. Als wij in Hem ons vlees in de hemel hebben, dan betekent dat, dat ook wij lichamelijk zullen delen in het eeuwige leven. Wij zullen ook lichamelijk zijn in Gods nabijheid, zoals Hij dat nu al is. Want Hij ging heen om ons plaats te bereiden, opdat wij eens zouden mogen zijn waar Hij al is (Joh.14,2.3). Hij is onze erfenis in de hemel (1Pt.1,5).
Maar moeten wij, zolang het voor ons zover nog niet is, het hier op aarde slechts met zijn godheid doen? Dat zou betekenen dat er geen verschil zou zijn tussen mensen die leefden voor Jezus komst naar de aarde en mensen die leven na zijn gang naar de hemel. Voor zijn menswording was Christus naar zijn godheid toch ook al alomtegenwoordig? Wat maakt het voor ons leven van nu, hier op aarde, dan uit, dat Jezus mens geworden is? Door zijn hemelvaart is dan immers elke vorm van contact met Jezus Christus uitgesloten, en is Hij weer bij ons zoals Hij altijd al naar zijn godheid alomtegenwoordig was?

Maar zo is het dus niet! Want de Here zegt tegen Maria van Magdala, die nog steeds stond te huilen bij het lege graf: "Houd Mij niet vast, want Ik ben nog niet opgevaren naar de Vader". Vaak worden die woorden zo uitgelegd, alsof er stond: "Houd Mij niet vast, want ik moet opvaren". Maria zou Jezus dan, door Hem te omhelzen, tegenhouden ten hemel te varen. Ik stelde mij dat als kind zo voor, dat Jezus al bezig was op te stijgen, maar dat Maria Hem nog snel bij de voeten greep en Hem weer naar beneden trok. Maar er staat niet: "Houd Mij niet vast, want Ik moet opvaren", maar: "Houd Mij niet vast, want Ik ben nog niet opgevaren". En dat is heel wat anders. Jezus wil maar zeggen: “Zolang ik nog niet opgevaren ben, kun je Mij niet echt vasthouden. Het feit dat Ik nog hier op aarde ben is een belemmering voor werkelijk contact. Daarom moet Ik eerst heengaan. Dan pas kan Ik je werkelijk houvast geven. Pas door mijn hemelvaart kun je gemeenschap met Mij hebben, op een wijze die veel verder gaat dan tot nu toe mogelijk was”.

Is dat niet een beetje onzin: dat er pas doordat Jezus van ons scheidt van gemeenschap met Hem sprake kan zijn? Toch niet. Jezus keert na zijn opstanding niet in zijn oude leven van rondreizend rabbi terug. Maria van Magdala hoopte daar wel op, getuige haar uitroep: "Rabboeni"!, meester! Ze zag het al helemaal voor zich: Hoe zij weer met Jezus door de steden en dorpen van Galilea en Judea zou trekken. Hij zou weer weldoen de mensen die Hem tegenkwamen, en zij zou weer voor Hem mogen zorgen met hetgeen zij bezat (Lc.8,2.3). Maar dan zegt Jezus: "Nee! Ik wil niet de Heiland zijn van die enkeling die Mij tegenkomt, die enkeling die zich een vliegreis naar Palestina kan permitteren. Ik vaar op naar mijn Vader en uw Vader, naar mijn God en uw God". Het is, zoals Luther zegt in één van zijn preken: "Christus is opgevaren, omdat Hij daar het meeste kan doen. Daarvandaan kan Hij de hele wereld regeren. Was Hij zichtbaar op aarde gebleven, dan had niet iedereen bij Hem kunnen komen, niet iedereen naar Hem kunnen luisteren. Maar Christus wilde met alle mensen, van alle plaatsen en alle tijden, van doen hebben. Hij wilde bij iedereen zijn. Daarom is Hij opgevaren". En zo is het. In de hemel is Jezus ons meer nabij dan Hij ons op aarde ooit kon zijn.
Want de hemel, dat is geen plaats buiten de wereld, bij de geschiedenis, buiten de schepping. Nee, God heeft, met de aarde, ook de hemel geschapen (Gen.1,1), als zijn troonzaal. Zoals het heilige der heiligen in de tabernakel of in de tempel wel verborgen bleef achter het voorhangsel, de plek waar zijn troon stond, de ark, maar toch niet buiten de tempel viel, maar er juist het centrum van vormde, zo is ook de hemel geen plek buiten de schepping, buiten de geschiedenis, buiten het wereldgebeuren, maar juist het centrum van alles wat er in de schepping gebeurd. Dat regeringscentrum is Jezus binnengegaan, toen Hij bij zijn hemelvaart door het voorhangsel, en een wolk Hem onttrok aan onze ogen. Maar dus niet aan deze wereld! Jezus onttrok zich niet aan deze wereld, aan ons lijden, aan onze dood, Hij gaat er, met zijn opstandingslichaam, juist middenin staan. Hij gaat niet Zichzélf veilig stellen, nee, Hij gaat nu ook óns veilig stellen. Heel de wereld betrekt Hij op zijn opstanding, tot Hij het voorhang van de wolken scheurt (Lied 300:2) en "het woord werkelijkheid wordt, dat geschreven is: De dood is verzwolgen in de overwinning" (1Kor.15,53). Tot die tijd geeft Hij ons zijn Geest, de Trooster, als tegenpand, die ons oog richt op Jezus, de Leidsman en Voleinder des geloofs,
die ons doet geloven bij de klippen op,
die voor ons pleit, als wij wel weten wat we bidden zullen: "Here Jezus, hoelang nog, kom", maar er de woorden niet voor kunnen vinden (Rom.8,26).

Eigenlijk komt heel Zondag 18 hier op neer:

Hij is hier wél, want Hij is opgevaren.

Amen.