Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Eed en sacrament
titel : Eed en sacrament
datum : 21 november 2010
volledige onderwerp : Zondag 37
Download deze preek.

Preek over HC zondag 37 (GZR, 20-1-08; Bodegraven, 24-2-08; Den Ham, 19-11-10)

Ps.89:1,2,3
Gez.161:2,3,4 (in doopsformulier 3)
Ps.105:5 (na dopen Lars Huisjes)
L Jes.45,20-25
Lied 409:1,2,4
L Jak.5,7-12
T HC zondag (36&)37
Ps.55:7,8,9
Ps.132:5,7,9 (na collecte)

Gemeente van de Here Jezus,

Jansen: “Dat beloof ik”. Pietersen: “Zo waarlijk helpe mij God almachtig”. Klaassen: “Zo waarlijk helpe mij God almachtig”. Dirksen: “Dat beloof ik”. Bij de installatie van een nieuwe tweede kamer moeten alle 150 leden de zogenaamde zuiveringseed afleggen: dat zij niemand enige gift beloofd of gegeven hebben om benoemd te worden en dat zij van niemand enige gift of belofte zullen aannemen om iets in hun ambt te doen of na te laten.
Dat er een eed afgelegd moet worden laat zien dat het hier om een grenssituatie gaat. De overheid regeert bij de gratie Gods, maar is God zelf niet. Je zou op haar moeten kunnen vertrouwen, zoals je op God vertrouwt. Maar ieder weet dat mensen zo betrouwbaar niet zijn. De geschiedenis heeft geleerd dat mensen soms het overheidsambt bekleden om er zelf beter van te worden. Om dat wantrouwen bij voorbaat de kop in te drukken, vragen parlementariërs om een godsoordeel. Er is maar Eén die weet of de belofte die zij afleggen gemeend is of niet, en dat is Hij die als enige de harten kent. God is mijn getuige dat ik niemand enige gift beloofd of gegeven heb om benoemd te worden en dat ik van niemand enige gift of belofte zal aannemen om iets in mijn ambt te doen of na te laten. Hij mag mij straffen, als ik vals zweer.
Als mensen niet geloven in “God almachtig”, dan zullen we het met hun woord alleen moeten doen. Zij kunnen zich niet beroepen op een getuige die hun hart kent en hen zal straffen als hun belofte vals is. Ook al weet ieder dat macht het slechtste in mensen naar boven haalt, we kunnen niet anders dan maar aan nemen dat dat bij hen niet zo is.
Tenzij je natuurlijk ook van mensen die niet in God geloven toch vraagt dat ze een eed afleggen. Dat lijkt een vreemde gedachte, maar is het dat wel? Ook al hebben zij geen weet van God, God heeft wel weet van hen. Hij kent de motieven van mensen die een overheidsambt gaan bekleden. Als die zuiver zijn, kan God daar nog steeds voor instaan. Als die niet zuiver zijn, kan God hen daar nog steeds voor straffen.
In Nederland is echter het afleggen van de eed afhankelijk gemaakt van het geloof dat iemand erin heeft. Iemand die niet gelooft in “God almachtig”, hoeft zijn naam ook niet aan te roepen. Dat heeft wel tot gevolg dat installatie van een nieuw parlement een raar soort kijkspel geworden is. Wie zouden er de eed afleggen en wie niet? Je hoort soms parlementariërs een eed uitspreken van wie je dat niet zou verwachten. Kijk eens aan, Mark Rutte gelooft ook in God. Maar het omgekeerde komt soms ook voor. Toen een bekende christenondernemer voor een parlementaire enquêtecommissie moest verschijnen, legde hij niet de eed, maar de belofte af. Voor zijn geloofsgenoten was dat reden de vraag te stellen of zijn getuigenis dus wel betrouwbaar was. Durfde hij de straf van God niet over zich af te roepen, omdat zijn geweten niet zuiver was?
Ondertussen is er dus wel een verschuiving opgetreden in het gebruik van de eed. Veel mensen zien er niet meer een getuigenis voor de waarheid meer in, maar een getuigenis van iemands geloof. Als iemand verklaart: “Zo waarlijk helpe mij God almachtig”, dan blijkt daar niet uit dat hij de waarheid spreekt, maar dat hij christen is. Want gelovigen zweren, ongelovigen niet.

Uit zondag 37 van de Catechismus blijkt echter dat het niet altijd zo vanzelfsprekend geweest is dat gelovigen zweren en ongelovigen niet. Want als dat in de zestiende eeuw wel vanzelfsprekend geweest was, dan had de Catechismus echt geen aandacht aan de eed besteed. Er waren in die tijd echter gelovigen die weigerden de eed af te leggen. Dezelfde mensen die tegen de kinderdoop waren, waren ook tegen de eed. Of dat misschien iets met elkaar te maken heeft, daar kom ik zo wel op. Voor nu is het genoeg te constateren dat die zgn. wederdopers Jezus aan hun kant lijken te hebben. Jakobus herinnert in zijn brief immers aan de woorden van zijn broer uit de Bergrede: “Maar bovenal, broeders en zusters, zweer geen enkele eed, niet bij de hemel, niet bij de aarde, nergens bij. Laat uw ja ja zijn, en uw nee nee, anders zult u ervoor gestraft worden”. Je moet dus wel een heel goed verhaal hebben, als je, net als de Catechismus, volhoudt dat volgelingen van Jezus, wanneer de overheid dat van hen vraagt of in geval van nood, toch moeten zweren om daardoor trouw en waarheid te bekrachtigen.
Nu moeten we één ding niet vergeten en dat is dat de Catechismus de eed ter sprake brengt bij de behandeling van het derde gebod van de tien geboden: “Misbruik de naam van de HEER, uw God niet. Want wie zijn naam misbruikt, laat hij niet vrijuit gaan”. Of zoals het in de oude vertaling luidde: “Gij zult de naam van de HERE, uw God, niet ijdel gebruiken, want de HERE zal niet onschuldig houden wie zijn naam ijdel gebruikt”. Ook voor de Catechismus is het dus niet vanzelfsprekend dat christenen zweren. Niet voor niets beperkt de Catechismus het zweren van de eed tot grenssituaties: wanneer de overheid het van haar onderdanen vraagt of in geval van nood. Zolang er van zo’n grenssituatie geen sprake is, moet ook voor christenen het uitspreken van een belofte genoeg zijn. Want zweren is niet zomaar iets. Wie vals zweert moet zich goed realiseren dat hij zich daarmee het oordeel van God op de hals haalt. Mensen zeggen soms heel gemakkelijk, als hun iets gevraagd wordt: “Ik zou het bij God niet weten”. De Catechismus nodigt kinderen van God dus bepaald niet uit om, wanneer hun een vraag gesteld wordt, te antwoorden: “Ik zou het bij God niet weten”. Het blijft een beetje vreemd dat mensen die niet schromen om dat soort taal uit te slaan, in het parlement of voor de rechtbank ineens volstaan met een belofte, omdat ze helemaal niet geloven in “God almachtig”. Zo makkelijk mag juist een christen Gods naam dan ook nooit in de mond nemen. Wanneer in het parlement of voor de rechtbank het uitspreken van een belofte volstaat, zich serieus mogen afvragen of ze de eed nog wel willen afleggen. Want als het aanroepen van de naam van God allang niet meer bewijst dat je de waarheid spreekt, maar slechts dat je christen bent, dan zijn er wel andere manieren om je christen zijn te bewijzen. Juist christenen zouden bekend moeten staan als mensen wier ja ja en wier nee nee is. Als dat niet zo is, dan verandert een eed daar niets meer aan; ja, maakt het aanroepen van de naam van God het alleen maar erger.
Daarmee zeg ik niet dat de Catechismus in zijn tijd een verkeerd signaal afgaf. Want ten diepste was het motief van de wederdopers om niet te zweren níet dat Jezus en Jakobus gezegd hadden je helemaal nergens bij moest zweren. Daarónder lag het bezwaar dat het Koninkrijk der hemelen en het Koninkrijk der Nederlanden door het zweren van een eed door elkaar raakten. Gods naam is te heilig, groot en goed om die in verband met te brengen met dingen die onheilig, klein en slecht zijn. Gebruik zijn naam slechts in verband met geestelijke zaten en niet in verband met aardse zaakjes. Wij zijn burgers van een rijk in de hemel en van daar verwachten wij onze redder, de Heer Jezus Christus, zegt de apostel Paulus ergens (Flp.3,20). Sta dus niet met je ene been in het Koninkrijk der hemelen en met je andere been in het Koninkrijk der Nederlanden. Want dan verwacht je je redding niet helemaal van boven, maar voor een deel van boven en voor een deel van beneden. Nee, laat de wereld de wereld en leef alleen nog voor het koninkrijk dat komt. Alleen daar waar Christus met zijn Geest nu al de harten van mensen regeert, mag de naam van zijn Vader gebruikt worden. Onder mensen die de duivel tot vader hebben (Joh.8,44) is het aanroepen van de naam van God per definitie ijdel gebruik van Gods heilige naam. Dan werp je het heilige maar voor de honden en parels voor de zwijnen (Mt.7,6). Nee, gebruik Gods naam slechts in de binnenkamer, als je alleen of samen met God bent. Dat is dus eigenlijk een heel modern standpunt: geloven doe je maar in de kerk en niet in de staat. Als jij wilt geloven, prima, maar val mij er niet mee lastig.
Nu, laat ik daar geen misverstand over laten bestaan: met Heidelbergse Catechismus zondag 37 verwerp ik dat standpunt hartgrondig. Of dat dus betekent dat christenen nog steeds de eed moeten afleggen als ze geïnstalleerd worden tot kamerlid, waag ik dus te betwijfelen. Maar dan omdat ik liever zie dat christenen een belofte afleggen, om vervolgens in het parlement zich er niet voor te schamen een krachtig: “Zo zegt de Here”, te laten klinken, dan dat ze de naam van God nog wel aanroepen bij hun installatie, maar niet meer als ze eenmaal in functie zijn. Want Jezus is Heer, ook van hen die Hem niet als zodanig erkennen. Ja, sterker nog, ook voor hen is Hij gekomen. Zoals de berijming van een bekende bijbeltekst zegt: “Alzo lief had God de wereld, / dat Hij zijnen eigen Zoon / voor die áfgevallen wereld / overgaf aan smaad en hoon” (Gez.36:2).
Die afgevallen wereld, waar wederdopers geen goed woord voor over hadden, God had zijn eigen Zoon voor haar over. Onze wereld werd Jezus’ wereld. Ons leven werd zijn leven. Zoals de gereformeerde belijdenis zegt: “Hij heeft de gestalte van een dienstknecht aangenomen en is aan de mensen gelijk geworden door echte menselijke natuur werkelijk aan te nemen met al haar zwakheden, uitgezonderd de zonde. Hij is ontvangen in de schoot van de gezegende maagd Maria door de kracht van de Heilige Geest, zonder toedoen van een man. Hij heeft niet alleen de menselijke natuur aangenomen wat het lichaam betreft, maar ook een echte menselijke ziel om werkelijk mens te zijn. Want omdat de ziel evenzeer verloren was als het lichaam, moest Hij ze beide aannemen om beide te redden” (NGB art. 18).
Opmerkelijk is dat diezelfde wederdopers die moeite hadden met het zweren van de eed ook moeite hadden met deze belijdenis. Jezus die van zijn moeder Maria de menselijke natuur aannam met al haar zwakheden? Dan zou Jezus dus meer hebben met een wereld die in het boze ligt dan zijzelf. Dan moest een vergissing zijn. Nee, Jezus kreeg net zoveel van Maria mee als het zonlicht van een ruit meekrijgt waar het doorheen valt.
Ook al lijkt die doopsgezinde weigering om een eed te zweren op het eerste gezicht te gaan over bijzaken, als je de geest opsnuift waardoor die weigering is ingegeven, dan blijkt dat niet de Heilige Geest te zijn van wie de Zoon van God ontvangen werd in de schoot van de gezegende maagd Maria. Onder de weigering om een eed te zweren gaat een afkeer schuil van de wereld die God liefheeft. Goed beschouwd gaat het bij de vraag of je als christen de naam van God wel aan mag roepen bij het doen van een belofte of het afleggen van een getuigenis om het punt of je gelooft of God alleen in verband gebracht mag worden met de gouden straten van het hemelse Jeruzalem of ook met het aardse slijk van het laag-bij-de-grondse Den Ham. Is Hij werkelijk onze Immanuël, God-met-ons, of is Hij dat niet? Is Hij een God die vuile handen durft te maken, of wast Hij zijn handen in onschuld? Is Hij een God van zondaars of een God van vromen?

Als ik het zo scherp stel begint u misschien aan te voelen dat de weigering om een eed te zweren wel degelijk iets te maken heeft met de weigering om een kind te laten dopen. Een God die niks te maken heeft met een wereld die in het boze ligt, heeft ook niks te maken met kinderen die in zonde ontvangen en geboren zijn. Ouders die in een gereformeerde kerk hun kind ten doop houden, ontkennen niet dat hun kinderen dat zijn. Theo en Dorieke moesten zelfs “ja” zeggen op de vraag of ze erkennen u dat Lars zondig en schuldig ter wereld gekomen is, er daarom aan allerlei ellende en zelfs aan het eeuwig oordeel onderworpen is. Maar gelukkig eindigt die tweede doopvraag daar niet mee. Want Theo en Dorieke mochten tegelijk erkennen maar dat Lars Toch in Christus voor God heilig is en daarom als lid van zijn gemeente gedoopt behoorde te worden. God heeft niet pas wat met je kind zodra het wat met Hem heeft. God heeft ook wat met je kind als het nog niks met Hem heeft.
Dat is het evangelie van de béide sacramenten die de kerk kent. Zoals we bij de doop belijden dat onze kinderen zonder het te weten uit genade tot Gods kinderen aangenomen worden, zo belijden we bij het avondmaal dat Christus al voor ons gestorven is, niet toen wij vrienden, maar toen wij nog vijanden van God waren.
Het wordt helemaal mooi als je bedenkt dat het Latijnse woord “sacramentum” oorspronkelijk “eed” betekent. Een sacramentum werd bijvoorbeeld afgelegd door iemand die in het leger ging. Dát woord is in de kerk het woord geworden voor de tekens en zegels waarmee God garandeert dat Hij met jou een verbond aangaat. Jij en Ik hebben wat met elkaar, ook al bestaat er tussen jou en Mij een wereld van verschil en gaapt er tussen jou en Mij een kloof die onoverbrugbaar lijkt. Ik ben God met jou. Zonder jou wil Ik geen God zijn en zonder Mij hoef jij geen mens te zijn.
Als je voor het eerst een doopdienst bijwoont, dan hoor je dat er misschien niet aan af. In plaats van God lijkt er immers slechts een mens aan het woord die zegt: “Ik doop je in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest”. En inderdaad, de “ik” uit die formule is slaat niet op God, maar op de dominee. Oppervlakkig gezien lijkt een zondig mens dus het waagstuk uit te halen om de naam van een kindje als Lars in verband te brengen met de naam van God. Een wederdoper zou zeggen: “Dat is vloeken in de kerk”. Ja, dat zou het zijn, als God er zelf moeite mee had dat zijn heilige naam in verband gebracht werd met de naam van een onheilig mens. Maar we hoorden God zelf zeggen in Jesaja 45: “Ik heb bij mijzelf gezworen: Uit mijn mond komt gerechtigheid voort, een woord dat ik spreek wordt niet herroepen. Voor mij zal elke knie zich buiten en elke tong zal bij mij zweren”.
Zoals God een verbond wilde aangaan met Lars Huisjes, zo wil God een verbond aangaan met u allemaal. Ook uw knieën moeten zich voor Hem buigen, ook jouw tong moet bij Hem zweren. Om ons daarvan te overtuigen spreekt God zelf een sacramentum uit. “Ik heb bij mijzelf gezworen: Uit mijn mond komt gerechtigheid voort, een woord dat ik spreekt wordt niet herroepen”. Voor bindende overeenkomsten moet je niet bij de notaris zijn. Ook al zegt het reclamespotje waarin een meisje de belofte aflegt: “De notaris durft er een eed op te doen”. Zo? Waarom moet er dan een onderzoek ingesteld worden naar de betrokkenheid van notarissen bij witwaspraktijken? Nee, zegt de Here bij monde van Jesaja: “‘Alleen bij de HEER’, zal men zeggen, ‘is gerechtigheid en macht te vinden’”.
Maar op het moment dat ieder dus alleen nog maar bij de naam van God zweert, kan de eed ook afgeschaft worden. Zolang mensen onbetrouwbaar zijn, omdat ze hun zekerheid niet alleen bij God, maar ook bij zichzelf zoeken, moet een beroep op de naam van God een einde aan alle tegenspraak maken. Maar in een wereld waarin de tegenspraak verstomd is, kan ook de eed verstommen.
Op die wereld grijpen Jezus en Jakobus vooruit als ze zeggen: “Maar bovenal, broeders en zusters, zweer geen enkele eed, niet bij de hemel, net bij de aarde, nergens bij. Laat uw ja ja zijn, en uw nee nee, anders zult u ervoor gestraft worden”. Onder mensen die op weg zijn naar de enige bij wie gerechtigheid en macht te vinden is moet een eenvoudig ja of nee genoeg zijn. Als een dominee dan ook de naam van God aanroept over een pasgeboren kindje, hoeven hun ouders dat niet te herhalen. Zij mogen volstaan met een “ja” op de vraag of ze beloven hun kinderen bij het opgroeien zo te onderwijzen en te laten onderwijzen dat ze hun doop leren verstaan en of ze beloven hun kinderen voor te gaan in een christelijke levenswandel.
Ze doen dat in het besef dat, zoals Jakobus zegt, je ja ja moet zijn en je nee nee, als de rechter al voor de deur staat. Wie leeft in het besef dat het moment dat je verantwoording af moet leggen van je beloften elk moment aan kan breken, die hoeft God er niet meer bij te halen. God komt zelf wel. Of zoals de nuchterling die aan het woord is in het bijbelboek Prediker zegt: “Wanneer je God een belofte doet, los die dan ook in. Je kunt beter geen belofte doen dan een gedane belofte niet waar maken. Wil je soms dat God zich kwaad maakt over je loze beloften en moet hij wat je bereikt heb te gronde richten? Dromerij en lege woorden zijn er al genoeg (in de wereld. Laat dat bij jullie niet zo zijn.) Dus heb ontzag voor God” (Pred.5,3-6). Amen.