Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Vrij blijven is niet vrijblijvend
titel : Vrij blijven is niet vrijblijvend
datum : 30 september 2007
volledige onderwerp : Zondag 31
Download deze preek.

Preek over HC zondag 31 (GZR, 30-9-07)

NG 78
L Gal.3,1-3; 5,13-6,10
Lied 115:2,3,4
T HC zondag 31
Ps.95:3,4,5
Gez.3
Ps.119:7,8,9 (na collecte)

Gemeente van de Here Jezus,

In zondag 31 van de Catechismus wordt de overgang gemaakt van het tweede naar het derde deel van de christelijke leer: het deel over de verlossing en het deel over de dankbaarheid. Maar als je goed naar die twee delen van de christelijke leer kijkt, dan kun je ook zeggen: in zondag 31 wordt de overgang gemaakt van Christus naar ons. Tot nu toe kwamen wij er helemaal nog niet aan te pas. Weliswaar heeft de Catechismus aan de hand van de apostolische geloofsbelijdenis uitgelegd wat Christus allemaal vóór ons gedaan heeft, maar dat wil blijkbaar nog niet zeggen dat die verlossing nu ook ván ons is. Dat de Catechismus dat echt meent blijkt wel daaruit dat hij het nodig vindt om te spreken van sléutels van het koninkrijk der hemelen. Onze verlossing wordt beheerd door de kerk. Zíj opent het koninkrijk der hemelen voor de gelovigen en sluit het voor de ongelovigen.
Maar dat is toch hartstikke rooms? Een gereformeerde kerk zal toch nooit zeggen dat zij de verzoening in pacht heeft? Zij zal juist, net als Johannes de Doper zeggen: “Daarvoor moet je niet bij mij, maar bij het lam van God moet zijn, dat de zonde van de wereld wegneemt. Ik ben de bruidegom niet, maar slechts de vriend van de bruidegom. Mijn taak is slechts de bruid en de bruidegom bij elkaar te brengen. Als ik zie dat de bruid haar bruidegom gevonden heeft, hoef ik me dan ook niet meer tussen hen in te dringen. Zolang de Heer maar op de voorgrond staat, mogen de heren wel op de achtergrond blijven” (Joh.1,29.36; 3,29).
Wat dat betreft ziet de gereformeerde kerk inderdaad voor zichzelf een veel bescheidener taak weggelegd dan de roomse kerk. Maar ook al is het een beschéiden taak, het is toch wel degelijk een bescheiden táák. Niet voor niets bracht de Catechismus de sleutels van het koninkrijk der hemelen níet ter sprake bij de behandeling van de sacramenten, in de zondagen 25 tot 30 dus. Had de Catechismus dat wel gedaan, dan had hij beweerd dat de kerk in doop en avondmaal de verlossing zelf uitdeelt. Maar dat doet de Catechismus dus niet. Hij ziet voor de kerk slechts de taak om in de prediking de goede weg aan te wijzen en in de tucht de verkeerde weg af te wijzen. Maar laten zowel de kerk als haar leden de bediening van het woord en de uitoefening van de tucht dan wel serieus nemen. Want de vrijheid die Christus ons geeft is niet vrijblijvend. Zoals de apostel Paulus zegt in het gelezen bijbelgedeelte: “Broeders en zusters, u bent geroepen om vrij te zijn. Misbruik die vrijheid nu niet om uw eigen verlangens te bevredigen. Want wie dat wel doen, zullen geen deel hebben aan het koninkrijk van God” (5,13.21).
Ik verkondig u vanmiddag het evangelie van zondag 31 van de Catechismus onder het volgende thema:

Vrij blijven is niet vrijblijvend
Want bij de christelijke vrijheid hoort
1. het nieuwe leren
2. het nieuwe leven

1. Bij de christelijke vrijheid hoort het nieuwe leren. “Het nieuwe leren”, dat is een term uit de onderwijsvernieuwing van de laatste jaren. De tijd dat een leraar uur na uur zijn verhaal kon vertellen voor een muisstille klas is voorbij. Leerlingen leren nu eenmaal beter als ze zelf ervaren dat ze bepaalde kennis nodig hebben om de dingen te doen die ze willen doen of moeten doen. Laat daarom niet de leraar voor zijn leerlingen uitmaken wanneer ze wat moeten leren. Nee, laat de leerlingen zelf ontdekken dat ze bepaalde kennis nodig hebben om iets in het leven te kunnen bereiken. Wanneer ze daarvan zelf overtuigd geraakt zijn, hoef je ook niet die eindeloze discussies met ze aan te gaan “waarom we dit nou allemaal moeten leren”. Ze beleven er zelfs lol aan om die kennis zelf te verwerven op een manier die bij hen past.
Inmiddels is men er wel achter gekomen dat dit allemaal misschien wat te optimistisch was. Je ontkomt er nu eenmaal niet aan dat je soms ook dingen moet leren waarvan je de zin nog even niet inziet. Het studiehuis is dan ook inmiddels afgebrand. Toch betekent dat niet dat het onderwijs weer terugkeert naar het oude leren. Al was het alleen omdat de jeugd van nu overal al doende leert. Zonder ooit een handleiding gelezen te hebben kunnen ze toch met allerlei computerprogramma’s omgaan. Gewoon door eindeloos te proberen. Leren via trial and error heet dat: met vallen en opstaan. Het is beter te proberen daar maar zoveel mogelijk bij aan te sluiten, dan hun op school ineens op een heel andere manier dingen aan te leren.
Maar in de kerk bestaat die kloof nog wel. Daar staat nog wel een herder en leraar zondag na zondag het evangelie te verkondigen voor een muisstille kerk. Tenminste, dat probeert hij. Maar hij krijgt wel te horen dat de moderne mens niet langer dan twintig minuten zijn aandacht bij een preek kan houden. En als dat een moderne hoorder al lukt, dan alleen omdat die hoorder daar erg zijn best voor gedaan heeft. Want hij is gewoon niet gewend om zolang zijn aandacht op één ding tegelijk te richten. Als je eens een keer met een jongere van nu achter de computer zit, zie je tot je verbazing hoeveel hij tegelijkertijd doet. Terwijl hij aan iets werkt, msn’t en sms’t hij met zijn vrienden, zonder dat hem dat blijkbaar afleidt. Het lijkt juist omgekeerd wel of hij productiever is, als hij met zoveel mogelijk dingen tegelijk bezig is. Wat dat betreft lijkt het of jonge mensen van nu zelf wel Windows als besturingssysteem hebben. Allerlei programma’s draaien tegelijkertijd, waarbij nu eens dit venster en dan weer dat venster aangeklikt wordt. Het is dus helemaal niet zo dat “de jeugd van tegenwoordig” te dom is om nog naar een preek van een half uur te kunnen luisteren, maar dat de preek van vroeger een veel te traag medium is voor hun lenige geesten.
Moet de kerk daar niet wat mee? Zoals het onderwijs er wat mee moet, of het dat nu wil of niet? Ik denk het wel. Maar dan hebben we het niet over wat cosmetische veranderingen als andere vormen van muzikale begeleiding, powerpointpresentaties met behulp van een beamer of een kortere preek. Als de toe-eigening van het heil werkelijk moet sporen met de wijze waarop mensen van nu kennis en vaardigheden opdoen, dan zullen onze kerkdiensten als zodanig op de schop moeten. Maar voor mij blijft dan de grote vraag of met de vorm niet ook de inhoud op de schop gaat. Want op alle terreinen van het leven mag misschien de wet gelden van: al doende leert men, behalve op het terrein van het koninkrijk der hemelen. Daar geldt de wet van het: al níet-doende leert men. Dat is het nieuwe leren van het koninkrijk der hemelen.
Zoals ik net in de inleiding al zei: onze verlossing, goed beschouwd komen wij daar helemaal niet aan te pas. Om verlost te kunnen worden moeten we leren werkeloos toe te kijken: hoe Gods Zoon geboren werd als mensenzoon, hoe Hij als één van ons geen aansluiting met ons vond, hoe Hij door ons als vuilnis over de stadsmuren gegooid werd, hoe Hij, hangend aan een kruis, zelfs de aansluiting met God verloor, hoe Hij weggestopt werd in een gat in de grond, hoe Hij verscheen aan ongelovige Thomassen, hoe Hij nagestaard werd bij zijn hemelvaart. Onze verlossing, we stonden erbij en we keken er naar.
Toch zegt het evangelie dat ‘het’ in die cirkelgang van “Jezus daalde neder, Jezus keerde weder” (Gez.23:2) geschied is. Je kon dat er niet aan afzien, maar in de prediking van het evangelie gaan we nog eens kijken, alleen dan echt. We gaan kijken met onze oren. Een hele opgave als je leeft in een beeldcultuur. Wat moet je met kreten die je in preken hoort, als: “Zie op naar Jezus, mijn broeder. Schuil aan de voet van het kruis, mijn zuster”? Want waar is dat kruis dan, aan de voet waarvan je moet schuilen? Dat heeft bijna tweeduizend jaar geleden ergens gestaan en dan ook nog eens niet hier. En stel dat je naar die plaats kon afreizen, dan stond dat kruis daar ook nog eens niet meer. Waar is die Jezus dan, naar wie je op moet zien? “Hij is hier niet, want Hij is opgewekt uit de dood; kijk, dat is de plaats waar hij was neergelegd”, zegt een engel (Mc.16,6). Maar dan zit je met precies hetzelfde probleem. Want waar is dat lege graf dan wat je gezien moet hebben? Ergens in Jeruzalem. En waar precies, daar zijn de meningen nog altijd over verdeeld. Het zou trouwens ook niet echt opschieten als je wist welke graf nu precies van Jezus geweest is, want dan is het nog steeds het graf van Jezus gewéést. Je vindt er niets, omdat je Hem er niet vindt. Want Hij is inmiddels allang opgevaren naar de hemel, om plaats te nemen aan de rechterhand van God. Hoe moet je dan nog opzien naar Jezus? Het lange avondmaalsformulier zegt: “Wij moeten – de harten omhoog! – op Jezus Christus zien, die in de hemel voor ons pleit aan de rechterhand van zijn Vader”. Maar dan hebben we het ondertussen wel over “zien” tussen hele grote aanhalingstekens.
Inderdaad, om op Jezus te kunnen zien, moet je veel fantasie hebben. Je moet Hem vóór je kunnen zien. Zoals een kind het vóór zich ziet als vader of moeder vertelt over Jip die door de heg naar Janneke kruipt. En net als dat kind vraag je elke avond weer of vader of moeder weer wil vertellen van Jip die door de heg naar Janneke kruipt. Want als je dat niet verteld wordt, dan zie je ook niet vóór je. Dat is nu wat de Catechismus bedoelt, als hij zegt dat door de verkondiging van het heilig evangelie het koninkrijk der hemelen voor de gelovigen geopend wordt. De prediking moet in de harten van de gelovigen een lied losmaken: “Ik zie een poort wijd openstaan”.
Maar als dat lied nu eens niet in de harten van de gelovigen rond gaat zingen? Dat kan dat toch net zo goed de schuld van de prediker als van de hoorders zijn? Zeker. Dat is vooral het geval als prediking niet tot de verbeelding spreekt. Dan worden er wel een heleboel woorden over je uitgestort, maar je ziet het niet vóór je. Een prediker moet dan ook bereid zijn alles uit de kast te halen om de gemeente “Jezus Christus als de gekruisigde voor de ogen te schilderen”, een uitdrukking van Paulus in Galaten 3 vers 1 (NBG-1951). En als de prediker geen schildergerei in zijn kast heeft, dan moet hij dat gerei maar inkopen.
Maar ondertussen geeft het wel te denken dat Paulus die typering van zijn prediking: dat hij de Galaten Christus voor ogen geschilderd heeft, gebruikt in een uitroep waaruit blijkt dat de Galaten behoefte hadden aan meer. Want de hele zin luidt: “O onverstandige Galaten, wie heeft u betoverd, wie Jezus Christus toch als de gekruisigde voor ogen geschilderd is?” De Galaten hadden blijkbaar moeite met het nieuwe leren van het koninkrijk der hemelen. Het nieuwe leren, zoals dat in het onderwijssysteem van het koninkrijk der Nederlanden is doorgedrongen, had hun waarschijnlijk beter gelegen. Want dát nieuwe leren is interactief. Je moet zelf ook aan actieve bijdrage leveren om verlost te kunnen worden. Bij de Galaten wilde het er niet in dat er niet meer van hen verwacht werd dan zich de ogen uitkeken bij de gekruisigde Christus, die Paulus hun met woorden uittekende. Zij wilden er niet aan dat kijken naar Christus meteen ook kijken naar jezelf is omdat Hij stierf voor jóu en opstond voor jóu. Nee, mijn oude leven, daar moet ik zelf mee breken. Mijn nieuwe leven, daar moet ik zelf mee beginnen. Christus helpt mij misschien een mooi eind op weg, maar Hij brengt me niet thuis.
Zo zou u het, broeders en zusters, jongens en meisjes, waarschijnlijk niet zeggen. Maar toch denk ik dat u nog net zoveel moeite hebt met de monoloog van de prediking als de Galaten. Dat is niet een gevolg van het feit dat de tijd dat dat de gemeente muisstil luistert naar een herder en leraar sinds kort voorbij is. Want peptalk die langer duurt dan twintig minuten wordt nog steeds ademloos gevolgd. Maar het evangelie is geen peptalk, omdat het totaal voorbijgaat aan wat wij allemaal wel niet kunnen, maar volstaat met te zeggen wat Christus allemaal wel niet kan. Het evangelie leert ons geen vaardigheden aan, maar leert ons onze vaardigheden af. De zesdaagse werkgang wordt verstoord door de wekelijkse kerkgang. In plaats van te werken mogen we rusten. In plaats van te praten mogen nu horen. In plaats van te sterven mogen we nu leven. Maar het blijft afwennen. Dat zeggen we dan ook voor elke kerkdienst: “Nog eentje dan, voor het afwennen”.

2. Bij de christelijke vrijheid hoort niet alleen het nieuwe leren, maar ook het nieuwe leven. Paulus schrijft zelfs dat wie zich overgeven aan overspel, zedeloosheid en losbandigheid, afgoderij en toverij, vijandschap, tweespalt, jaloezie en woede, gekonkel, geruzie en rivaliteit, afgunst, bras- en slempartijen, dat die geen deel zullen hebben aan het koninkrijk van God.
Dat is een woord dat er bij ons best wel inhakt. Wij hebben via Luther en Calvijn wel zoveel van Paulus geleerd, dat we ervan overtuigd zijn dat niemand aan het koninkrijk van God deel krijgt door zijn manier van leven, maar door zijn geloof in Christus alleen. Niet uit verdienste, maar uit genade word je ridder in orde van de leeuw van Juda. Toch schrijft diezelfde Paulus met één pennestreek mensen af om hun stijl van leven. En dan ook nog eens mensen die zich overgeven aan dingen die in het midden van onze gemeente nog steeds niet met wortel en tak uitgeroeid zijn. Want het grootste deel van Paulus opsomming wordt niet gevormd door mensen die zich te buiten gaan aan seksuele zonden, maar door mensen die niet of nauwelijks met elkaar door één deur kunnen. Als we daar de kerkelijke tucht op los zouden moeten laten, wat zou er dan van de gemeente overblijven?
Nu, al zouden we de kerkelijke tucht zo serieus willen nemen als Paulus het tot onze verbazing bedoelt, wat zou ervan terecht komen? In de praktijk functioneert de kerkelijke tucht nauwelijks, omdat mensen zich uit de voeten maken voor het hele circus in werking gezet is. Stemmen met de voeten, heet dat in de wereld. Maar ook tot de kerk is die stemprocedure allang doorgedrongen. Als er al eens iemand onder censuur geplaatst wordt, dan betreft het vrijwel altijd mensen die al tijden niet meer in de kerk komen. Maar het feit dat ze niet meer in de kerk komen is omgekeerd voor de kerkenraad vaak aanleiding ze juist niet onder censuur te zetten. Want stel dat je broeders of zusters die in onmin met één van de ambtsdragers leven afhoudt van het avondmaal, omdat hun voeten niet meer staan binnen de poorten van Jeruzalem (Ps.122,2), dan nemen ze zeker de benen. Het gevolg van de – op zichzelf terechte angst – van kerkenraden om de knoop van een meningsverschil door te hakken met het machtsmiddel van de tucht is echter wel, dat die meningsverschillen de onderlinge verhouding maar kunnen blijven verzieken. Terwijl de kerkelijke tucht juist als eerste doel heeft die verhouding gezond te houden.
Let erop dat de opsommingen die Paulus geeft van de vruchten van het vlees en de vruchten van de Geest onder het opschrift uit Galaten 5 vers 13 staan: “misbruik uw vrijheid niet om uw eigen verlangens te bevredigen, maar dien elkaar door de liefde”. Dat is de grote tegenstelling die er in dit stuk speelt. Daarom kunnen je eigen zin willen doen en je eigen gelijk willen halen door Paulus ook aan dezelfde verkeerde kant van de streep gezet worden. Het gaat hem er niet om te definiëren dat je om sommige zonden nog wel, en om andere zonden niet meer deel kunt hebben aan het koninkrijk van God. Nee, hij bedoelt te zeggen: als je nu al weet dat je zo niet met je broeders en zuster door de deur van de kerk kunt, besef dan ook dat je zo met hen niet door de poort van het koninkrijk kunt. Als het koninkrijk van God een wereld een gemeenschap van vredestichters is, dan mag de kerk dus niet een verzameling egotrippers zijn.
Het nieuwe van het nieuwe leven, dat hoort bij de christelijke vrijheid, is dus niet eens zozeer dat je er een beter mens van wordt, maar dat je er een beter médemens van wordt. Het is opvallend dat als Paulus in hoofdstuk 6 zijn opsomming van de vruchten van het vlees en de vruchten van de Geest uit hoofdstuk 5 uitwerkt, zijn voorbeelden helemaal niet zo spectaculair zijn. Ze ademen een heel bescheiden sfeer. Als je door de Geest geleid wordt heb je nl. helemaal niet de behoefte om je medebroeder of –zusters als zondaar aan te merken, omdat je, als je door de Geest geleid wordt, jezelf als zondaar hebt leren kennen. Zo kan Paulus in hoofdstuk 6 vers 1 zeggen: “broeders en zusters, wanneer u merkt dat een van u een misstap heeft begaan, moet u, die door de Geest geleid wordt, hem zachtmoedig weer op het rechte pad brengen”. De nieuwe bijbelvertaling vervolgt dan: “pas op dat u ook zelf niet tot misstappen wordt verleid”, maar dat lijkt me niet juist. Het lijkt me beter hier de oude vertaling maar aan te houden: “ziende op uzelf; gij mocht ook eens in verzoeking komen”. Paulus wil helemaal niet zeggen: “Pak een zondaar met zijden handschoenen aan. Voor je het weet word je zelf met zijn zonden besmet”, maar: “ga naast een zondaar staan als hij een misstap begaan heeft, want je bent zelf net zo vatbaar voor de zonde als hij”.
Nog zo’n weinig spectaculair voorbeeld: “Wie onderwezen wordt, moet al het goede met zijn leermeester delen”. Helaas vindt de nieuwe bijbelvertaling het opnieuw nodig meer te vertalen dan er staat: “Wie onderwezen wordt, moet al het goede dat hij leert met zijn leermeester delen”. Maar zo geestelijk bedoelt Paulus het echt niet. Hij wil niet meer zeggen dan dat als je werkelijk dankbaar bent voor je nieuwe leren, je nieuwe leven erin mag bestaan dat degene die je het evangelie gebracht heeft daar ook van kan leven. Paulus zegt dus heel simpel: “Wil je weten wat leven door de Geest is? Je VVB betalen”. Overigens spreekt Paulus daarin gewoon zijn leermeester na: de Here Jezus, die eens zei: “Verzamel voor jezelf geen schatten op aarde: mot en roest vreten ze weg en dieven breken in om ze te stelen. Verzamel schatten in de hemel, daar vreten mot noch roest ze weg, daar breken geen dieven in om ze te stelen. Waar je schat is, daar zal ook je hart zijn” (Mt.6,19-21). Alleen maakt Paulus het nog wat concreter. Want Hij zegt: “Waar je schat is, daar zal ook je portemonnee zijn”.

Sleutels van het koninkrijk der hemelen. Die term wekt de indruk dat God de hand op de knip houdt. Maar het is juist omgekeerd. De sleutels van het koninkrijk der hemelen moeten juist bediend worden, omdat je met het nieuwe leren en met het nieuwe leven nooit klaar bent. Gods vergeving is altijd groter dan onze zonden; genoeg niet alleen voor onze zonden, maar zelfs voor die van de hele wereld (1Joh.2,2). Daarom zeggen we tegen elkaar: “Kom, ga met ons en doe als wij (Ps.122:1). Want op één been kan het lichaam niet lopen”.

Amen.