Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Als het kruis het hoogst is
titel : Als het kruis het hoogst is
datum : 14 maart 2004
volledige onderwerp : Zondag 10
Download deze preek.

Preek over HC zondag 10
(GZR, 14-3-04; Pijnacker, 12-3-06; Alpen, 3-12-06; De Lier, 24-6-07)

Ps.73:1,2 (v.m.; n.m.: 1,8,9)
Ps.73:7,9 (v.m.)
L Gen.22,1-14
Ps.121;1,4
L Rom.11,13-15.25-36
Ps.77:3,4
T HC zondag 10
Ps.105:4,5, [/ apostolische geloofsbelijdenis / n.m.] 21
Lied 434:1,2,5 (na collecte)

Gemeente van de Here Jezus,

Op 11 maart 2004 vond er in Madrid een verwoestend aanslag plaats, waarbij 200 mensen omkwamen en 1400 gewond raakten. Twee dagen daarna stond er een cartoon in de Volkskrant van Jos Collignon. Er stond slechts een scorebord op, dat uitrees boven zwarte rookwolken. Op dat scorebord stond de stand: “Allah – God : 2 – 0”. Daar heb ik lang naar gekeken. Ik denk er nog steeds over na. Tot in deze preek.

Wat de tekenaar ermee bedoeld heeft lijkt me niet zo moeilijk: 11/9 is 1 – 0, 11/3 is
2 – 0. Maar waarom is het dan 2 – 0 voor Allah? Uiteraard omdat het de tweede triomf is van het moslimfundamentalisme. Maar mij intrigeert die 0 veel meer dan die 2. Lijdt God hier een nederlaag? Stond Hij donderdag machteloos? Of betekent die 0 dat Hij er geen schuld aan had? Is het wat te makkelijk om nu met een beschuldigende vinger naar God te wijzen? Er is toch ook nog zoiets als de duivel? Mensen hebben toch ook hun eigen verantwoordelijkheid? Als God de duivel of de mensen ruimte geeft om kwade dingen te doen, dan is het toch veel te kort door de bocht om God dat kwaad in de schoenen te schuiven?
Daar zit iets in. Maar schieten we met dit soort nuanceringen nu zoveel op? Want we geloven toch ook dat God, als Hij werkelijke de Almachtige is, de macht heeft dit kwaad tegen te houden? Waarom doet Hij dat dan zovaak niet? Of is Hij zo almachtig niet? Wat er in Madrid gebeurde, kon Hij daar in feite ook niks aan doen? Het wordt wel gezegd. God laat je niet lijden, Hij lijdt met je mee. In feite doet Hij dus niks anders dan wat mensen ook doen als ze niet weten wat ze doen, niet weten wat ze zeggen moeten: er voor je zijn en een arm om je heenslaan. Dat is niet niks, maar het voegt ook niks toe aan wat mensen al doen. Een God die er, als de mensen, ook niks aan kon doen, is een God die er, als de mensen, ook niks aan kán doen. Het feit dat Hij meelijdt maakt Hem zélf tot een meelijwekkende figuur. Als die oude man uit het boek van de Duitse schrijver Wolfgang Borchtert, Draußen vor der Tür. Huilend zit hij op de pijnhoop: “mijn kinderen, mijn arme kinderen”.
Huilen op de puinhoop, het is een beeld dat herinnert aan het bijbelboek Job. In feite wordt in veel moderne theologie aan de drie vrienden van Job nog een vierde toegevoegd: God. Maar in dat bijbelboek zelf wordt God juist door Job aangeklaagd, omdat Job gelooft dat God wel degelijk wat kon doen aan zijn lijden. En terecht. Ook al weten wij als lezers dat het de duivel was die Job in het ongeluk stortte, Job weet dat niet. Hij spreekt God zélf erop aan. In het antwoord dat Job van God krijgt in het onweer, horen we God nergens zeggen: “Je moet niet bij Mij zijn. Je bent met je klachten aan het verkeerde adres”. Het enige wat Job te horen krijgt is dat hij eraan herinnerd wordt dat God God is en de mens de mens. Daar moet hij het maar mee doen.
En daar kán hij het ook mee doen. Want een God die er niks aan kon doen, zo’n God hoef je niet te loven, als je getroffen wordt door het goede; bij zo’n God hoef je je niet te beklagen, als je getroffen wordt door het kwade. Maar als in de Bijbel mensen aan het woord komen, wat doen ze anders dan dat: loven en klagen? Waarom zou dat anders in de Bijbel staan dan omdat God dat ook van ons verwacht: dat Hij geloofd zij en geklaagd? Heeft dat klagen dan zin, anders dan dat het nooit kwaad kan je hart te luchten? Zeker. Want een God die er wat aan kon doen, die kán er ook wat aan doen. Ja, mensen doen in de Bijbel hun beklag bij God, omdat ze het vaste geloof hebben dat Hij er ook wat aan zál doen.
Daarom zijn al die nuanceringen dat er toch ook een duivel is en dat mensen toch ook hun eigen verantwoordelijkheid hebben aan de gereformeerde belijdenis in zondag 10 van de Catechismus niet besteed. Want uiteindelijk troost het niet te zeggen dat het de duivel was of Al Qa’ida. Wij richten ons oog schreiend tot God (Job 16,20), omdat we geloven dat het waar is wat we zo vaak gedachteloos gezongen hebben:

Hij kan en wil en zal in nood,
zelfs bij het naadren van de dood,
volkomen uitkomst geven (Ps.68:8).

Hoe komen we daarbij? Omdat we God kennen in Jezus Christus.

Allah – God : 2 – 0, het houdt me nog steeds bezig. Als je daar goed over nadenkt, dan is de grote aanstoot die erin schuilgaat dat God hier wordt voorgesteld als een verliezer. Om die reden zouden sommigen van u het misschien zelfs wel een godslasterlijke prent gevonden hebben. En toch hè, zouden om diezelfde reden de joden zich niet afgekeerd hebben van Christus? Omdat ze weigerden in die verachtelijke figuur van de gekruisigde Christus God te herkennen? Volgens de apostel Paulus wel. Hij schrijft tenminste in zijn eerste brief aan de Korintiërs: “Wij verkondigen een gekruisigde Christus, voor Joden aanstootgevend en voor heidenen dwaas. Maar voor hen die geroepen zijn, zowel Joden als Grieken, is Christus Gods kracht en Gods wijsheid, want het dwaze van God is wijzer dan mensen, en het zwakke van God is sterker dan mensen” (1,23.24).
Als Jos Collignon een cartoon had mogen tekenen naar aanleiding van de kruisiging van Jezus Christus, dan was het waarschijnlijk 1 – 0 voor de joden uit Jeruzalem geworden en 2 – 0 voor de heidenen uit Rome. Maar Paulus zegt: maar voor mensen die geroepen zijn is de gekruisigde Christus een betoon van wijsheid en van kracht. God is hier niet aan het einde van zijn Latijn, Hij begint hier juist te spreken, in het Hebreeuws, in het Latijn en in het Grieks (de 3 talen van het bordje aan het kruis van Christus!), en ook in het Nederlands. Ieder wordt in zijn eigen taal opgeroepen om via deze lijdende knecht de God de Vader, de Almachtige, Schepper van de hemel en de aarde te vinden. U vraagt zich af, waar God is? U ziet Hem nergens? U kunt Hem tussen al dat zinloze geweld op aarde nergens ontwaren? Als er dan een almachtige God is die mijn lieve Vader is, waarom moet ik dit dan allemaal meemaken? Kijk dan eens naar Jezus, zoals Hij machteloos aan dat kruis hangt. God is juist daar te zien, waar Hij voor ons gevoel onzichtbaar is. Zijn kracht wordt pas wordt pas ten volle openbaar in zwakheid (2Kor.12,9).
Het gekke is dat veel christenen dit uit ervaring ook wel weten. Ze kunnen het Paulus nazeggen: “Als ik zwak ben, dan ben ik machtig” (2Kor.12,10). Juist wanneer je menselijkerwijs alle reden hebt om het uit te roepen: “Gods, als U er bent, waar bent U dan?”, is God voor je gevoel zo nabij. Als de grond onder je voeten wegzinkt, voel je je juist gedragen.
Niemand heeft dit, wat mij betreft aangrijpender onder woorden gebracht dan Jacqueline van der Waals, in een gedicht dat u misschien wel kent. Ze heeft te horen gekregen dat ze aan een dodelijke ziekte lijdt, maar schrijft:

Sinds ik het weet – ik weet het wel, ofschoon
Nog onder ons angstvallig wordt ontweken,
Het boze woord te noemen, dat bij ’t spreken
Licht ruw of wat onzuiver klinkt van toon, –

Sinds ik het weet, is God mij meer nabij
En vaak, in d’ ernst van ’t aardse spel verloren,
Zo ernstig en zo diep als ooit tevoren,
Gevoel ik plots Gods glimlach over mij.

Dat is geen vrome kwezelpraat. Want ze heeft ook een ander gedicht geschreven over het moment dat ze te horen kreeg dat ze sterven moest. Het was alsof de dood het haar persoonlijk kwam vertellen. Dat gedicht beëindigt ze met de regels:

Ik deed u even later uitgeleide,
Ik zag u duister in het avondrood
Verdwijnen in de duisternis der heide.
En keerde huiswaarts langs het kiezelpad,
Ik sprak niet ‘goede Dood’, ik sprak niet ‘boze’,
Maar ’t dennenbosjes geurde, en de rozen,
En ’k had het leven nooit zo lief gehad.

Dat kan blijkbaar samengaan: Gods liefde bijna lijfelijk voelen en tegelijk je hartstochtelijke liefde voor het leven. We moeten het niet mooier maken dan het is. Maar hoeven ook niet te verzwijgen dat juist die moeilijke momenten tegelijk zulke mooie momenten kunnen zijn; dat je Gods aanwezigheid ervaart als nooit tevoren.
Misschien kent u zulke ervaringen helemaal niet, of hebt u ze gekend, maar zijn ze weggezakt, onbereikbaar ver. Ik kan u geen recept geven om deze ervaring op te roepen. Dat is ook mijn taak niet, maar die van de Heilige Geest. Maar ik kan u wel oproepen uw eigen leven te zien in het licht van het kruis van Jezus Christus. Want in Jezus ontmoet je God niet als Iemand die Zich niets aantrekt van jouw strijd, maar die Zich die strijd juist persoonlijk aantrekt. Hij blijft niet op een afstand, maar komt heel dichtbij. Hij maakt Zich zelfs de vraag eigen, die zoveel mensen kwelt: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?” (Ps.22,2 // Mt.27,46 par.) Als je je gedachten richt op Jezus, dan kun je ook voor jezelf geloven dat God juist daar is waar je Hem niet verwacht; dat Hij ook bij jou is, terwijl je Hem niet ziet. Als je het zo al niet voelt, dan mag je het in elk geval zo zien. Het is het gezicht van Jakob, de vluchteling, de asielzoeker, die verdreven van huis en haard de hemel boven zich open zag gaan en een ladder tussen jou en God, waarop engelen opstijgen en neerdalen. Je hoeft die ladder niet te beklimmen. Kijk naar Jezus: God daalt er zelf langs af.

Als je Jezus Christus eenmaal kent, dan kom je Hem overal tegen: in de Bijbel, in de wereld, in je eigen leven. We lazen het overbekende verhaal van Abraham die van God zijn enig kind moest offeren. Als je Jezus Christus niet kent, dan is het een gruwelijk verhaal. Wat is dat voor een God, die mensenoffers van zijn kinderen eist? Maar Abraham zegt dat niet. Als Isaak hem vraagt: “Hier is het vuur en het hout, maar waar is het lam ten brandoffer?”, dan zegt Abraham: “God zal Zichzelf voorzien van een lam ten brandoffer, mijn zoon”. De gereformeerde kerk spreekt die belijdenis na, als ze zegt in zondag 9: “Daarom vertrouw ik zo op Hem, dat ik er niet aan twijfel, of Hij zal mij voorzien van alles wat ik voor lichaam en ziel nodig heb, en ook elk kwaad, dat Hij mij in dit moeitevol leven toedeelt, voor mij doen meewerken ten goede”. Als dan in zondag 10 gevraagd wordt: “Wat verstaat u onder Gods voorzienigheid?”, moeten we zondag 9 niet vergeten. Dan begrijpen we dat met “voorzienigheid” niet bedoeld wordt dat God alles van te voren ziet en weet (waar ik overigens niet aan twijfel), maar het onwankelbare vertrouwen van Abraham: “De HERE zal erin voorzien”, zelfs als Hij mij een dal van diepe duisternis inleidt (Ps.23,4).
Hoe kwam Abraham daarbij? Omdat God dat beloofd had: “Door Isaak zal men van nageslacht van u spreken” (Rom.9,7 // Hebr.11,18 // Gen.21,12). Abraham was er vast van overtuigd dat God die belofte zou houden, zelfs als Isaak geslachtofferd zou zijn. Daarmee heeft Abraham in feite als overwogen dat God bij machte was Isaak uit de doden op te wekken, zegt de brief aan de Hebreeën (11,19). Gods almacht zou juist dan blijken, als Hij het Zichzelf, menselijk gesproken, onmogelijk gemaakt had zijn beloften nog te vervullen.
Hetzelfde schrijft Paulus in het beroemd/beruchte hoofdstuk 11 van zijn brief aan de Romeinen. Beroemd omdat Paulus hier de bekering van Israël zou voorspellen, volgens sommigen. Berucht omdat Paulus dat juist niet doet, volgens anderen. Vrijwel alle vrijgemaakte dominees horen bij die anderen. Voor beide standpunten zijn uit Rom.11 wel argumenten aan te voeren. Maar de hoofdlijn is toch wel duidelijk: het is te simpel om te stellen dat het Israëls eigen schuld is dat hij niet gelooft in Jezus als de Messias. Ook dat ongeloof van Israël gaat niet buiten God om. Het is een onderdeel van zijn plan met Israël en de wereld. Nu Israël de Messias verworpen heeft, gaat God met het evangelie van redding door Jezus naar de wereld. Maar de bedoeling daarvan is uiteindelijk dat Israël het niet kan verdragen dat hij door God is buitengesloten en alsnog bij Jezus aanklopt: “Here, doe ons open!” In de woorden van Paulus zelf: “Want evenals gij eertijds aan God ongehoorzaam waart, maar nu ontferming hebt gevonden door hun ongehoorzaamheid, zo zijn ook dezen nu ongehoorzaam geworden, opdat door de u betoonde ontferming ook zij thans ontferming zouden vinden. Want God heeft allen onder ongehoorzaamheid besloten, om Zich over allen te ontfermen”.
Meteen daarna barst de apostel in een lofzang uit: “O diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis God, hoe ondoorgrondelijk zijn zijn beschikkingen en hoe onnaspeurlijk zijn wegen!” Dat is dus wel even wat anders dan gelaten constateren: Gods wegen zijn ondoorgrondelijk. Het feit dat God wegen ondoorgrondelijk zijn is voor Paulus juist reden onverbeterlijk optimistisch te zijn. Want als het doel van de verwerping van Israël uiteindelijk de verkiezing van Israël is, dan is er dus altijd hoop. Ja, je mag zelfs zeggen: er is juist hoop, als je alle reden hebt de wanhoop nabij te zijn.
Ik zie dan ook zelfs in Auschwitz geen reden niet meer in God te kunnen geloven. Wie had ooit kunnen verzinnen dat juist in de Endlösung de vestiging van de staat Israël nabij was? Zou dat geen teken van hoop zijn voor mensen die ten einde raad zijn? Als ik die vraag aan mijn collega’s hier in de classis stel, dan halen ze bijna allemaal hun schouders op. Natuurlijk, we belijden met zondag 10 dat niks bij toeval gebeurt, dus de vestiging van de staat Israël, slechts 3 jaar na de holocaust, zal ook wel geen toeval geweest zijn. Maar verder? Ik begrijp daar dus helemaal niks van. Zou dit dan niet zo’n glimlach van God zijn, waar Jacqueline van der Waals van sprak? Een knipoog aan mensen die beweren na Auschwitz niet meer in God te kunnen geloven? Opmerkelijk trouwens dat dezelfde moderne theologen die dat beweren over het algemeen zo anti-Israël zijn. Of is dat er een bewijs van dat zij de tekenen der tijden niet gezien hebben?
Maar als u, net als veel van mijn collega’s, bereid bent overal Gods hand in de geschiedenis aan te wijzen, behalve in de recente geschiedenis van Israël, het is mij wel. Maar waar wou u die hand van God in de geschiedenis dan wel aanwijzen? In de mooie dingen van het leven? Dan gaat de Catechismus toch verder. Die ontdekt Gods vaderhand niet alleen in regen, maar ook in droogte, niet alleen in vruchtbare, maar ook in onvruchtbare jaren, niet alleen in gezondheid, maar ook in ziekte, niet alleen in rijkdom, maar ook in armoede, en ik mag wel aanvullen: niet alleen in leven, maar ook in sterven.
Gods hand is er, ook in het lijden. Grijp die hand dan vast, om met Paulus te kunnen zeggen: “Want ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch engelen nog machten, noch heden noch toekomst, noch krachten, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here” (Rom.8,38.39).

Ze zeggen wel eens: als de nood het hoogst is, is de redding nabij. Een gruwelijk cliché? Laat ik het dan anders zeggen: als het kruis het hoogst is, is de opstanding nabij.

Amen.