Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Het evangelie staat in de sterren.
titel : Het evangelie staat in de sterren.
datum : 9 juli 2006
volledige onderwerp : Zondag 09
Download deze preek.

Preek over Zondag 9 HC (Grijspkerk/Niezijl, 26-9-’98; bewerkt voor GCS, 16-10-05; GZR, 9-7-06; opnieuw bewerkt voor Den Ham, 21-4-13)

Ps.8:1,3
L Jes.40,12-31
Ps.147:2
T HC zondag 9
Lied 30:5,6
Gez.179b
Ps.136:1,4-8,18,21 (beurtzang) (na collecte)

Gemeente van Jezus Christus,

Vandaag is het zondag, dag van de zon, morgen is het maandag, dag van de maan, en over zes dagen is het zaterdag, dag van de planeet Saturnus. Het lijkt of onze dagen genoemd zijn naar hemellichamen. Maar dat is niet zo. Ze zijn genoemd naar goden. Dat blijkt uit de namen van de andere dagen van de week, die genoemd zijn naar goden van onze Germaanse voorouders: dinsdag, genoemd naar Tius, vergelijk het Friese tiisdei: Tiusdag, woensdag genoemd naar Wodan, vergelijk het Engelse wednesday: Wodansdag, en donderdag, genoemd naar Donar, de god van de donder. Zon, maan, sterren en planeten werden dus als goden vereerd.
Eigenlijk is het helemaal niet zo vreemd om de hemellichamen te zien als goden. Wie kent niet die huivering als je in een heldere nacht naar boven kijkt, en je ziet de melkweg zich boven je hoofd uitstrekken?
Ik kan me de tijd herinneren dat ik dat gevoel van huivering over de grootheid van het heelal nog níet kende. Wij hadden in de zesde klas van de lagere school een taakverlichter die ons van alles vertelde over ons zonnestelsel. Op een avond kwam de plaatselijke sterren¬wacht langs met sterrenkijkers die ze op het schoolplein neerzetten. De ene telescoop stond gericht op de maan, en je kon er alle kraters door zien. De andere stond gericht op Saturnus. Meester had ons al verteld dat die planeet ringen had. Nu konden we ‘t ook echt zien. Geweldig was dat! We leerden de namen van alle planeten, en na schooltijd maakten mijn vriendje en ik een zonnestel¬sel op schaal: Mercurius en Venus, wat kleiner dan de aarde, en Jupiter en Saturnus weer wat groter, met ringen. Wij wilden allebei meteen ook lid van de sterrenclub worden, maar daar kwam niks van in.
Ik verloor al snel mijn interesse voor de sterren. Mijn vriendje niet. Die haalde ‘t ene boek na ‘t andere uit de bieb. Hij vertelde mij van zwarte gaten, opgebrande sterren die in elkaar geploft waren. Zwarte gaten hadden zó’n grote zwaartekracht dat ze zelfs ‘t licht opslokten. Daar moest de aarde dan maar niet te dicht bij in de buurt komen, bij zo’n zwart gat, vond ik. Maar daar was mijn vriendje ‘t niet mee eens. Want er waren geleerden die zeiden dat je via zo’n zwart gat door de tijd kon reizen. “Ach, dat kan toch alleen maar in Suske en Wiske, met de teletijdma¬chine van professor Barabbas, maar toch niet in ‘t echt?” “Nou, dat moet je niet zeggen”, zei m’n vriendje, “want als je naar de sterren kijkt, kijk je ook al terug in ‘t verleden”. “Hè?” Meester had ons natuurlijk wel verteld van sterren die zoveel miljoen lichtjaren bij ons vandaan staan. “Nou, dat betekent dan toch ook, dat als dat licht er zoveel miljoen jaar over gedaan heeft om ons te bereiken, dat wij dus ook zoveel miljoen jaar in de tijd terugkijken? ‘t Kan best zijn dat wij licht zien van sterren die allang opgebrand zijn. Dan kijken wij dus terug in ‘t verleden. Wij zien sterren van miljoenen jaren geleden!”, zei mijn vriendje triomfantelijk. Ja, dat had meester er niet bij verteld...
Sinds die tijd wilde ik niks meer weten van de sterrenhemel. ‘t Maakte me bang. Helemaal als ik mijn eigen levenstijd vergeleek met de tijd die het licht van één enkele ster er over doet om mij te beschijnen: miljoenen jaren. Kan dat wel? Waren de sterren er toen al wel? Ik had altijd geleerd dat de wereld maar een paar duizend jaar oud is. Dat heeft ook iets veiligs. Een paar duizend jaar, dat is nog te overzien, maar miljoenen jaren? Wat stelt een mensenleven, zeventig, tachtig jaren, dan nog voor? Het is als niets. Ik voelde mij voor ‘t eerst een druppel in een emmer, een stofje op de weegschaal, zoals Jesaja dat noemt.

En toch zegt de Here bij monde van Jesaja: “Kijk omhoog”. Waarom? Waarom moeten wij omhoog kijken? Worden we daar dan beter van? Zegt de Bijbel zelf niet: “De hemel is de hemel van de HEER, de aarde heeft Hij aan de mensen gegeven” (Ps.115,16)? Hebben wij aan ons leven hier op aarde al niet de handen vol? Ons aardse leven is al ondoorzichtig genoeg. Wij missen het overzicht al over alles wat er hier op aarde gebeurt. Wij kunnen onze eigen levensloop al niet overzien. Wat zullen wij dan naar de hemel staren? Zou niet tegen alle sterrenwachters gezegd moeten worden wat die beide engelen tegen de apostelen zeiden die Jezus nastaarden toen Hij ten hemel voer: “Wat staan jullie naar de hemel te kijken?” (Hnd.1,11)
Blijkbaar niet. Anders had de Here niet gezegd: “Kijk omhoog”. Blijkbaar staat het evangelie al in de sterren geschreven.

Wat voor evangelie valt daar dan te lezen? Jesaja zegt: “Kijk omhoog: wie heeft dit alles geschapen?” Ja, God. Tenminste, dat geloven wij toch? God heeft alles geschapen. Maar is dat nou evangelie: te weten dat God alles geschapen heeft?
Nee, op zich niet. Op zich. Wij kunnen de evolutietheorie wel afwijzen, omdat wij geloven dat Gód alles geschapen heeft, maar wat maakt dat op zich uit? Wij kunnen in onze bestrijding van de evolutietheorie nog een stapje verder gaan, door niet alleen te belijden dát God alles geschapen heeft, maar ook hóe God alles geschapen heeft, nl. niet in zoveel miljoen jaar, maar in zes dagen, niet via geleidelijke ontwikkeling, maar ineens, maar wat maakt dat uiteindelijk nou uit? Wat heb ik aan kennis over een grijs verleden voor mij leven van nú? Zolang alle discussies over schepping en evolutie slechts gaan over de vraag hoe het ooit precies gegaan is, hebben ze weinig met het evangelie te maken. Wat zegt het mij dat God in het verleden de Schepper was als die Schepper niet in het heden mijn Vader is? Geloof gaat niet over toen, maar over nu. En geloven in de God van toen geeft alleen maar zin als Hij ook de God van nu is. Als Hij nog steeds dezelfde is.
Wij geloven niet in de schepping sec, op zich, als een losstaand feit, maar wij geloven, zoals de Catechismus zegt in Zondag 9, dat de God die hemel en aarde, met al wat erin is, uit niets geschapen heeft, ze nog steeds door zijn eeuwige raad en voorzienigheid onderhoudt en regeert, en dat die almachtige Schepper míjn Váder ís. En al op de eerste bladzijde van de Bijbel leer ik maar niet een Schepper uit een grijs verleden kennen, maar mijn Vader. Een God die schept als een Vader.
Genesis 1 staat niet in de Bijbel om ons eens te informeren over hoe de schepping precies in zijn werk ging. Zoals artikel 7 van de NGB zegt: “Wij geloven dat de Heilige Schrift de wil van God volkomen bevat en voldoende leert al wat de mens moet geloven om behouden te worden”. De Schriften zijn er om ons wijs te maken tot zaligheid, en niet om ons van alles en nog wat wijs te maken dat wij helemaal niet nodig hebben om behouden te worden. God vertelt ons in zijn woord zó over de schepping, dat dat feít ons tot evangélie wordt, tot een blijde boodschap. Hij vertelt ons niet hoe Hij precies te werk gegaan is, want dat gaat ons begrip verre te boven. En alle ontdekkingen die er in de laatste paar eeuwen gedaan zijn, ontdekkingen tot in het hele grote: dat de zon niet om de aarde draait, maar de aarde om de zon, de ontdekking van andere melkwegstelsels, veel groter dan het onze, ontelbaar veel lichtjaren bij ons vandaan, en ontdekkingen tot in het hele kleine: het atoom, een zonnestelseltje op zich, met een kern waaromheen weer elektronen draaien, al die ontdekkingen, ze bepalen ons er temeer bij hoe ontzagwekkend Gods scheppingswerk is, en hoe onbegrijpelijk. Hij vertelt ons niet hoe Hij precies te werk gegaan is, maar hoe wij naar dat werk van zijn handen moeten kijken. Hij leert ons zo tegen de schepping aan te kijken, dat wij er doorheen kunnen kijken, dat wij er moed uit kunnen putten, dat wij er iets van begrijpen.
God past Zich aan het bevattingsvermogen van zijn kinderen. Dat wist u allang, want elke zondag horen we weer in het tweede gebod hoe God zijn volk verbied beelden te maken van wat in het water onder de aarde is. Dat veronderstelt een wereldbeeld waarbij de aarde een platte schijf is die op water drijft: wateren onder de aarde. Wij weten dat dat niet klopt, maar waarom zou de Here zijn oude verbondsvolk daarmee vermoeien? Nu, zo is het ook met Genesis 1. Ik ga met u, omwille van de tijd, niet heel Genesis 1 bij langs. Ik trek alleen een hoofdlijn, en bespreek daarbij ter illustratie twee van de zes scheppingsdagen, de tweede en de vierde.
In Genesis 1 zien we God toewerken naar de schepping van de mens, als kroon van de schepping. Voor die mens bouwt God een huis. Hij maakt orde in de onbewoonbare chaos van een aarde die woest en ledig was. Daartoe maakt God dan op de tweede dag een gewelf dat scheiding maakt tussen water boven het gewelf en water onder het gewelf. Een gewelf. Vroeger stond er: het uitspansel. Wat is dat nou? Er wordt vaak gezegd: dat is de blauwe lucht, waar wolken onder langsdrijven. Maar dat klopt niet. Er wordt in Genesis 1 niet gesproken van wateren ónder aan het uitspansel, maar van wateren bóven het uitspansel. Dat veronderstelt een wereldbeeld waarbij over de aarde een massieve hemelkoepel staat. Op die hemelkoepel drijft water. En als het regent, dan staan de sluizen in de hemel open (Genesis7,11; 2Kon.7,2.19. Laten we elkaar niet voor de gek houden: zo’n hemelkoepel is er niet. Wie dus meent dat in Genesis 1 precies beschreven wordt hoe de schepping in zijn werk ging, loopt bij de tweede dag al vast.
Nu kun je twee dingen doen: Of je zegt: Dat wereldbeeld van Genesis 1 is allang achterhaald door de moderne wetenschap, of je zegt: Genesis 1 bedoelt helemaal geen wetenschappelijke beschrijving van Gods scheppingswerk te geven. God wil ons juist inzicht geven in de ons bekende wereld. Hij wil ons de orde en het doel van de schepping laten zien, zodat wij door de bomen het bos weer kunnen zien.
Laten we in die lijn ook eens kijken naar de vierde scheppingsdag. Daar horen we God zeggen: “Er moeten lichten aan het hemelgewelf komen om de dag te scheiden van de nacht. Ze moeten de seizoenen aangeven en de dagen en de jaren, en ze moeten dienen als lampen aan het hemelgewelf, om licht te geven op de aarde”. En zo gebeurde het. God maakte de twee grote lichten, het grootste om over de dag te heersen, het kleinere om over de nacht te heersen, en ook de sterren.
Moet u zich eens proberen in te denken hoe dat overgekomen is in de tijd dat het scheppingsver¬haal op schrift werd gesteld. Zon, maan en sterren waren goden. Wij horen dat nog terug in onze dagaanduidingen en in de namen van de andere planeten van ons zonnestelsel, vernoemd naar Romeinse goden: Mercurius, Venus, Mars, Jupiter, Saturnus, Uranus, Neptunus, Pluto, of van sterrenbeelden, b.v.: Castor en Pollux. Wat zegt Genesis 1? Geen goden, maar lichtjes aan het gewelf. Ze worden niet eens met name genoemd: het grote licht, dat is de zon, en het kleine licht, dat is de maan. God hangt ze aan het hemelgewelf. Dat roept een beeld op waar wij ons iets bij kunnen voorstellen. Vergelijk het met lampen ophangen in je nieuwe huis. Zo hangt God ook lampjes aan het plafond van het uitspansel. Een grote hanglamp voor overdag en een spotje voor ‘s nachts, en ook de sterren. Waarvoor? Ze moeten de seizoenen aangeven en de dagen en de jaren.
Goed, maar dat had God toch niet nodig? God weet toch wel hoe laat ‘t is? Ja, God wel, maar de mens niet. God denkt al in het voren. Hij bereidt de komst van de mens voor. En als die straks op het toneel komt, dan moet die ook weten hoe laat ‘t is. Die mag niet verdwalen in het donker. God licht ons bij. Hij dacht al aan de zeevaarders, en hing bakens in de lucht waaraan ze zich zelfs op volle zee, in het holst van de nacht konden oriënteren: de sterrenbeel¬den.
God schept als een echte Vader. Alles draait in zijn schepping om de mens. Zelfs die zonnestel¬sels die miljoenen lichtjaren bij ons vandaan staan. God gooit ons wereldbeeld helemaal om. De moderne wetenschap zegt: de aarde draait om de zon. De gelovige zegt: De zon draait om de aarde. Wij, stipjes op een speldenknop die met een duizelingwekkende vaart door een uithoek van een onmetelijk heelal razen, het draait allemaal om ons.
Dat is nogal gedurfd. En dan druk ik ‘t nog zacht uit. Genesis 1 staat totaal haaks op onze ervaring. En moderne theologen die beweren dat wij in Genesis 1 te maken hebben met de ervaringen van mensen hebben er weinig van begrepen. Zeker, God sluit wel aan bij ons voorstellingsvermo¬gen, maar doorbreekt dat vervolgens totaal. Zon, maan en sterren die buigen voor de mens? Dat had je gedroomd, zeiden Jakob en zonen tegen Jozef (Gen.37,7-11). Overweldigd door de grootheid van het heelal kennen wij eerder onze plaats. Dát is onze ervaring. En die ervaring van onze eigen kleinheid, die hebben we ook nódig. Wij moeten ons niks verbeelden. God zei tegen Job. “Kun jij de Plejaden aan banden leggen of de ketenen van Orion losmaken? Kun jij de dierenriem op tijd laten schijnen en de Grote Beer met haar jongen de weg wijzen?” (Job 38,31/2)
Jesaja zegt: “In zijn ogen zijn de volken als een druppel in een emmer, als een stofje op een weegschaal; Zie, volken zijn geacht als een druppel aan een emmer en als een stofje aan een weegschaal. Ze betekenen niets in zijn ogen, voor hem zijn ze minder dan niets. Hij troont boven de schijf van de aarde – haar bewoners zijn als sprinkhanen –, hij spreidt de hemel uit als een doek, spant hem uit als een tent om in te wonen. Met wie wil je mij vergelijken, zegt de Heilige, aan wie ben ik gelijk te stellen? Kijk omhoog: wie heeft dit alles geschapen? Hij laat het leger sterren voltallig uitrukken, hij roept ze bij hun naam, een voor een; door zijn kracht en onmetelijke grootheid ontbreekt er niet één”.
Hoog, Jakob, kijk omhoog, Israël. Waarom? Om te komen tot de belijdenis van Psalm 8: “Wat is de mens dat Gij zijner gedenkt, en het mensenkind dat Gij naar hem omziet”? Ja, ook daarom. Om onder de indruk te komen van de grootheid van God, en om onder de indruk te komen van onze eigen nietigheid. Wij zijn als niets in zijn ogen, sprinkhanen. Maar niet alleen daarom. Wij moeten vooral omhoog kijken om onder de indruk te komen van Gods genade, die sprinkhanen gedenkt, het mensenkind, waarnaar Hij in liefde omziet, zoals Hij naar de mens in liefde uitkeek in den beginne.
Hoog, Jakob, kijk omhoog, Israël. Waarom? Omdat zij zeggen: “Mijn weg blijft voor de HEER verborgen, mijn God heeft geen oog voor mijn recht”. God leek hen vergeten te zijn, daar in Babel. En van Gods beloften, dat Hij hen weer uit ballingschap en lijdensnacht thuis zou brengen, kwam maar niks terecht. Dan zegt de Here, door de dienst van Jesaja: “Kijk nou eens omhoog. Ik roep de sterren bij name, er blijft niet een achter. En Ik wordt er niet anders van”. De Here, Hij wordt niet vermoeid van zijn besturen van het heelal. Hij speelt ermee. Hij raakt moe noch uitgeput. Hoe zou Hij dan moe worden van jullie?, kleingelovi¬gen! Die wolken, lucht en winden wijst spoor en loop en baan, zal ook wel wegen vinden waarlangs uw voet kan gaan (Lied 427:1). Hij die het spoor van de sterren uitstippelt, hoe zou Hij jouw levenspaadje niet kunnen uitstippe¬len? Hij die de planeten in hun baan houdt, hoe zou Hij jou uit de bocht kunnen laten vliegen? Hij die de sterren bij name roept, en er blijft niet één achter, Hij heeft jou toch ook bij name geroepen, je bent toch van Hem, het eigendom van zijn Zoon Jezus Christus? Hoe zou Hij jou dan wel achter laten blijven?
Kijk dan omhoog in de nacht. Kijk naar de sterren als Abraham, gij volk uit Abraham gespro¬ten. Bedreigend? Nee: overweldigend! Zijn scheppingsmacht, tegelijk: zijn genademacht voor stofjes aan de weegschaal, druppeltjes aan de emmer. Overweldigd door de oneindigheid van het heelal kennen we onze plaats. Onze plaats in het heelal: die is klein, èn onze plaats bij God: die is groot. Hef uw ogen naar omhoog, zie jezelf maar staan in het spotlight van zon, maan en sterren, als tekenen van het feit dat jij het bent die in het middelpunt van Gods belangstelling staat.

En als dan iemand u vraagt: “Wat sta je daar naar de hemel te kijken?”, zeg dan maar: Vandaar zal Hij komen en ons voor altijd bij Zich nemen. Amen.