Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Het gevoeligste gebod
titel : Het gevoeligste gebod
datum : 2 maart 2008
volledige onderwerp : Zondag 44
Download deze preek.

Preek over HC zondag 44 (GZR, 2-3-08)

Ps.27:3
L Ps.62
Ps.131
T HC zondag 44
Ps.73:10,11
Ps.84:1,5 (na apostolische geloofsbelijdenis)
Lied 158:1,3,4 (na collecte)

Gemeente van de Here Jezus,

De hel, dat is: de anderen. Zo luidt een gevleugeld woord uit een toneelstuk van Jean-Paul Sartre: “L’enfer, c’est les autres”. Wat Sartre er zelf mee bedoeld heeft kan ik alleen aar naar raden, omdat ik het toneelstuk zelf niet gelezen heb. Maar het lijkt een uitspraak van iemand die een diep wantrouwen koestert tegen zijn medemens. Zoals een oud-minister eens gezegd heeft: “Frankrijk is een prachtig land, maar er zouden geen Fransen moeten wonen”, zo lijkt Sartre te zeggen: “Mens zijn is prachtig, maar je zou geen medemensen moeten hebben”. Dat hete mensenleven soms een hel wordt, ligt dan altijd aan de anderen. Ik ben de hemel, maar de anderen maken er een hel van.

De Catechismus lijkt precies naar de andere kant door te slaan. De hel, dat ben ik. L’enfer, c’est moi. In mijn hart mag zelfs de geringste neiging of gedachte die tegen enig gebod van God ingaat nooit meer komen. Maar van die neigingen en gedachten raakt ons hart nooit helemaal vrij. Zelfs als er een klein begin van gehoorzaamheid in ons hart is, dat kleine begin is vaak niet meer dan een ernstig voornemen om naar alle geboden van God te leven. Maar het blijft vaak bij goede voornemens. Want diep in ons hart woont nog haat tegen God en de naaste. Juist het tiende gebod maakt ons daarvan bewust. God veroordeelt niet alleen de zondige daad, maar ook de zondige gedachte die aan die daad voorafgaat, zelfs als je je op tijd weet te beheersen. Als je daarvan bewust wordt, besef je dat je nog steeds het eeuwige oordeel verdient en dat er nooit een moment komt dat je je leven niet langer buiten jezelf, in Jezus Christus hoeft te zoeken.

Toch is er in deze uitleg die de catechismus aan het tiende gebod geeft wel één heel belangrijk woord uit het tiende gebod verdwenen: Zet je zinnen niet op het huis, de vrouw, het rund, de ezel van je naaste. De Catechismus lijkt te zeggen: laten we het over die naaste maar niet hebben, zolang je je handen nog vol hebt aan jezelf. Als je met één vinger naar je naaste wijst, wijs je met vier naar jezelf.
Maar hoe waar dat ook is: heft de balk in je eigen oog de splinter in het oog van de naaste op? Valt tegen de balk in je eigen oog de splinter in het oog van de naaste weg?
Het tiende gebod vraagt er toch aandacht voor dat juist het huis van je naaste, de vrouw van je naaste, het rund en de ezel van je naaste je een doorn in het oog kunnen zijn.

Hoe goed het ook is om naar jezelf te kijken, wij kijken niet alleen naar onszelf. We zien niet alleen hoe het met onszelf gaat, maar we zien ook hoe het met een ander gaat. We gaan vergelijken en heel vaak valt die vergelijking in ons nadeel uit. Het gras van de buurman is altijd groener.
God heeft het tiende gebod ingesteld, omdat Hij weet dat dat bij ons zo werkt. Hoe wij het geluk dat Hij ons gunt vergallen door het steeds naast dat van een andere te leggen. Dan zeg God niet: “Gij zult niet begeren, punt uit”. De tien geboden verdienen een vriendelijker vertaling. Doodslaan, echtbreken, stelen, liegen, begeren, dat moet je niet doen. Steeds je zinnen zetten op wat een ander wel heeft en jij niet, wat een ander niet heeft en jij wel, doe dat nou niet.

“Je zinnen zetten op”, dat klinkt wat actiever dan: “begeren”. En terecht. Om het met een wat ouderwets woord te zeggen: het gaat hier om een gemoedsbeweging. Gedachten die je zinnen beheersen, zodat je handen jeuken. Met het tiende gebod slaat God die gevoelens niet plat, maar Hij wil ze tot rust brengen. In het tiende gebod blijkt dat God zich niet alleen bekommert om onze welvaart, maar ook om ons welzijn. Het is het meest pastorale van de tien geboden. Het is het gebod waarin God aan zielszorg doet. De begeerten die ons onrustig maken, Hij heeft daar verdriet om en zegt tegen ons: “Zo moet je niet denken, zo hoef je je niet te voelen”.

Merkwaardig. Want het tiende gebod staat bij ons niet bekend als het meest zachte, maar als het meest harde, niet als het meest liefdevolle, maar als het meest gestrenge.
Nu, die kant heeft het tiende gebod ook. Jezus heeft het tiende gebod zo toegepast, toen Hij zei: “Iedereen die naar een vrouw kijkt en haar begeert, heeft in zijn hart al overspel gepleegd” (Mt.5,28). Zo ontmaskerde Hij zijn geloofsgenoten, die om hun voorbeeldige gezinnetjes zich ver verheven voelden boven prostituees en om hun keurig ingevulde belastingformulieren een diepe minachting voelden voor tollenaars. Dan zegt Jezus: “Jullie lijken op witgepleisterde graven, die er vanbuiten wel fraai uitzien, maar van binnen vol zitten met precies diezelfde onreinheden” (Mt.23,27). Maar het was niet zijn bedoeling om mensen die echt en van harte God proberen te dienen de put in te praten, alsof eigenlijk iedereen ten diepste een moordenaar, een echtbreker of een dief is. Zeker, die moordenaar, die echtbreker, die dief woont in ons. Maar het feit dat God de zondaar in ons aanspreekt, toont juist aan dat Hij die in zijn liefde zoekt.

Gij zult niet begeren het huis, de vrouw, het rund, de ezel van uw naaste. Door ook dit gebod te geven laat God zien dat Hij weet dat het geluk van de ander ons ongelukkig kan maken.
Vooral als het geluk van die ander buiten onze eigen mogelijkheden ligt. Dan zijn we dodelijk jaloers.
Maar het tiende gebod gaat ook over de gevoelens van mensen die wél de mogelijkheid hebben om te kopen wat een ander heeft. Dan hebben we het niet over de jaloezie van de armen, maar over de verveling van de rijken. In het welvarende Nederland leidt dat tot imitatiegedrag, waardoor iedereen met dezelfde nutteloze spullen rondloopt, omdat dat nu eenmaal zo hoort. Je kunt geen kind meer zijn zonder mobieltje.
Zelfs uiterlijk willen we steeds meer op elkaar gaan lijken. Onlangs werden de resultaten van een onderzoek bekendgemaakt dat seksistische videoclips niet zozeer tot gevolg heeft dat jongens zich als pooiers gaan gedragen, als wel dat meisjes zich laten pimpen. Aan meisjes met een heel eigen uitstraling gaat het vreten dat ze er niet zo verleidelijk uitzien als de dames uit die clips.
Maar ook het lichaam van Christus wordt aangevreten door schoonheidsidealen die ons van elders voorgespiegeld worden. Het feit dat wij een heel eigen gezicht hebben pleit ineens tegen ons. Zijn wij wel aantrekkelijk genoeg voor de wereld? Zou onze gemeente ook niet een extreme make-over moeten ondergaan om in de smaak te vallen, zo niet bij anderen, dan wel bij onszelf?
We kunnen steeds minder goed omgaan met de verschilen tussen onszelf en anderen. We hebben geen oog meer voor de schoonheid van onze eigenheid.. We snakken wel naar echtheid, maar worden in de praktijk steeds minder authentiek. Mijn kind mag niet anders zijn dan de kinderen van anderen. Ik mag niet anders zijn dan mijn vrienden. Juist het feit dat we zoveel kunnen veranderen aan lichaam en ziel wekt het verlangen om daar dan ook aan te gaan werken: “Zoek hulp!”, … die je vervolgens moe bijbrengen dat je er zó mag zijn.

In deze wereld van ons, waarin we allemaal achter idealen aanjagen die we niet bereiken, spreekt God zijn bevrijdende gebod: Zet je zinnen niet op het huis, de vrouw, de werktuigen (rund), de vervoermiddelen (ezel) van je naaste. Hou daar toch mee op, om je eigen waarde altijd af te meten aan een ander. Wijs niet langer met één vinger naar de ander, misschien kun je dan ook ophouden met vier vingers naar jezelf te wijzen. Open je vijf vingers naar God toe.

Psalm 62 zegt: “Waarlijk, mijn ziel, keer je stil tot God”. Dat is niet helemaal hetzelfde als wat de Nieuwe Bijbelvertaling ervan maakt: “Zoek rust, mijn ziel, bij God alleen”. Want je stil tot God keren kan ook betekenen dat je zwijgend Gods nabijheid zoekt. Juist door te ervaren hebt hoe goed het is om alleen al nabij God te zijn, kun je ertoe komen dat je tegen jezelf, kun je tegen God zegt: “Wie buiten u heb ik in de hemel? Naast u wens ik geen ander op aarde” (Ps.73,25). Zo is mijn leven goed. Want het is een leven met U.

De reden waarom de dichter van Ps.62 zijn ziel bij God tot stilte moest brengen blijft wat vaag. Hij klaagt: “Durven jullie wel, met z’n allen tegen één?” Maar even later blijkt dat hij zich vooral opgejaagd vóelt, door mensen die hem met de mond zegenen en met ’t hart vervloeken (vs.5). Of heeft hij het gevoel dat ze op hem neerkijken omdat hij het in het leven niet zo gemaakt heeft als zij. Waarom begint hij ander in vers 11 over vertrouwen op geld en goed (vs.11)?

Ik moet, als ik Ps.62 lezen denken aan de romancyclus Het Bureau, van J.J. Voskuil. Daarin wordt het weinig opzienbarende leven gevolgd van een man op een kantoor. Toch is het levensrefrein van die man: “Hij voelde zich bedreigd”. Dat lijkt wat overdreven, want waardoor wordt Maarten Koning nu precies bedreigd? Toch vooral dat hij de verwachtingen van zijn collega’s niet kon waarmaken, omdat hij helemaal geen behoefte heeft om carrière te maken. Toch zou Maarten Koning zich wel herkend hebben in die kreet van Sartre: De hel, dat is je naaste.

De enige die dat echter met recht kon zeggen is Jezus Christus. Voor Hem zijn zijn naasten de hel geworden. Omdat Hij Zich niet geroepen wist aan de verwachtingen van mensen te beatwoorden, maar aan die van God alleen was het: “Weg met Hem! Kruisig Hem!”. Misschien moet je wel zeggen dat de teleurstelling van mensen over God zich op Jezus ontlaadde.
En God greep niet in. Mensen móchten teleurstelling over Hem op zijn Zoon verhalen. Want ondertussen ontlaadde God op Jezus zijn teleurstelling over ons, die nooit genoeg aan Hem hebben. Verbijsterd vragen we ons af, als we zien hoe we Jezus behandeld hebben: “Wat hebben we gedaan?” En God antwoord: “niets”.

Ps.62 eindigt met de woorden: “Eenmaal heeft God gesproken, tweemaal heb ik het gehoord: “de macht is aan God”. Wanneer was de eerste keer, wanneer de tweede keer? Laten we het er maar op houden dat “eenmaal” slaat op het oude testament en “tweemaal” op het nieuwe testament. Dat is de boodschap van de schriften: “de macht is aan God”. Maar je vraagt je af, als je Christus aan het kruis ziet hangen: “Macht? Is dat macht?” Of ben je pas werkelijk machtig als je zwak kunt zijn als Hij? Moeten wij zo “machtig” ook worden? Moeten onze begeerten met Hem het graf in, om met Hem op te staan in een nieuw leven? Ik denk dat Paulus dat bedoelt, als hij ergens schrijft: “Wie Christus Jezus toebehoort, heeft zijn eigen natuur met alle hartstocht en begeerte aan het kruis geslagen. Wanneer zijn Geest ons leven leidt, laten we dan ook de richting volgen die de Geest ons wijst. Laten we elkaar niet uit eigenwaan de voet dwarszetten en elkaar geen kwaad hart toedragen” (Gal.5,24).

“Bij u, Heer, is ontferming, u beloont ieder mens naar zijn daden”, bidt Ps.62. Wanneer beloont God ieder mens naar zijn daden? Na dit leven? Zeker. Maar ook al in dit leven. Kunnen we het hebben als God ieder mens op zijn eigen manier beloont? De dichter van Ps.62 lijkt het de ander ineens te gunnen als bij die andere geld en goed groeien en bij hemzelf niet. Ook al kan hij het niet nalaten te zeggen: “zet je hart er niet op, houd je hart ervan vrij”. Wie zijn ziel stil tot God gekeerd heeft, blijft ook rustig als God met je naaste een andere weg gaat dan met jou.

Het tiende gebod is het laatste van de tien geboden. Maar het werpt ons niet op onszelf terug. Het brengt ons terug bij God. We mogen weer vooraan beginnen met het lezen van de wet, die opent met de zin: “Ik ben de Here, jóuw God, die je uit Egypte, uit de slavernij heeft bevrijd”.

Amen.