Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > De sacramenten: ongeloofwaardig, ongastvrij, onmisbaar
titel : De sacramenten: ongeloofwaardig, ongastvrij, onmisbaar
datum : 24 juni 2007
volledige onderwerp : Zondag 25
Download deze preek.

Preek over HC zondag 25 (GZR, 24-6-07)

Ps.109:9,12,14
L Luc.11,14-32
Ps.78:14,5,10
T HC zondag 25
Ps.60:2,5
Gez.3
Lied 225 (na collecte)

Gemeente van de Here Jezus,

“Meester, we zouden graag een teken van u zien”. Die vraag aan het adres van Jezus lijkt misplaatst, als zij gesteld wordt vlak nadat Jezus uit iemand die niet kon spreken een boze geest heeft uitgedreven. Hoe kun je Jezus nu vragen om een teken, als Hij er net één gegeven heeft? Toch was blijkbaar niet iedereen door die duiveluitdrijving ervan overtuigd geraakt dat Jezus inderdaad de beloofde Messias was. Want er liepen in die tijd meer exorcisten in Israël rond. Jezus zelf verwijst daarnaar, als Hij zegt: “Als ik – zoals jullie suggereren – dankzij Beëlzebul demonen uitdrijf, door wie drijven jullie eigen mensen ze dan uit?” Zelfs het grootst denkbare wonder: de opwekking van een dode, had niet tot gevolg dat ieder zich aan Jezus gewonnen gaf. Ook de profeten Elia en Elisa hadden zo’n wonder immers verricht (vgl. 1Kon.17,17-24 resp. 2Kon.4,18-37)? Het teken dat men nu van Jezus vroeg was dan ook een teken dat niet langer voor tweeërlei uitleg vatbaar was: een teken uit de hemel. God zelf moest aan alle discussie over Jezus een einde maken door Hem ondubbelzinnig aan te wijzen als zijn Zoon. Dan pas zouden ze in Hem geloven.
Maar Jezus zegt: “Dit is een verdorven generatie! Ze verlangt een teken, maar zal geen ander teken krijgen dan dat van Jona”. Wat dat antwoord ook precies mag betekenen, zoveel is wel duidelijk: Het teken uit de hemel waar Jezus’ generatiegenoten om gevraagd hadden, dat komt er niet. Pas als Hij komt met de wolken, zal er over de vraag wie Jezus is geen discussie meer mogelijk zijn (vgl. Mt.24,27). Dat betekent niet dat wij leven in een tekenloos tijdperk. Want Jezus heeft voor de tijd tussen zijn hemelvaart en zijn wederkomst wel degelijk tekens ingesteld die ons met Hem verbinden: de heilige doop een het heilig avondmaal. Maar het zijn geen tekens die aan alle discussie over Jezus een einde maken. Het is eerder omgekeerd: nergens is in de geschiedenis van de christelijke kerk zoveel over gediscussieerd als over die twee – wat wij noemen – sacramenten. Niet voor niets trekt de catechismus maar liefst zes zondagen uit voor de behandeling van doop en avondmaal. Want er was in de tijd dat de catechismus geschreven werd een groot verschil van mening over de sacramenten. Niet alleen met de Rooms-katholieke kerk was er een front, maar ook onderling waren de protestanten tot op het bot verdeeld over de aard van de sacramenten. Luther, Zwingli en Calvijn, ze hadden alle drie hun eigen sacramentsleer. Sinds die tijd is er weinig veranderd. Onze kerken, de gereformeerde kerken (vrijgemaakt), zijn zelfs ontstaan uit een meningsverschil over de betekenis van de kinderdoop. En al is dat meningsverschil allang in ons voordeel beslecht, de discussie over de kinderdoop zelf gaat onverminderd door. De huidige discussie is zelfs wel zo fundamenteel als de discussie uit de vrijmakingstijd. Want de kinderdoop zelf stond toen niet ter discussie. De discussie beperkte zich tot de vraag naar de reikwijdte ervan. Kwamen de beloften van de drie-enige God toe aan alle kinderen van de gelovigen of slechts aan de uitverkorenen onder hen? Maar nu vragen steeds meer ouders zich af of ze hun kinderen überhaupt wel moeten laten dopen. Kortom, ook al zegt de Catechismus dat de sacramenten door God zijn ingesteld om ons door het gebruik daarvan de beloften van het evangelie nog beter te doen verstaan, het lijkt erop dat we er door de sacramenten alleen maar minder van begrijpen.
In deze preek wil ik niet een poging doen het rookgordijn te laten optrekken, maar juist, omgekeerd, laten zien dat dat rookgordijn de sacramenten eigen is. Pas als je door dat rookgordijn heengegaan bent, gaan ze tot je spreken. Eerder niet. Ik verkondig u het evangelie vanmiddag onder het volgende thema:

Christus geeft tekens van leven
Die tekens zijn
1. (on)geloofwaardig (v&a 65)
2. (on)gastvrij (v&a 67)
3. (on)misbaar (v&a 68)
(bij alle drie de punten staat het voorvoegsel ‘on-’ tussen haakjes)

1. In vraag en antwoord 65 van de Catechismus wordt er een fundamenteel onderscheid gemaakt tussen woord en sacrament. Van het woord wordt gezegd dat het het geloof in ons hart wérkt en van het sacrament dat het het geloof verstérkt. Anders gezegd: je gáát geloven door naar het woord te luisteren en je gaat nog méér geloven door het sacrament te gebruiken. Nu zegt de Catechismus dat als antwoord op de vraag: Nu alleen het geloof ons aan Christus en al zijn weldaden deel geeft, waar komt die geloof vandaan? Goed beschouwd zegt de Catechismus met dat antwoord dus: niet van de sacramenten. Die kunnen hun werk pas doen als je eenmaal gelooft. Dan kan je geloof door het gebruik van de sacramenten zelfs sterker worden.
In de Dordtse Leerregels worden mensen die erover aarzelen of ze wel van zichzelf kunnen zeggen dat ze een levend geloof in Christus hebben of met hart en ziel op God vertrouwen, dan ook opgeroepen om de middelen van doop en avondmaal trouw te blijven gebruiken, vurig te verlangen naar de tijd van overvloediger genade en die eerbiedig en ootmoedig te verwachten (DL I 16). Die tijd van overvloediger genade mag je immers verwachten, als bij je doop God zelf tegen je gezegd heeft: “Jij bent mijn kind”, en bij het avondmaal Christus zelf tegen je zegt: “Dit is mijn lichaam voor jou”. Zolang je twijfelt, kunnen de sacramenten je dan ook net dat zetje geven om je vertrouwen toch weer op God te stellen en jezelf toch weer aan Christus over te geven. Maar als je zelfs niet meer twijfelt, dan kunnen de sacramenten niets voor je betekenen. Want ze werken niet voor mensen die niet meer of nog niet geloven, maar zijn slechts versterkende middelen voor mensen die al wel geloven. Voor ongelovigen zijn de tekens van woord, brood en wijn dan ook volstrekt ongeloofwaardig.
Misschien bent u daar wat teleurgesteld over. Ook omdat u ervaring weet dat de Catechismus gelijk heeft. Want wees nou eerlijk, die doop en dat avondmaal, wat stelt het eigenlijk voor? Zeker als je doop en avondmaal viert op de sobere op onze sobere manier. Dat drupje water, dat brokje brood, dat slokje wijn, moet je daar nu wonderen van verwachten? Je moet er zoveel bij uitleggen voordat die tekenen gaan spreken. Die vertaalslag, wie kan die nog maken? Bij de doop gaat dat nog wel, zeker als het om de doop van je eigen kind gaat. Maar bij het avondmaal, waar moet je dan precies aan denken? Niet voor niets was het avondmaalsformulier altijd heel lang. Als je dat gaat inkorten, komen er dingen naast elkaar te staan die voor je gevoel zover uit elkaar liggen. Vooral in het korte avondmaalsformulier nummer V: “Het (avondmaal) vervult ons met schaamte om onze zonden en het vervult ons ook met dankbaarheid, vanwege (Christus’) verzoenende liefde”. Je schamen en tegelijk dankbaar zijn, hoe krijg je het voor elkaar? Dan komt er een gebed waarin in één zin gezegd wordt: “Wij belijden onze schuld en danken U voor de vergeving van onze zonden”. Ik krijg dat gebed dus niet over mijn lippen. Zo’n gladde schuldbelijdenis raakt mij al niet, laat staan Hem tot wie die gebed opgezonden wordt. Als we dan aan de viering toe zijn, worden we er door alle formulieren op gewezen dat wij onze harten niet moeten richten op de tekenen van brood en wijn, maar op Hem, die in de hemel voor ons pleit aan de rechterhand van zijn Vader. Dus als het erop aankomt, moet niet met je hoofd bij je zonden zitten, zelf niet bij de vernederde Christus, maar bij de verhoogde Christus. Ik weet nu hoe dat u vergaat, maar ik krijg het niet voor elkaar. Elke avondmaalsganger neemt, denk ik, uit de veelheid van gedachten die het sacrament kan losmaken één gedachte die bij hem past. De één wordt er diep door getroffen dat Christus zijn leven dus echt ook voor hem of voor haar gegeven heeft. De ander volgt de rondgang van brood en beker en wordt ontroerd door de gedachte: “Al die mensen horen dus bij Christus, bij elkaar, bij mij”. Maar dan nog beleeft ieder het avondmaal op zijn of haar manier. Wat dat betreft is het avondmaal dus geen eenduidig, maar een meerduidig teken.
Juist daarom herkennen wij dat verlangen van de mensen uit Jezus’ dagen best, naar een teken dat aan alle dubbelzinnigheid een einde maakt. Het zou mij niet verbazen als om die reden in veel kerken de belangstelling voor de ziekenzalving, waar Jakobus van spreekt in zijn brief (5,14.15). Want als iemand die door de artsen al opgegeven was, na met olie gezalfd te zijn in de naam des Heren, ineens wel beter werd, dat zou toch wel in de buurt komen van dat teken uit de hemel, waar Jezus’ generatie al naar snakte. Toch zegt Jezus dat een generatie die daarnaar snakt een verdorven generatie is. “Ze verlangt naar een teken, maar zal geen ander teken krijgen dan dat van Jona”. Wat dat teken van ook Jona is, het is in elk geval niet het teken uit de hemel waar die verdorven generatie naar verlangde.
Hoezo verdorven? Omdat ze aan Jezus zelf niet genoeg had. Maar wat voor teken Jezus ook in zal stellen, geen teken dat het geloof in Hem overbodig maakt. De olie waarmee een zieke gezalfd wordt kan dan ook nooit meer kracht hebben dan het water van de doop en het brood en de wijn van het avondmaal. Slechts als een nieuwe uitbeelding van hetzelfde evangelie dat ook al door doop en avondmaal betekend en verzegeld is kan de ziekenzalving misschien een plek krijgen in de gemeente van Christus. Maar dan ook alleen als uitbeelding van wat we belijden in zondag 12 van de Catechismus: “Waarom wordt u een christen genoemd? Omdat ik door het geloof een lid van Christus ben en zo deel heb aan zijn zalving”. (Het Griekse “Christus”, in het Hebreeuws “Messias”, betekent zoals u misschien weet: Gezalfde.) Voor tekenen die meer beloven dan ons in Christus al geschonken is, is in zijn gemeente echter geen plaats.

2. Daarmee zijn we bij het tweede punt van de preek aangekomen: de sacramenten voegen niet iets toe aan het heil dat we in Christus ontvangen hebben, maar brengen ons juist bij dat heil terug. Bij de viering van de sacramenten gaat alle ballast overboord en getuigen we met blijdschap dat we het, als het erop aankomt, hiermee kunnen doen: dat ons volkomen heil rust in het enige offer van Christus, dat voor ons aan het kruis volbracht is, zoals vraag en antwoord 67 zegt.
Dat vraag en antwoord is voluit positief gesteld: hier kunnen we het mee doen. Maar ondertussen is dat positieve antwoord wel exclusief geformuleerd: ons volkómen heil rust in het énige offer van Christus. De keerzijde daarvan wordt in de volgende zondagen van de Catechismus onder woorden gebracht: dat de sacramenten slechts ingesteld zijn voor mensen die dat geloven. De levenstekens die Christus ons geeft zijn daarom niet alleen van zichzelf ongeloofwaardig, maar ook ongastvrij. Het zijn tekens die scheiding maken tussen gelovigen en ongelovigen, tussen hen die wel en hen die geen deel aan Christus hebben.
Door de doop word je in Christus’ lichaam ingelijfd en van de kinderen van de ongelovigen onderscheiden, zegt zondag 27. En wat betreft het avondmaal, volgens zondag 30 is dat ingesteld voor hen die om hun zonden een afkeer hebben van zichzelf en toch vertrouwen dat deze hun om Christus’ wil vergeven zijn, en dat ook de overblijvende zwakheid door zijn lijden en sterven bedekt is; die ook begeren hoe langer hoe meer hun geloof (in Christus) te versterken en hun leven te beteren. Om die reden zegt diezelfde zondag dat men niet tot het avondmaal mag toelaten hen die zich door hun belijdenis en leven als ongelovigen gedragen. Je zou kunnen zeggen dat God je in de doop belooft dat je aan zijn Zoon Jezus Christus genoeg zult hebben voor leven en sterven en dat jijzelf bij het avondmaal belijdt dát je aan zijn Zoon Jezus Christus ook genoeg hebt voor leven en sterven. Mensen die het daar niet mee eens zijn mogen niet zichzelf of hun kinderen laten dopen, laat staan dat ze aan het avondmaal zouden mogen deelnemen. Want dat zou me een vertoning worden! Je staat wel op van je plaats om aan te schuiven aan de avondmaalstafel, maar ondertussen heb je je leven helemaal niet buiten jezelf in Christus gevonden. Je strekt je hand wel uit naar brood en beker, maar ondertussen gaat je hart helemaal niet uit naar Hem die door die tekens voorgesteld wordt. Mensen die behoefte hebben aan meer, zoals die verdorven generatie uit Jezus’ dagen, worden dan ook van de bediening van de sacramenten uitgesloten.
Dat geeft een merkwaardige spanning aan onze kerkdiensten. Aan de ene kant zijn ze geen besloten bijeenkomsten, maar openbare samenkomsten. We doen met elkaar ons best om daar meer van te maken dan de dooddoener van vroeger dat je niet aan evangelisatie zou hoeven doen, omdat de kerkdeuren toch altijd openstaan. We proberen mensen ook over de drempel van de kerk te helpen: met wervende advertenties, met persoonlijke uitnodigingen, met een hartelijk welkom. Tegelijk hopen we stiekem wel dat er geen gasten komen binnenlopen als er net een avondmaalsdienst gehouden wordt. Want dan zullen we hun duidelijk moeten maken dat, zolang ze niet beleden hebben dat hun volkomen heil rust in het enige offer van Christus, ze niet aan het avondmaal mogen deelnemen. Bij de staande avondmaalsviering op Goede Vrijdag werd dat pijnlijk zichtbaar. Als je allemaal in een grote kring gaat staan, vallen ineens die mensen op die niet aan het avondmaal mogen deelnemen. Wat zaten ze daar eenzaam. Reden om het avondmaal maar niet weer op die manier te vieren?
Ik denk het toch niet. Tenzij we zouden vinden dat de kerk leden mag hebben die geen lid zijn van het lichaam van Christus. Dat kan, maar dan verwijderen we ons wel van het apostolische getuigenis dat de kerk het lichaam van Christus ís. Ik ontkom er dus niet aan te zeggen dat de levenstekens die Christus geeft iets ongastvrijs hebben.
Of moet je zeggen dat zij ons aansporen tot echte gastvrijheid? Ik denk dat je dat inderdaad moet zeggen. Want uiteindelijk gaat er niet om dat mensen de drempel van de kerk nemen, maar dat ze de drempel van het koninkrijk der hemelen nemen. Dat geldt uiteraard niet alleen voor de gasten van de gemeente, maar ook voor de kinderen van de gemeente. Bij de doop doe je als ouders niet zozeer de belofte dat je je kinderen mee zult nemen naar de kerk, maar dat je ze meer zult nemen naar het rijk. Dat dat niet hetzelfde is wordt voelbaar als je je kinderen wel meeneemt naar de kerk, maar niet naar de avondmaalstafel. Hoe vervelend je dat ook vindt, je moet ze dan toch, al is het dan maar voor even, achterlaten. Waarom je dat doet, dat zul je ze moeten uitleggen. Want je hebt bij de doopvont beloofd dat je je kinderen bij het opgroeien hun doop zult leren verstaan.
Nu valt er over de doop veel te vertellen aan je kinderen. Maar in dat dooponderricht mag toch niet ontbreken dat ze door hun doop van de kinderen van de ongelovigen onderscheiden zijn. Hen heeft God uit de duisternis geroepen naar zijn wonderbaarlijke licht (1Pt.2,9). Hen heeft Hij van de weg die naar de ondergang leidt gezet op de uitvoegstrook naar het eeuwige leven. Maar dan moeten ze die afslag wel nemen. Dat is een keuze die jij als vader of moeder niet voor hen kunt maken. Dat voel je ineens als je je kinderen wel mee mag nemen naar de doopvont, maar niet naar de avondmaalstafel. Ja, ik zou zeggen: duw dat gevoel niet weg. Je kunt wel zeggen dat het jij het geloof aan je kinderen niet kunt geven, omdat het geloof van de Heilige Geest komt, zoals inderdaad in zondag 25, vraag en antwoord 65 staat. Maar er staat wel bij dat Hij dat geloof werkt door de verkondiging van het heilig evangelie. En die verkondiging van het heilig evangelie is niet in de eerste plaats de taak van de dominee, maar van jouzelf. Jíj zult moeten uitleggen dat je door de doop ook geroepen en verplicht bent tot een nieuwe gehoorzaamheid. Dat wil zeggen dat je de God van je doop aanhangt, vertrouwt en liefhebt met heel je hart, met heel je ziel, met heel je verstand en met al je kracht. Het betekent ook dat je breekt met die dingen die je weer op de weg naar de ondergang brengen, ook als je eigen hart onweerstaanbaar tot die weg wordt aangetrokken. Hoe zou je daar niet over spreken, als je jezelf ziet aanzitten aan de avondmaalstafel en je kind alleen in de kerkbank ziet zitten?
Maar als jij niet spreekt, wordt ook het sacrament stom. Dat het sacrament ook scheiding maakt, je hebt het verdrongen. Het is een oude grenspaal uit de tijd van het Romeinse rijk, die inmiddels is bijgezet in een museum voor oudheden.

3. Nu is dat precies het beeld dat sommigen van de sacramenten hebben. Iemand schreef eens: “Ze doen niet meer waar ze voor zijn ingesteld, ze spreken niet meer aan, binden niet meer samen en maken niet meer medeplichtig. () Het (sacrament) stamt uit een leefwereld die de onze niet meer is, op geen enkele manier zelfs, en raakt ons daarom gevoelsmatig niet meer. Ja, als we verschrikkelijk ons best doen, wil het nog wel lukken, maar de vanzelfsprekendheid waarmee de rituele beeldtaal de emotionele laag van ons bestaan bedoelde te bereiken, is eraf” (H.M. Kuitert).
Toch, en dat is het laatste waar ik met u bij stil wil staan, vindt Christus zelf die sacramenten onmisbaar, anders had hij niet gezegd: “Trek heel de wereld rond en maak aan ieder schepsel het goede nieuws bekend. Wie gelooft en gedoopt is zal gered worden, maar wie niet gelooft zal worden veroordeeld” (Mc.16,16), en: “Dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed voor jullie. Doe dit, telkens opnieuw, om mij te gedenken” (1Kor.15,24.25). Naar die beide momenten verwijst de Catechismus, als hij in vraag en antwoord 68 zegt dat Christus in het nieuwe verbond twee sacramenten heeft ingesteld, namelijk de heilige doop en het heilig avondmaal.
Opmerkelijk genoeg gaat de Catechismus er aan voorbij dat Christus ook de verkondiging van het heilig evangelie heeft ingesteld, toen Hij zei: “Trek heel de wereld rond en maak aan ieder schepsel het goede nieuws bekend”. Misschien zwijgt de Catechismus daarover, omdat dat zgn. zendingsbevel wel spreekt van een taak van de kerk om het evangelie te verkondigen aan mensen die nog niet geloven, maar niet van een taak van de kerk om het evangelie te verkondigen aan mensen die al wel geloven. Je zou dan ook kunnen zeggen dat wat voor ons het belangrijkste van een kerkdienst is: de verkondiging van het heilig evangelie, voor Jezus zelf minder belangrijk was dan de bediening van de sacramenten. Over het eerste heeft Hij Zich nl. niet uitgelaten, maar over het tweede wel. Wat de kerk ook doet, ze moet in elk geval de doop en het avondmaal bedienen.
Terwijl het voor ons gevoel precies andersom ligt. De bediening van de sacramenten is voor ons geen zaak van leven of dood. Een kindje dat niet gedoopt is kan wel degelijk behouden worden. De doop is immers slechts een teken bij de belofte waarin het kindje krachtens het genadeverbond al mag delen (vgl. DL I 17). En wat betreft het avondmaal: steeds minder zullen mensen geneigd zijn een bezoek aan familie of vrienden of een vakantie te verschuiven, omdat je anders een avondmaalsdienst moet missen. De tijd dat er door de ouderlingen na een avondmaalsdienst een presentielijst werd opgemaakt van de mensen uit zijn wijk is – in elk geval in deze gemeente – voorbij.
Nu, ook al deel ik de mening dat we niet behouden worden door het gebruik van de sacramenten, maar door het geloof, dat betekent niet dat de sacramenten dus van ondergeschikt belang zijn. Ik hoef niet uit te leggen waarom dat zo is. Het feit dat Christus zelf die prioriteiten stelt zou u en mij genoeg moeten zijn. Daarom slechts iets ter overweging. Een woord van Jezus zelf: “Wie betrouwbaar is in het geringste, is ook betrouwbaar als het om veel gaat” (Lc.16,10). Of weet Hij beter dan wie van ons ook dat die sacramenten zo gering niet zijn? Verraad onverschilligheid voor de levenstekens die Jezus geeft misschien onverschilligheid voor het de zaak waar ze voor staan? Dat zou ons niet moeten verbazen.

Amen.