Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Verbondsmatig, dus missionair
titel : Verbondsmatig, dus missionair
datum : 1 juli 2007
volledige onderwerp : Zondag 26 en 27
Download deze preek.

Preek over HC zondag 26 & 27 (GZR, 1-7-07; opnieuw bewerkt voor Den Ham, 18-01-09)

Ps.144:1,2
L Amos 2,6-3,2
Ps.37:8,9,10
T HC zondag 26 & 27
Ps.119:5,63
Lied 465:4,5 (na apostolische geloofsbelijdenis)
Ps.111:4,5,6 (na collecte)

Gemeente van de Here Jezus,

“Moeten ook de kleine kinderen gedoopt worden? Ja, want de kinderen behoren evengoed als de volwassen bij Gods verbond en bij zijn gemeente”. Met die zin heeft de Catechismus het meest wezenlijke gezegd, niet alleen van de kinderdoop, maar ook van de doop in het algemeen. De doop is het teken en zegel van Gods verbond. Omdat dat verbond niet alleen opgericht is met gelovige ouders, maar ook met hun kinderen, behoren ook zij gedoopt te worden.
Nu is de term “verbond” zo’n cliché geworden, dat die een beetje ‘uit’ is geraakt. Het zou me niks verbazen als in de preken van tegenwoordig de term “verbondsautomatisme” vaker voorkwam dan de term “verbond” zelf. Op zich is dat niet zo erg. Sterker nog, het is beter de lading die door de verbondsvlag gedekt wordt uit te stallen, dan met die vlag zelf te wapperen. Maar dan moet je wel weten welke lading door die vlag gedekt wordt. Anders is het risico dat met de vlag ook de lading overboord gaat.
Nu zal dat zo’n vaart niet lopen bij diegenen onder u die het verbond met de paplepel ingegoten is. Zelfs als je het woord “verbond” niet meer kunt horen, geloof je in de praktijk vaak nog steeds zo verbondsmatig als wat. Maar of dat ook nog geldt voor de generatie die geen enkel gevoel meer heeft bij het woord “verbond”, ook geen negatief gevoel, waag ik te betwijfelen. Ik baseer dat op uitlatingen van jongeren onder ons, die doen vermoeden dat niet alleen het woord “verbond” hun vreemd is, maar ook de zaak waar dat woord voor staat. Meermalen heb ik jonge gelovigen horen zeggen: “God houdt toch van alle kleine kindertjes; niet alleen van die kindertjes die gedoopt worden? Wat dat betreft zit er eigenlijk geen verschil tussen onze leeftijdgenoten die niet geloven en ons. Natuurlijk hebben wij wel een voorsprong, doordat wij thuis, op school en in de kerk geleerd hebben dat God van ons houdt. Maar dat betekent toch niet God daarom meer van ons houdt dan van hen die dat niet geleerd hebben?”
Wat moet je daarop zeggen? Je kunt niet zeggen dat er helemaal niks in die vraag van onze jonge mensen zit. In het evangelie staat immers niet: “Alzo lief heeft God de kérk gehad”, maar: “Alzo lief heeft God de wéreld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in hem gelooft niet verloren zou gaan, maar eeuwig leven hebben”, Johannes 3 vers 16. Kun je dan nog wel zeggen dat het een voorrecht is om bij Gods verbond te mogen horen? Als God toch van alle kleine kindertjes houdt, zouden de kinderen van de ongelovigen dan eigenlijk niet net zoveel recht op de doop hebben als de kinderen van de gelovigen? Als ik die vraag op catechisatie stel, dan komt er als antwoord: “Eigenlijk wel”.
Ook van dat antwoord kun je zeggen dat er best iets inzit. Want hebben onze kinderen meer recht op de doop dan de kinderen van de ongelovigen? Goed beschouwd heeft iedereen toch even veel of even weinig recht op de doop? Er zit dus zelfs wel iets oergereformeerds in om te zeggen dat de kinderen van de ongelovigen net zoveel recht hebben om gedoopt te worden als de kinderen van de gelovigen. In mijn antwoord wijs ik er dan wel op dat de Here Jezus niet voor niks gezegd heeft: “Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden” (Mc.16,16). Waar geen geloof is, mag dus ook niet gedoopt worden. Dat heeft tot gevolg dat het zelfs binnen de kerk geen automatisme is dat kinderen die in de gemeente geboren worden dus ook gedoopt worden. Er vindt altijd eerst een doopgesprek met de ouders plaats. Ik heb het in mijn werk als predikant wel eens meegemaakt dat ik na zo’n doopgesprek naar de kerkenraad teruggegaan ben met de boodschap dat er zo niet gedoopt kon worden. In onze kerken is het dan ook niet mogelijk dat er kinderen gedoopt worden van mensen die in de praktijk papieren leden zijn, zoals dat in de Protestantse Kerk in Nederland wel gebeurt. Op het moment dat ik wijs op het verband dat er volgens de Here Jezus zelf moet bestaan tussen geloof en doop, zijn de meeste catechisanten er wel van overtuigd dat de kinderen van de mensen die niet geloven toch niet gedoopt mogen worden.
Maar daarmee is de vraag nog niet weg. Want de doop is toch geen teken bij het geloof van de ouders, maar bij de belofte van God? Dat is iets dat de meeste gereformeerde jongeren ook nog wel weten; dat dat juist het verschil is tussen baptisten en gereformeerden: de doop is niet een teken bij mijn keuze voor God, maar bij Gods keuze voor mij. Dopen betekent niet: ik houd van God, maar: God houdt van mij. Maar als God niet alleen van mij houdt, maar van alle mensen, dan staat de vraag toch nog steeds levensgroot overeind: Wat is nou het bijzondere van die doop? Ik mag bij God horen, maar God wil toch net zo graag dat mijn klasgenoten en collega’s die niet geloven bij Hem horen? Kun je dan werkelijk zeggen dat God wel een verbond gesloten heeft met mij, maar niet met hen? Is dat verbond wel echt zo bijzonder, als God net zoveel houdt van hen die er niet bij horen als van hen die er wel bij horen?
Dat zijn heel lastige vragen. Maar ik hoop toch wel dat u allemaal voelt dat, hoe lastig de vraag die ik in deze preek aan de orde stel ook is, het wel een vraag is die ergens over gáát. Zelfs als het vraag is die u niet bezig houdt – wat ik me nauwelijks kan voorstellen – , dan nog is het een vraag die u bezig zou moeten houden, al was het alleen omdat zij onze jongeren bezighoudt.

Het antwoord op de vraag die ik in deze preek opwerp zal niet bestaan in het ontkennen van de vraag. Daarvoor zit er teveel waarheid in die vraag. Toch denk ik wel dat als je bij Gods liefde voor álle mensen begint, je nooit zult kunnen uitkomen bij het bijzondere dat God juist van jóu houdt. Als ik vooraf de lijn van deze preek heel kort samen zou moeten vatten, dan zou ik zeggen dat in de Bijbel altijd de omgekeerde weg bewandeld wordt: niet van het algemene naar het bijzondere, maar van het bijzondere naar het algemene.
Dat klinkt nog rijkelijk abstract. Ik hoop het in de preek duidelijk te maken aan de hand van het gedeelte dat we gelezen hebben uit de profetieën van Amos. Maar om u alvast een idee te geven: Iemand zegt vindt troost in dat overbekende woord uit Psalm 23: “Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis, ik vrees geen kwaad, want Gij zijt bij mij”. Maar dan zet iemand een vraagteken bij die troost door een oud versje van de zondagschool aan te halen: “Op bergen en in dalen en overal is God”. Oftewel: Dat is helemaal niks bijzonders, dat God bij je is, als je door een dal van diepe duisternis gaat. Want Hij is niet alleen op bergen en in dalen, maar overal. God is toch alomtegenwoordig? Ander voorbeeld: Je spreekt iemand aan op zijn zondige levensstijl. Maar diegene antwoordt: “We zijn toch allemaal zondig? Waar haal je dan het recht vandaan mij op mij zonden aan te spreken? Denk je soms dat je beter bent dan ik? Nou, alleen door die vrome smoel van je heb je het recht om mij de waarheid te zeggen al verspeeld”. In beide gevallen bezwijkt het bijzondere onder het algemene.
Is dat dan niet waar dat God alomtegenwoordig is? Zeker wel. Maar dat betekent niet dat iemand die niet gelooft ook wel zou kunnen zeggen dat God bij hem is, als hij door een dal van diepe duisternis gaat. Is dat dan niet waar dat we allemaal zondig zijn? Zeker wel. Maar dat betekent niet dat je iemand niet meer op zijn zonden aan zou kunnen spreken. De bijbel spreekt niet abstract over Gods aanwezigheid, maar concreet: “Hij is hier (en niet daar)”. De bijbel spreekt niet abstract over zonde, maar concreet. Daarom kan er in de Psalmen bijvoorbeeld onbekommerd gesproken worden van rechtvaardigen tegenover zondaars en van vromen tegenover goddelozen. De Bijbel gooit God niet op de grote hoop: Hij is overal en nergens, en de Bijbel gooit ook de mensen niet op de grote hoop: We zijn allemaal even slecht of goed. Nu, in diezelfde lijn noem ik ook een uitspraak als: “God houdt van alle mensen”, abstract, en de leer dat God een verbond met zijn volk gesloten heeft concreet.

Hoe concreet God Zich de omgang met zijn volk binnen het verbond voorstelde, blijkt wel uit Amos 2 en 3. Wij zijn begonnen te lezen bij het oordeel dat de Here bij monde van Amos afkondigt over Israël: “Misdaad op misdaad heeft Israël begaan!” Maar die woorden volgen op de aankondiging van het oordeel over de Israël omringende volken: “Misdaad op misdaad heeft Damascus begaan! Misdaad op misdaad heeft Gaza begaan! Misdaad op misdaad heeft Tyrus begaan! Misdaad op misdaad heeft Edom begaan! Misdaad op misdaad heeft Ammon begaan! Misdaad op misdaad heeft Moab begaan!” Als de rij door Israël besloten wordt, betekent dat niet dat de misdaad die Israël begaan heeft voor de Here van hetzelfde gewicht was als de misdaden van Damascus, Gaza, Tyrus, Edom, Ammon en Moab. Alsof Hij Israël op de grote hoop van misdadigers zou gooien. Want we lezen in hoofdstuk 3 vers 2: “Uit alle volken op aarde heb ik alleen júllie uitgekozen, en daarom zal ik júllie voor al je wandaden straffen”. Er zat dus een climax in al die aankondigingen. Je hoort het verdriet van de Here tussen de regels doorklinken, als Hij Israël moet noemen in hetzelfde rijtje als de volken waar Hij niks mee heeft.
Dat klinkt nogal kras. Zijn zulke volken er: volken waar de Here niks mee heeft? Hij is toch koning van de hele aarde? Hij bestuurt toch alle volken? Zeker. En dat weet Amos ook wel. Want verderop moet spreekt de Here door zijn mond: “Zijn jullie voor mij soms meer dan de Nubiërs, Israël? – spreekt de HEER. Ik heb jullie uit Egypte weggeleid, maar ook de Filistijnen uit Kreta en de Arameeërs uit Kir” (9,7). Maar het feit dat God ook de gang van die heidense volken geleid heeft, betekent niet dat Hij met hen dus net zoveel heeft als met Israël. Nee, want Hij zegt in hoofdstuk 3 vers 2: “U alleen heb Ik gekend uit alle geslachten van het aardrijk”.
Zo stond het in onze oude bijbeltjes. In de Nieuwe Bijbelvertaling lezen we: “Uit alle volken op aarde heb ik alleen jullie uitgekozen”. “Alleen jullie heb Ik gekend, en: “alleen jullie heb ik uitgekozen”, dat komt per saldo op het zelfde neer. Maar door “kennen” te vertalen als “uitkiezen” gaat er wel wat verloren. Want als God Israël wel uitgekozen heeft, dan is het logische gevolg dat Hij die andere volken blijkbaar niet uitgekozen heeft. Maar zo logisch gaat het er bij de Here niet aan toe. Dat wordt duidelijk als we dat woord “kennen” gewoon maar laten staan. Want is dat logisch dat de Here Israël wel gekend heeft en die andere volken niet? Er staat toch ook in de Bijbel: “De HEER kent de mensen, niet meer dan lucht zijn hun gedachten” (Ps.94,11)?
Zeker, maar kennen en kennen is blijkbaar twee. Het feit dat de Here alles van je weet betekent nog niet dat Hij je kent. Dat blijkt als op de laatste dag van onze koninkrijken en de eerste dag van Gods koninkrijk er mensen tegen de Here Jezus zullen zeggen: “Heer, Heer, hebben wij niet in uw naam geprofeteerd, hebben wij niet in uw naam demonen uitgedreven, en hebben wij niet vele wonderen verricht in uw naam?” Zou de Zoon van God dat allemaal niet geweten hebben? Natuurlijk wel. Toch zal Hij hun dan rechtuit zeggen: “Ik heb jullie nooit gekend. Weg met jullie, wetsverkrachters!” (Mt.7,22.23).

Wanneer een kindje dan ook het teken en zegel van Gods verbond ontvangt, dan zegt Hij: “Jou ken Ik”. Dat is niet nogal logisch, omdat de alwetende God – weer zo’n algemene waarheid: Gods alwetendheid – toch alle kindertjes kent. Nee, dan zegt God daarmee: “Met jou wil Ik iets heel bijzonders beginnen. Voor jou wil Ik niet alleen een God, maar ook een Vader, niet alleen een Man, maar ook een Echtgenoot zijn. Alles wat ik aan zorg en liefde in Me heb, geef ik aan jou”. Dat komt in de Naardense Bijbel zo mooi uit in Amos 3 vers 2: “Slechts u wil ik kennen”. Ook al kent God iedereen, Hij wil toch jou kennen.
Op dat wilsbesluit van God doelt de Catechismus, als hij zegt dat kinderen van de gelovigen door het teken van het verbond van de kinderen van de ongelovigen onderscheiden moeten worden. Of zoals de Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt in artikel 34: “(Door de doop) worden wij () van alle andere volken en vreemde godsdiensten afgezonderd, om helemaal het eigendom te zijn van Hem van wie wij het merk en veldteken dragen”.
Na zou je uit dat woord “afgezonderd” nog de conclusie kunnen trekken, dat God met de doop een soort Berlijnse muur optrekt tussen de kinderen van de gelovigen en de kinderen van de ongelovigen. Maar dat is allerminst de bedoeling. Dat blijkt ook wel daaruit dat de doop een “veldteken” genoemd wordt. Je wordt ingeschakeld in de veldtocht die Christus vlak voor zijn hemelvaart afgekondigd heeft, toen Hij zei: “Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde. Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest” (Mt.28,19).
Ook hier zien we hoe in het koninkrijk van God de verhouding is tussen het algemene en het bijzondere. Het feit dat Jezus alle macht heeft in hemel en op aarde betekent niet dat Hij voor ons de wereld wel zal veroveren. Nee, Hij ontsteekt het vuur van zijn liefde in de harten van zijn gekenden, om met dat vuur ook de harten van hen die nog niet zijn volk te verwarmen. De doop is dan ook een voluit missionair teken: de liefde van God in Christus die zich als een olievlek over de wereld verspreid. Met dit verschil dat dat de verste stranden niet bedekt raken onder vieze olie, maar onder rein water.
Het teken van het verbond als een missionair teken, dat is maar niet iets nieuwtestamentisch, nee, het teken van het verbond is altijd al missionair geweest. Want voordat God Abraham het gebod gaf dat zijn geslacht een besneden geslacht moest zijn (Gen.17,10), had God al tegen hem gezegd dat met hem alle geslachten van de aardbodem gezegend zouden worden (Gen.12,3). Als de apostel Petrus schrijft: “U bent een uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters, een heilige natie, een volk dat God zich verworven heeft om de grote daden te verkondigen van hem die u uit de duisternis geroepen heeft naar zijn wonderbaarlijke licht” (1Pt.2,9), dan is dat slechts een compilatie van citaten uit het oude testament. Altijd al heeft God met het verbond de wereld op het oog gehad.
Daarom is het ook zo triest dat bij Amos Israël genoemd moest worden in een rijtje volken waarin het niet thuishoorde. “U alleen heb Ik gekend uit alle geslachten van het aardrijk”. Want als God zijn blik liet gaan van de volken om Israël heen naar Israël zelf, dan zag Hij dat nergens terug. Hij vond dat blijkbaar zo erg, omdat dat betekende dat als Hem al niets aan Israël opviel, de volken om Israël heen helemaal niks aan Israël zou opvallen. Daar werden de armen al net zo verdrukt als bij hen. Als dat de etalage van het messiaanse vrederijk moest zijn? Daar was het kostbare geschenk van de seksualiteit al net zo’n gebruiksartikel geworden als bij hen. Als dat afspiegeling moest zijn van de band tussen de messias en zijn gemeente?
In zijn teleurstelling daarover horen we de Here de keerzijde benoemen van het feit dat Hij van alle volken alleen hén gekend heeft: dat Hij juist hén voor al hun wandaden zou straffen. Het feit dat Hij alleen hen gekend had, leidt ertoe dat Hij juist tot hen zal zeggen: “Ik heb jullie nooit gekend. Weg met jullie, wetsverkrachters!”

U hebt vast wel eens gezien hoe in een vaas met bloemen het soms net lijkt of de stelen van die bloemen in het water niet door lijken te lopen, maar te verspringen. Door het water heen lijken de dingen anders. Zo is het ook met het doopwater. Onze zonden krijgen ineens geen vervolg meer. Maar als ze in het doopwater toch welig blijken te tieren, gooit God met de vaas ook de bloemen weg.

Amen.