Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Wees stil en noem de naam van de HEER niet.
titel : Wees stil en noem de naam van de HEER niet.
datum : 2 december 2007
volledige onderwerp : Zondag 36
Download deze preek.

Preek over HC zondag 36 & 37
(N/G, 6-2-2000; Roden, 23-9-2001: Oldehove, 7-7-02; Leiden, 1-2-04; GCS, 19-11-06; GZR, 2-12-07) Ps.7:1,4,7
[Lied 26:2,3 (na klaarmaken tafel)
Ps.135:1,3,8 / Ps.7:1,4,7 L Joh.17,1-11 / Ps.54 :1,3]
Ps.75:1(groep 1/2/3),2,3 L Amos 6,1-10
Amos 6,1-10 Ps.129
Ps.129 (C) T HC zondag 36 (& 37)
HC zondag 36 & 37 Ps.135:1,3,8
Ps.7:1,4,7 / Ps.135:1,3,8 Ps.109:9,14 (na apostolische geloofsbelijdenis)
Ps.102:6,10 Ps.102:6,10 (na collecte)

“Hé, jij daar, met je rooie trui!”.

Als ik mijn preek zo zou beginnen wordt iedereen een beetje onzeker. Je kijkt eens om je heen: Wie heeft er hier een rooie trui aan? Of je denkt: “Ik heb een rooie trui aan, zou d-ie ‘t tegen mij hebben? Maar gelukkig, zij heeft ook een rooie trui aan. Hij bedoelt vast haar”.

Als je weet hoe iemand heet, dan weet je over wie je ‘t hebt. Als je weet hoe iemand heet kun je ook met hem of haar praten. Dan heb je echt contact. ‘t Geeft je altijd wat een dom gevoel als je met iemand zit te praten, die zich net aan je heeft voorgesteld, en je bent zijn of haar naam vergeten. Je praat maar wat mee, zegt op ‘t juiste moment “ja” of “nee”, maar trekt ondertussen koortsachtig alle laatjes van de kaartenbak onder je schedelpan open: “Hoe heette dat mens nou ook maar weer?” U kent dat wel.
Omgekeerd stellen mensen het heel erg op prijs, als je hem of haar maar één keer vluchtig gesproken hebt, en je herinnert je zijn of haar naam nog. Dan heeft de vorige ontmoeting blijkbaar toch wat voor je betekend.
Alleen maar iemand bij z’n naam noemen, dat kan alles zeggen. Als een goeie vriend of vriendin, die je jaren niet gezien hebt, ineens bij je op de stoep staat, en je roept alleen maar zijn of haar naam. Soms is het genoeg, als je samen bent, om die heerlijke stilte te doorbreken met het fluisteren van de naam van de ander. Het noemen van de naam van de ander schept verbondenheid, intimiteit.

Maar soms stel je er, juist daarom, helemaal geen prijs op dat iemand je bij je naam noemt. Daar gaat de suggestie vanuit dat je wat met mekaar hebt. Je ziet iemand lopen en denkt: “Die moet ik dus even niet spreken”, en kijkt maar gauw de andere kant op. Maar nee hoor, daar heb je ‘t al: “Hé, Willem!” Wat doe je dan? Toch maar je fatsoen bewaren, en even een praatje maken. Irritant is dat. Door je naam te noemen legt iemand beslag op je. Dat heeft iets claimerigs. Vooral ‘t noemen van iemands voornaam kan de verhoudingen behoorlijk troebel maken. Dan krijg je zo’n ouwe-jongens-krentenbrood-sfeertje, en dat hoef je niet met iedereen. Sommige mensen hou je liever wat op afstand.
Naamsbekendheid maakt je kwetsbaar. Mensen kunnen met je naam aan de haal gaan, en tegen je gaan gebruiken. In andere culturen is dat nog sterker dan bij ons. Als iemand weet hoe je heet, kan hij je betoveren, een bezwering over je uitspreken, je vervloeken. Dat kennen wij zo niet meer. Toch kunnen ook wij het nog steeds als een vloek ervaren, als iemand je naam weet. Soms kun je snakken naar anonimiteit. Want naamsbekendheid lokt uit tot misbruik. Je naam kan verbonden worden met doelen waarmee je helemaal niet geassocieerd wenst te worden. Als wat je gezegd hebt uit z’n verband wordt gerukt, en iemand ermee aan de haal gaat: “Hij is het anders helemaal met me eens. Hij vindt ook dat je nodig eens een keer dit-of-dat moet doen”. Dan wordt je naam gebruikt als vlag op een modderschuit.

Ook God heeft een naam. Daarmee geldt voor Hem wat geldt voor ons, mensen. Zoals je door het noemen van iemands naam weet over wie je ‘t hebt, zo weet je ook door het noemen van Gods naam over Wie je ‘t hebt. Want “werkelijk zijn er goden in menigte en heren in menigte”, zoals de apostel Paulus ergens zegt (1Kor.8,5). Zoals je door het roepen van iemands naam iemands aandacht kunt trekken, zo kun je Gods aandacht op je vestigen door zijn naam aan te roepen. Zoals je door het noemen van iemands naam contact met diegene kunt maken, zo kun je ook met God contact maken door zijn naam te noemen. Zoals het noemen van iemands naam een gevoel van verbondenheid, intimiteit soms, kan oproepen, zo spreekt uit het noemen van Gods naam liefde voor Hem, en vreugde over de gemeenschap waarin je met Hem mag leven.
Maar zoals onze naamsbekendheid ons kwetsbaar maakt, zo maakt ook Gods naambekendheid Hem - op een bepaalde manier - kwetsbaar. Zijn naam kan over de lippen komen van mensen die hun mond niet gespoeld hebben. Mensen kunnen met elkaar zó over Hem praten, dat ‘t net lijkt of ze een hele goede band met Hem hebben, terwijl dat helemaal niet zo is. Mensen kunnen o zo dierbaar tot Hem bidden, terwijl Hij hun hart niet heeft. Mensen kunnen Hem te dicht op de huid komen, door net te doen of ze op voet van gelijkheid met Hem kunnen praten. Mensen kunnen Hem gaan claimen voor hun eigen zaakjes, zaakjes waarmee Hij helemaal niet geassocieerd wenst te worden. God openbaart zijn naam, maar mensen gooien die te grabbel.
Dat is een manier van doen die God hoog opneemt. “Misbruik de naam van de HEER, uw God, niet, want wie zijn naam misbruikt, laat hij niet vrijuit gaan”. God laat zijn naamkaartje achter, zodat we Hem kunnen oppiepen wanneer we omhoog zitten. Maar we moeten zijn naam wel hoog hóuden, en niet neerhalen. We mogen vrijmoedig over Hem en met Hem praten, maar nooit vrijpostig. We mogen zijn naam gerust gebruiken, maar dan wel bewust. Soms is het beter om zijn naam te verzwijgen. Want er zijn situaties waarvoor de woorden van de profeet Amos gelden: “Wees toch stil en noem de naam van de HEER niet”.

Ik zeg nou wel de hele tijd dat God ook een naam heeft, met alle voordelen van gébruik en nadelen van mísbruik van dien, maar hoe heet Hij dan? Dat was ook de vraag die Mozes Hem stelde, toen God hem vanuit de brandende braambos de opdracht gegeven had naar het volk Israël te gaan met het evangelie van de aanstaande bevrijding uit Egypte: “Stel dat ik naar de Israëlieten ga en tegen hen zeg dat de God van hun voorouders mij gestuurd heeft, en ze vragen: “Wat is de naam van die God?” Wat moet ik dan zeggen?” Toen antwoordde God Mozes: “Ik ben, die Ik ben” (Ex.3,13.14).
Voor de meesten van ons is dit verhaal zó bekend, dat we ons er niet meer over verbazen dat God zó bekend wil staan: ‘Ik ben, die Ik ben’, in het Hebreeuws: Jahwe. Wij zijn groot geworden met de uitleg, dat dit Gods verbondsnaam is. Jahwe, dat is de God van het verbond. En terecht. Want dat klinkt er óók in mee. “Ik ben, die Ik ben”, daarin horen wij God een belofte doen aan zijn volk: “Ik ben er bij”, nl. bij jullie, als jullie op weg gaan naar het beloofde land. “Jahwe”, uit die naam spreekt betrokkenheid en nabijheid.
Er spreekt ook trouw uit. “Ik ben, die Ik ben”, dat betekent ook: “Ik ben een God uit één stuk. Iemand van Wie je weet wat je aan Hem hebt. De koers die Ik uitzet, daar houd ik aan vast. Ik verander niet zomaar van gedachten, want dan zou ik Mezelf verloochenen, dan zou ik mezelf niet meer zijn, en dat kan Ik niet (2Tim.2,13). Nee, Ik ben, die Ik ben”. Jahwe, dat is de God die zijn volk onveranderlijk trouw blijft. De God van het verbond.
Maar hoe waar dat ook is, het is één kant van die heerlijke naam. We moeten niet te snel zeggen, dat “Ik ben, die Ik ben” niet afstandelijk bedoeld is. Want God bewaart wel degelijk afstand tot ons, mensen, als Hij Zichzelf “Ik ben, die Ik ben” noemt. Er zit ook iets ontwijkends in die naam.
Stel, je stelt jezelf voor aan een jongen of een meisje van jouw leeftijd: “Hallo. Ik ben David. Wie ben jij?”, en die jongen of dat meisje zou zeggen: “Ik ben, die ik ben”, dan denk je toch: “Hallo! Dat is toch geen antwoord? Wie ben je nou?” Maar bij de HERE is dat wel een antwoord. Hij is die Hij is, en daarom mag je er zeker van zijn dat Hij altijd bij je is. Maar Hij is je vriendje niet. Je kunt niet met Hem spelen.
In zijn naam stelt God Zich beschikbaar, zonder dat wij over Hem kunnen beschikken. Dat klinkt een beetje paradoxaal, wat innerlijk tegenstrijdig, maar ik weet niet goed hoe ik het anders moet zeggen. In elk geval bedoel ik niet, als ik ‘t zo zeg: “In zijn naam stelt God Zich beschikbaar, zonder dat wij over Hem beschikken” met de andere hand terug te nemen, wat ik met de ene gegeven heb. Ik wil er maar mee zeggen dat Gods nabijheid zijn soevereiniteit niet opheft. In zijn betrokkenheid op ons wil Hij ons in zijn goede banen leiden, en laat Hij Zich niet door ons in het gareel brengen. Hij leidt ons in de recht sporen om zijns naams wil (Ps.23,3bc), en niet wij Hem op onze kromme wegen omwille van onze naam. En dat is maar goed ook! Zeg nou zelf.

Maar we misbruiken zijn naam als we Hem toch weer voor ons karretje gaan spannen. Daartegen waarschuwt Hij ons bij voorbaat, als Hij Zich aan ons voorstelt als: “Ik ben, die Ik ben”. Met die naam bewaart Hij de afstand die er is, en blijft, tussen de Schepper en het schepsel, de Pottenbakker en het leem (Jes.29,16; 45,9; Rom.9,20). En in het derde gebod verbiedt Hij ons de rollen om te draaien, alsof wij de pottenbakker waren en Hij het leem. De Catechismus slaat de spijker op zijn kop als hij onder woorden brengt wat het derde gebod gébiedt: “Dat wij de heilige naam van God alleen met ontzag en eerbied gebruiken, zodat Hij door ons naar waarheid beleden en aangeroepen en in al onze woorden en werken geprezen wordt”.
Maar als ‘t gaat om wat het derde gebod vérbiedt is de Catechismus wat eenzijdig, door het accent te leggen op het vloeken en op meineed. Niet dat dat er niet bij hoort, maar het zijn wel een beetje ver-van-m’n-bed-zonden. Hoewel, vloeken... In elk geval is dat een zonde waarvan iedereen hier wel weet dat het niet hoort. Maar door aan het derde gebod de waarschuwing toe te voegen: “want de HERE zal niet onschuldig houden wie zijn naam misbruikt” wil de HERE ons erop wijzen dat wij ook op een manier over Hem en tot Hem kunnen spreken waar wij helemaal geen kwaad inzien, maar Hij des te meer.
De Catechismus heeft deze waarschuwing zo opgevat dat er geen zonde groter is en Gods toorn meer opwekt dat het vloeken. Vloeken wordt dan een soort zonde tegen de Heilige Geest, u weet wel, de zonde waar geen vergeving voor is (Mt.12,31). Ik heb daar zelf ook zo over gedacht, en leefde in de veronderstelling dat er voor mij geen vergeving meer was. Nu denk ik dat met die waarschuwing “want de HERE zal niet onschuldig houden wie zijn naam misgebruikt” toch wat anders bedoeld wordt. Niet: Misbruik van Gods heilige naam is de ergste zonde die je kunt doen, maar: De HERE vindt het spreken van lege woorden over Hem en tot Hem minstens zo erg als het overtreden van de andere negen geboden. Dat maakt Hij zijn volk meteen duidelijk. Zijn volk. Want de wet is niet aan de heidenen, maar aan Gods volk gegeven (Ps.147,19.20). Zij veroordeelt niet de zonden van hen die buiten zijn, maar van hen die binnen zijn. Het derde gebod waarschuwt dan ook tegen een zonde waaraan juist kerkmensen, misschien met de beste bedoelingen, zich schuldig maken. Juist mensen die spreken over de HERE en tot de HERE moeten zich er terdege van bewust zijn dat de zonde tegen het derde gebod op de loer ligt. Wij kunnen ons niet alleen door “zwijgen aan deze gruwelijke zonde mee schuldig maken”, maar ook en vooral door misplaatst spreken; niet alleen door “toelaten” dat een ander zich aan deze gruwelijke zonde schuldig maakt, maar ook en vooral door geen wacht voor je eigen lippen te zetten (Ps.141:3, oude berijming).

Ik noem u een aantal voorbeelden. Het eerste voorbeeld ontleen ik letterlijk aan, de door mij zeer vereerde, Abraham Kuyper. Volgens Kuyper lopen juist ambtsdragers een groot gevaar zich te bezondigen aan het derde gebod. Hij schrijft: “Wie hardop bidt, met en voor anderen, loopt zoo licht gevaar, van veelvuldig ijdel gebruik van den Naam des Heeren te maken. Soms bestaat er zelfs neiging om alle namen des Heeren op elkander te stapelen, en zoo het heilige te overdrijven en in die overdrijving te ontwijden. Predikers vooral, die week aan week, altoos weer, voor moeten bidden, staan in dit opzicht aan zeer ernstige verleiding bloot; en zeker gaat er geen dag voorbij, dat er niet juist in en door het gebed tegen dat derde Gebod gezondigd wordt”.
Bij die laatste zin van Kuyper wil ik nog even langer stilstaan dan hijzelf: “Zeker gaat er geen dag voorbij, dat er niet juist in en door het gebed tegen dat derde Gebod gezondigd wordt”. Zeker, daar maken ambtsdragers, de dominee voorop, zich misschien wel allereerst schuldig aan. Niet alleen op de preekstoel. Ook aan de huizen. Als ze bidden, omdat ze degene bij wie ze op bezoek zijn daar zo’n plezier mee doen. Ambtsdragers kunnen het daar best wel eens moeilijk mee hebben. Dat ze, na een gesprek over koetjes en kalfjes, ineens de bocht naar lezen en bidden moeten maken, en daarom maar de ene vrome volzin op de andere stapelen.
Maar als bij de herders het hek van het derde gebod soms van de dam is, volgen toch ook de schapen. Wie van u is het nog nooit overkomen, dat hij voor het eten of voor het slapengaan z’n prevelementje voor zich uit mompelde? Is dat dan per definitie zonde tegen het derde gebod? Dat hoeft niet. In formuliergebeden blijven vaak hele mooie formuleringen bewaard, waar we best zuinig op mogen zijn. Ik denk dan b.v. aan regels als: “Wilt U onze zonden werpen in de zee van eeuwige vergetelheid”. Dat is Micha 7(,19). Maar aan het gebruiken van zulke formuleringen kleeft wel het gevaar dat zij die meebidden ‘m al weer voelen aankomen. Ik hoorde eens een verhaal over een voorzitter die zijn gebed altijd met deze woorden afsloot. Zegt één van de leden van de fanfare aan het einde van de repetitie: “Zo jongens, nog even de zonde weer in de zee werpen, en dan weer naar huis”. En als wij ‘m al voelen aankomen, hoe zou dan dan zijn met Degene voor Wie die woorden eigenlijk bedoeld waren? Maar al te gemakkelijk ontbreekt in ons gebed de verwondering dat het leem mag spreken tot de Pottenbakker. Misschien moesten we, i.p.v. de dagelijkse bede: “en-vergeef-ons-onze-zonden-om-Jezus’-wil-amen” maar eens gaan bidden: “Vergeef ons ons ‘vergeef-ons-onze-zonden-om-Jezus’-wil-amen’“. “Misbruik de naam van de HEER, uw God, niet”, kon wel eens heel concreet betekenen dat je zwijgt voor het aangezicht des HEREN (Hab.2,20; Sef.1,7; Zach.2,13), als je Hem niks te zeggen hebt. “Want wie zijn naam misbruikt laat hij niet vrijuit gaan”.

Maar niet alleen het aanroepen van de naam des HEREN uit sleur, roept zijn toorn op. Ook een gebed vanuit de grond van je hart kan dat doen. Een voorbeeld daarvan vinden we in het gedeelte uit de profetieën van Amos, dat we vanmiddag gelezen hebben. De HERE zweert daarin bij Zichzelf dat Hij een einde zal maken aan de valse gerustheid van het tienstammenrijk Israël. Het politieke evenwicht waar ze op vertrouwden zal Hij grondig verstoren en de welvaart waar ze in zwelgden zal Hij zal Hij verkeren in armoede. “Ook al zouden er in één en hetzelfde huis tien man overblijven, - zij zullen sterven”. Een oom neemt de familieplicht waar om de lijken uit het huis dragen. Hij roept tot iemand die achter in het huis aan het zoeken of er misschien toch nog iemand het oordeel heeft overleefd: “Is daar bij jou nog iemand over?” Maar diegene antwoordt: “Nee, maar wees toch stil, en noem de naam van de HEER niet”. Voorkomen moet worden dat iemand, als hij hoort dat niemand het gericht heeft overleefd in zijn nood de naam des HEREN aanroept. Want door de naam des HEREN aan te roepen trek je alleen zijn aandacht maar, terwijl je weet dat zijn toorn op je rust. Een uitleg die ik bij de voorbereiding van deze preek geraadpleegd heb doet Amos 6,10 af als “bijgelovige angst”. Ik weet dat nog zo net niet. Op zijn minst leert deze tekst ons dat het gebed ons oordeel ook kan verzwaren. Als we diep in ons hart wel weten, dat we voor Gods aangezicht verkeerd bezig zijn, maar niet met de zonde willen breken. Dan is het beter naam des HEREN maar niet te noemen. Nog beter is het natuurlijk met je zonden te breken. Dan zul je weer vrijuit tot God kunnen bidden en verhoring ontvangen (1 Petrus 3,7).

“Wees toch stil, en noem de naam van de HEER niet!”. Dat geldt niet alleen voor ons spreken tót de HERE, maar ook voor ons spreken óver de HERE. Wij mogen wat wij zelf graag willen niet uitgeven voor wat de HERE graag wil. Een berucht voorbeeld uit de kerkgeschiedenis is Paus Urbanus II, die het kerkvolk aanzette tot de kruistochten, onder het motto: “God wil het!”. Toch heb ik die beruchte woorden onlangs nog weer gelezen. De eerste keer toen een mevrouw haar standpunt over homoseksuelen in de politiek en de tweede keer toen een meneer zijn standpunt over de missionaire gemeente kracht bij wilde zetten. Ik wil daarmee niet zeggen dat je dergelijke grote woorden nooit mag gebruiken. Maar je moet er wel zuinig mee zijn. Maar al te vaak is immers wat vroeger uitgegeven werd voor een gebod van God een menselijke traditie gebleken. Door onze, misschien best goede, mening te verwarren met het gebod van God, heeft de kerk intussen wel latere kerkverlaters de naam van God doen lasteren (vgl. 2Sam.12,14; Rom.2,24; 1Tim.6,1) en zelf het gebod van God uitgehold. Veel zogenaamd principiële taal heeft vaak dezelfde diepgang als Keesje met de Bochel uit Bartje. Keesje mocht van zijn analfabete moeder niet roken en kreeg geen zakgeld van haar. Daarom las hij haar uit de Bijbel voor over de twaalf verspieders die optrokken naar Jericho: “En ze rookten en ze smookten, en ze trokken op naar Jericho, en ze kregen zoveel zakgeld als ze maar wilden”.

De Prediker zegt ergens: “God is in de hemel en jij bent op aarde, dus moet je spaarzaam zijn met je woorden” (Pred.5,1b).

Amen.