Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Geen fatsoenlijk, maar een heilig leven
titel : Geen fatsoenlijk, maar een heilig leven
datum : 14 oktober 2007
volledige onderwerp : Zondag 32
Download deze preek.

Preek over HC zondag 32 (GZR, 14-10-07; Alphen, 10-2-08; Meppel, 29-7-12; Gramsbergen, 18-11-12)

Lied 328
L Hebr.12,14-29
Ps.99:6,7,8
T HC zondag 32
Lied 103
Apostolische geloofsbelijdenis I&II / Gez.123:5
Ps.85:3,4 (na collecte)

Gemeente van de Here Jezus,

“Moeten”. Als wij één ding niet moeten, dan wel het woord “moeten”. Moeten we daar in de wereld al niets van hebben, in de kerk moeten we er al helemaal niets van hebben. Want in tegenstelling tot de synagoge en de moskee, is de kerk de plek waar je niet dit en dat en zus en zo moet doen om het eeuwige leven te verwerven. Als je in de kerk al iets moet, dan afleren dat je iets moet. Want zoals de catechismus zegt in vraag 86: Wij zijn zonder enige verdienste van onze kant, alleen uit genade door Christus verlost.
Maar als de Catechismus aan dat feit de vraag verbindt waarom we dan toch nog goede werken móeten doen, dan gaan onze haren meteen weer overeind staan. Hebben we net met veel pijn en moeite afgeleerd dat we van alles moeten, moeten we dat ineens met nog meer pijn en moeite weer aanleren. Begonnen we er net een beetje trots op te worden dat het christendom als enige van de wereldgodsdiensten niet moralistisch is, lezen we in antwoord 87 dat een onkuise, afgodendienaar, echtbreker, dief, gierigaard, dronkaard, lasteraar, oplichter, of een dergelijke zondaar, het koninkrijk van God niet beërven zal. Dat is toch het moralisme ten top? Jezus liet de hoeren en de tollenaars door de voordeur het koninkrijk van zijn vader binnengaan, maar de Catechismus laat ze er via de achterdeur weer uit. Natuurlijk staan de Farizeeërs dan al bij die achterdeur te wachten, om snel hun plaatsen weer in te nemen. Zo werd de bruiloft van het Lam toch nog een beschaafd feestje voor fatsoensrakkers en burgermannetjes. Of toch niet?
Nee, toch niet. Dat een onkuise, afgodendienaar, echtbreker, dief, gierigaard, dronkaard, lasteraar, oplichter, of een dergelijke zondaar, het koninkrijk van God niet beërven zal, betekent niet dat het koninkrijk van God er dús is voor fatsoenlijke burgers. Want niet zij die een fatsóenlijk leven leiden, maar zij die een héilig leven leiden zullen het binnengaan. Zo stond het in Hebreeën 12 vers 14: “Streef ernaar een heilig leven te leiden; wie dat niet doet zal de Heer niet zien”.

Volgens de schrijver van de brief aan de Hebreeën is de beloning van een heilig leven dus dat je de Here mag zien. Die formulering heb ik altijd opvallend gevonden. Het was ook mogelijk geweest dat hij geschreven had: “Streef ernaar een heilig leven te leiden; wie dat niet doet zal het koninkrijk van God niet beërven”, zoals de Catechismus, in navolging van de apostel Paulus (1Kor.6,10; Gal.5,21; Ef.5,5), doet. In de brief aan de Hebreeën wordt het beërven van het koninkrijk van God echter nog concreter ingevuld: dat je God mag zien. Hoe komt de briefschrijver bij deze typering?
Een verklaring die ik op deze tekst geraadpleegd heb verwijst voor een antwoord op die vraag naar Psalmen, waarin gezongen wordt dat het loon van de rechtvaardige daarin bestaat, dat hij God mag zien (b.v. Ps.11,7; 17,15). Toch overtuigt deze verwijzing mij niet helemaal. Want het bijzondere van Hebreeën 12 vers 14 is niet dat de rechtváárdige de Heer mag zien, maar de héilige. Die verbinding vinden we zo niet in de Psalmen, maar in de geschiedenis van het volk Israël bij de Sinai, waar de schrijver verderop in hoofdstuk 12 uitgebreider op terugkomt. In die geschiedenis, beschreven in Exodus 19, horen we de Here tegen Mozes zeggen: “Ga terug naar het volk en zorg ervoor dat ze zich vandaag en morgen heiligen, en laten ze hun kleren wassen. Bij het aanbreken van de derde dag moeten ze gereed zijn, want op die dag zal de HEER voor de ogen van heel het volk neerdalen op de Sinai” (Ex.19,10.11).
Hier vinden we dus wél een verbinding tussen het streven naar heiliging en het zien van de Here. Het lijkt er zelfs op of het volk na die twee dagen van heiliging de Here echt op de derde dag zal mogen zien. Want de Here zegt tegen Mozes: “Als het geluid van de ramshoorn weerklinkt, mogen ze de berg opgaan” (Ex.19,13b). Als het zover is, krijgt het volk de Here echter niet te zien. Want als de Here neerdaalt op de top van de Sinai, geeft Hij zelf aan Mozes de opdracht: “Ga naar beneden en waarschuw het volk dat ze niet te dichtbij komen in de hoop de HEER te zien, want dan zullen velen van hen het leven verliezen” (Ex.19,21). Het is dus net of de Here op de valreep moet besluiten dat die ontmoeting van aangezicht tot aangezicht er toch niet kan komen. Daarvoor moest er toch méér gebeuren dan wat Mozes het volk had opgedragen: was je kleren en onthoud je van geslachtsgemeenschap (Ex.19,15).
Wat is er dan veranderd dat de schrijver van de brief aan de Hebreeën de oproep uit Exodus 19 om je te heiligen herhaalt, alsof zijn lezers de Here ineens wel zouden mogen zien? Wel, op die vraag geeft hij zelf het antwoord, door te zeggen: “U staat (niet voor de bemiddelaar van het ouder verbond, Mozes, maar) voor de bemiddelaar van een nieuw verbond, Jezus, en voor het gesprenkelde bloed dat krachtiger spreekt dan dat van Abel”. Van het bloed van Abel, het eerste dodelijke slachtoffer van zinloos geweld, staat geschreven: “Hoor toch, Kaïn, hoe het bloed van je broer uit de aarde naar mij schreeuwt” (Gen.4,10). Dat wil zeggen dat God de misdaad van Kaïn nooit zou vergeten. Maar, zegt nu de schrijver van de brief aan de Hebreeën, het bloed van de zoon van God dat op aarde vergoten werd roept nog harder dan het bloed van de broer van Kaïn. Voor God zijn onze zonden niet langer daden die schreeuwen om straf, maar daden die schreeuwen om vergeving.
Als in de kerk Psalm 24 gezongen wordt: “Wie klimt de berg des HEREN op? / Wie mag op die gewijde top / het heiligdom van God betreden?”, mag je opspringen en uitroepen: “Ik! Ik klim de berg de HEREN op! Ik mag op die gewijde top het heiligdom van God betreden!” En als er dan een Farizeeër opstaat die je op zijn plaats wil zetten door ook het vervolg van Psalm 24 aan te halen: “De mens die, rein van hart en hand, / de leugen uit zijn leven bant / en geen bedrog pleegt in zijn eden”, dan mag je antwoorden: “En toch ben ik dat, die mens met dat zuivere hart en die schone handen. Want ik heb mijn onreine hart en mijn vuile handen schoongewassen in het bloed van bloed van Christus”. Ja, jij mag die Farizeeër het zwijgen opleggen, ook al is hij het toonbeeld van goed fatsoen. “Jij, dacht je dat het bloed van Christus jou niet hoefde te reinigen van al je zonden? Probeer de berg van God dan maar eens te beklimmen met die reine handen en dat zuivere hart van je. Dan val je onder hetzelfde oordeel als de Israëlieten, die meenden de Here wel onder ogen te kunnen komen na hun kleren gewassen te hebben en zich van geslachtsgemeenschap onthouden te hebben. Misleid jezelf niet en maak Jezus niet tot een leugenaar. Ook jij doet zonden waar Hij voor moest sterven. Belijd die zonden dan. Dan zal Hij, die trouw en rechtvaardig is, je je zonden vergeven en je reinigen van alle kwaad” (vgl. 1Joh.1,7-10).

Nu zal iemand die vroeger op de catechisatie een beetje opgelet heeft zeggen: “Hoe mooi dit evangelie ook is, het is toch nog niet het evangelie van de heiliging, maar nog maar het evangelie van de rechtvaardiging. Zo staat het toch ook zondag 32: Nadat we eerst door het bloed van Christus gerechtvaardigd zijn, moeten we daarna nog door de Geest van Christus geheiligd worden. Je bent er dus nog niet als je om Christus’ wil vergeving hebt ontvangen voor je oude leven. Je moet ook nog met de Geest vervuld worden om aan een nieuw leven te beginnen. Zolang je aan die Geest echter nog niet ontvangen hebt, kun je dan ook nog niet zeggen dat je verlost bent. Want verlossing bestaat uit twee delen: 1. vergeving, 2. vernieuwing”.
Wat zullen wij van deze dingen zeggen? Eén ding heeft deze broeder of zuster helemaal gelijk in, en dat is verlossing bestaat in vergeving èn vernieuwing. Zoals mijn oud-predikant ds. T Dekker eens zei in een preek over zondag 32: “Christus koopt geen zondaars om ze zondaars te laten blijven. Verlossing betekent niet dat we zondigen en vergeving krijgen, en weer zondigen en vergeving krijgen, en zo maar door, zonder dat er ooit verbetering in komt”. Maar het zou me niks verbazen als voor veel mensen, misschien ook wel voor u, mijn broeder, mijn zuster, verlossing niet meer was dan dat: dat Christus voor je zonden is gestorven en dat je daarom elke dag opnieuw om vergeving mag vragen. Maar als we niet méér weten te zeggen van wat verlossing door Christus is, dan is het effect van het feit dat Christus ons verlost heeft dus wél dat we de arme zondaar blijven die we altijd al waren. Dat bestaat toch niet? Dan doet Gods liefde dus niets met je. Je wordt er niet anders van. Dat is pas echt kwetsend voor God. De vergeving die Hij je schonk maakt je tot een administratieve handeling. Terwijl die vergeving Hem zijn eigen Zoon kostte. Nee, als je beseft dat je Gods straf ten volle verdiend hebt, kun je geluk niet op als je niet veroordeeld, maar vrijgesproken wordt.
Er is dan ook geen sprake van dat in je rechtvaardiging alleen je verstand en in je heiliging ook je gevoel aangesproken zou worden. Nee, als de Geest van Christus je de bevrijding van je zonden persoonlijk overhandigt, dan maakt Hij je daarmee tot een bevrijd mens. Nu je niet langer hoeft te leven als slaaf van de zonde, wil je het ook niet meer. Het verleden mag je achter je laten, de toekomst wenkt je. Dat is dan ook de moeite die ik heb met die voorstelling die die oplettende oud-catechisant gaf van de verlossing. Alsof de verlossing een tweetrapsraket zou zijn, waardoor je al wel gerechtvaardigd, maar nog niet geheiligd zou kunnen zijn. Want iemand die, als die tollenaar uit de gelijkenis van de Here Jezus, gerechtvaardigd naar huis gaat (Lc.18,14), kan daar onmogelijk zijn oude oplichterspraktijken voortzetten.

Toch, ook al mogen we rechtvaardiging en heiliging niet van elkaar scheiden, we moeten ze toch wel ónderscheiden. Want de schrijver van de brief aan de Hebreeën haalt niet een woord uit het boek der Psalmen aan, dat rechtvaardigen de Here zullen zien, maar een woord uit het boek Exodus, dat mensen die zich geheiligd hebben voor de ontmoeting met de Here Hem zullen zien. Nu er bloed gevloeid heeft dat krachtiger spreekt dan dat van Abel, is die oproep om je te heiligen niet achterhaald, nee, ze heeft nu pas echt zin gekregen.
Als het bloed en de Geest van Christus je niet heilig maakten, zou het geen zin hebben jezelf te heiligen voor een ontmoeting met God. Want wat moesten de Israëlieten daarvoor doen? Ze moesten schone kleren aantrekken en zich onthouden van geslachtsgemeenschap. Uiteraard zijn dat slechts voorbeelden bij wat bedoeld wordt met “je heiligen”. Je mocht niet in je bezwete werkkleding tot God naderen, omdat dat de indruk zou wekken dat de ontmoeting met God in het verlengde van jouw werkzame leven lag. Dan werk je je als het ware de berg op. Ook mocht je niet in die dagen van voorbereiding geslachtsgemeenschap hebben. Niet omdat seksualiteit iets minderwaardigs zou zijn. De verborgen omgang tussen man en vrouw is juist een beeld is van de verborgen omgang tussen God en zijn volk (vgl. Ef.5,32). Maar als het dan nu tot een ontmoeting tussen God en zijn volk komt, moet het beeld voor de werkelijkheid wijken. Man en vrouw moeten dan niet verlangen naar elkaar, maar verlangen naar God. Ook al kijken we er in eerste instantie wat vreemd tegenaan dat heiliging zou zijn dat je schonen kleren aantrekt en je van geslachtsgemeenschap onthoudt, bij nader in zien ligt er toch een diepe geestelijke zin in. Maar hoe diep de geestelijke zin van deze vormen van heiliging ook mag zijn, ze hebben alleen zin als je ook diep van binnen gereinigd zou zijn. Anders gezegd: als het bloed van Christus je gereinigd heeft van al je zonden.
Hoe gek het u ook in de oren mag klinken: voor ons hebben de opdrachten die Mozes aan het volk Israël gaf dus veel meer zin dan voor het volk Israël zelf. Als je van binnen schoon bent, heeft het ineens ook zin om van buiten schoon te zijn. Ja, sterker nog, als je van binnen schoon bent, wíl je er ook van buiten schoon uitzien. Zoals Paulus schrijft in zijn brieven: “U moet de oude mens uittrekken en de nieuwe mens aantrekken” (Ef.5,22.24; vgl. Kol.3,9.10), en, een woord speciaal voor vrouwen: “Ik wil dat vrouwen zich waardig, sober en ingetogen kleden. Ze moeten niet opvallen door opzichtige haardracht, dure kleding, goud of parels, maar door goede daden” (1Tim.2,9.10). Ook al bedoelt de apostel in beide gevallen dat de kleding van de nieuwe mens moet bestaan in goede daden, uit het tweede woord dat ik van hem aanhaalde blijkt dat dat toch niet heel wat anders is dan de manier waarop wij ons kleden. Als je streeft naar blijdschap, reinheid, volmaaktheid en zuiverheid, moet je niet rondlopen in kleren die somber, vuil, rafelig en geil zijn. Loop er vooral uitdagend bij, maar dan wel zo dat mensen niet nieuwsgierig worden naar jou, maar naar Christus. Ook is er niks mis mee als je er nog zoiets als zondagse kleding op nahoudt. Dat betekent echt niet dat mannen, afhankelijk van de mode, in twee- of driedelig pak naar de kerk moeten komen. Als je voor je werk al in pak rond moet lopen, is er zelfs veel voor te zeggen om ’s zondags vrijetijdskleding te dragen. Je viert immers dat je door Christus vrij bent? Maar het heeft wel iets moois als je ook wanneer je voor je klerenkast staat je afvraagt: “Welke kleren zou ik nu het liefst voor de Here willen dragen?”
Het klinkt u en jullie misschien bijna banaal in de oren als ik dit zo zeg. En toch is dát heiliging. Dat je keuze voor de Here ook je andere keuzes bepaalt. Dat je, niet alleen in grote, maar ook in kleine dingen jezelf afvraagt: “Waar zou ik op dit moment de Here het meest een plezier mee doen?”
Om die reden is ook het voorbeeld van seksuele onthouding als je je helemaal op de Here wilt richten allerminst achterhaald. Of dat betekent dat u op zondag niet met elkaar naar bed gaat moet u helemaal zelf weten. Maar waarom zou op de dag van de Here, of in een week van voorbereiding op de tafel van de Here, of in een week van bezinning op het lijden van de Here, het genieten van elkaar niet eens mogen wijken voor het genieten van Hem?
Begrijp me goed, heiliging is niet zozeer onthouding ván hem of haar, ván dit of dat, als wel toewijding áán God. Maar om je aan Hem te kunnen wijden, moet je je soms van mensen of van dingen onthouden. Het omgekeerde is echter ook mogelijk: dat je, om niet in de eerste plaats jezelf maar je God een plezier te doen, je juist wijdt aan andere mensen of aan andere dingen. Oftewel: heiliging is niet alleen “nee” zeggen tegen mensen of dingen waar je zelf graag “ja” tegen zegt, maar het is ook “ja” zeggen tegen mensen of dingen waar je zelf graag “nee” tegen zegt.
Hóe uw heiliging er dan uit komt te zien, daar moet u zelf keuzes in maken. Laat u daarbij niet leiden door uw verlangens, maar door uw gaven. Maar dát uw heiliging eruit moet zien, dat is een ding dat zeker is. Want zonder heiliging van je leven zul je de Here niet zien. Oftewel: als jouw heiliging onzichtbaar blijft, zal God voor jou onzichtbaar blijven. “Laten we daarom het onwankelbare koninkrijk aanvaarden, om God zo te dienen dat hij er behagen in schept, met eerbied en ontzag. Want God(s liefde) is (geen sfeerverlichting, maar) een uitslaande brand”.

Amen.