Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Er viel een stilte in de hemel van ongeveer een half uur
titel : Er viel een stilte in de hemel van ongeveer een half uur
datum : 27 juni 2010
volledige onderwerp : Zondag 22
Download deze preek.

Preek over HC zondag 22 (GZR, 18-3-07)

Ps.119:64-66
L Opb.6,12-8,5
Gez.141
T HC zondag 22
Gez.75:3-6
Ps.48:4
Ps.103:5-7 (na collecte)

Gemeente van de Here Jezus,

“Er viel een stilte in de hemel van ongeveer een half uur”, staat er in Openbaring 8 vers 1. Tijdens de introductieperiode van de studentenvereniging in Kampen heb ik een aankomend eerstejaars eens gevraagd over deze tekst een overdenking te houden. Hij zweeg een tijdje, keek toen op uit zijn bijbeltje en zei: “Het zal wel niet de bedoeling zijn dat ik nu een half uur mijn mond houd”.
Had hij dat maar gedaan. Dat was de beste overdenking geweest die je over Openbaring 8 vers 1 kunt houden. Denk je eens in dat ik zo’n preek over deze tekst zou houden. Na de aanhef: “Gemeente van de Here Jezus”, een stilte die pas na een half uur verbroken werd door het verlossende woordje “amen”. Je moet er niet aan denken. De spanning zou werkelijk onverdraaglijk worden. Toch krijg je zó pas een beetje een idee van de spanning die Johannes in de hemel waarnam. Het is een stilte voor de storm, die losbreekt op het moment dat die engel een schaal met vuur boven de aarde leegt. Dan volgen er donderslagen, groot geraas, bliksemschichten en een aardbeving.

“Er viel een stilte in de hemel van ongeveer een half uur”. Past dat woord bij uw beeld van de hemel? Die vraag is nog niet zo gemakkelijk te beantwoorden, denk ik. Want ons beeld van de hemel is waarschijnlijk meer gestempeld door dat andere woord dat we uit het laatste bijbelboek gelezen hebben: “Hierna zag ik dit: een onafzienbare menigte, die niet te tellen was, uit alle landen en volken, van elke stam en taal. In het wit gekleed en met palmtakken in hun handen stonden ze voor de troon en voor het lam. Luid riepen ze: ‘De redding komt van onze God die op de troon zit en van het lam!’” Stil is het dus bepaald niet in de hemel. Er wordt juist luid gezongen door mensen in witte kleren en driftig gezwaaid door mensen met palmtakken in hun handen. Aan de andere kant: veel mensen lijkt dat, als ze eerlijk zijn, nou niet bepaald spannend. Als je nou kunt kiezen tussen een gezellig avondje uit met vrienden, goeie muziek, dans, en dit: de hele dag opwekkingsliedjes zingen in witte jurken, een eeuwig lidmaatschap van het Oslo Gospel Choir... Een praise-avond is leuk, voor een keer. Maar voor eeuwig? Het woord waar Openbaring 8 mee opent vormt dan ook een volmaakt contrast met het beeld dat Openbaring 7 oproept: geen spanningsloos gezang, maar spannende stilte.
Laten we ons er dus eerst maar eens over verbazen dat het in Openbaring 8 spannend blijkt te zijn in de hemel. Kan dat eigenlijk wel? Spanning lijkt ons iets typisch aards en ontspanning typisch hemels. Hoe kan er nu spanning in de hemel optreden? De hemel is toch de plaats waar de vraagtekens vervangen zijn door uitroeptekens? De spanning die hier op aarde soms om te snijden is, is daar toch opgelost in een volmaakte harmonie?
Nu zouden we ons nog kunnen voorstellen dat de engelen rondom Gods troon wél in spanning kunnen verkeren. We lezen immers in de Bijbel dat de engelen in de hemel graag zouden doordringen in de geheimen van het evangelie dat op aarde verkondigd wordt (1Pt.1,12). Je kunt je dan ook indenken dat het voor de engelen een spannende gebeurtenis was dat het Lam nu het zevende zegel van de boekrol zou openen. Welke marsorders zouden zij ontvangen voor het slotoffensief dat het Lam op aarde wilde ontketenen? Maar dat de engelen rondom de troon in spanning zaten, betekent toch nog niet dat Hij die op de troon gezeten was in spanning zat? Van God zelf kunnen wij ons haast niet voorstellen dat Hij iets als spanning zou kunnen kennen. Beroemd is een woord geworden van de kerkvader Augustinus uit zijn boek Belijdenissen: “Onrustig is het hart, tot het rust vindt bij U, o God”. Ons hart is onrustig, omdat het nog zoveel vragen heeft. Wij kennen het heden al niet, laat staan dat we de toekomst kunnen overzien (vgl. Gez.31:1). Maar bij God is dat anders. Psalm 142 zegt: “Wanneer mijn geest in mijn versmacht, kent Gij mijn pad”. God kent het heden en overziet de toekomst wél. Als je dat gelooft, hoef je zelf niet te weten hoe het verder moet. Zolang Hij het maar weet. Maar hoe zou je hart tot rust kunnen komen bij God, als er in zijn hart ook iets als onrust zou bestaan? Dat er in de hemel een stilte viel van een half uur kan voor ons gevoel dan ook onmogelijk betekenen dat God zelf in gespannen verwachting zou zijn.
Toch staat dat er wel. Want in dat halve uur stilte staan de hemelingen niet als aan de grond genageld. Er gebeurt er iets. Door de engelen wordt er een soort van pantomime opgevoerd. Zeven engelen gaan voor de troon staan. Van Hem die op de troon gezeten is ontvangen ze een bazuin. Maar een achtste engel gaat niet bij de troon, maar bij het altaar staan. De wierookschaal die hij in zijn hand heeft wordt gevuld met een grote hoeveelheid wierook, om die op het gouden altaar voor de troon te offeren, samen met de gebeden van alle heiligen. Al uit het oude testament is het branden van wierook bekend als een symbool voor het opzenden van onze gebeden (Lev.2,1-3). Je ziet je gebed als het ware opstijgen tot voor Gods troon. En zoals die wierook ons aangenaam is, zo zijn onze gebeden Hem aangenaam.
Welnu, voordat God overgaat tot de orde van de dag des Heren, waarop de hemelsferen met luid gedreun vergaan, de elementen in vlammen opgaan, de aarde wordt blootgelegd en alles wat daarop gedaan is aan het licht komt (2Pt.3,10), wil God eerst luisteren naar onze gebeden. Waarom Hij dat wil, op die vraag zijn allerlei antwoorden mogelijk. Wil Hij van ons horen dat wij net zo naar de nieuwe hemel en de nieuwe aarde verlangen als Hij? Geeft Hij de mensen nog de gelegenheid om Hem aan te roepen en behouden te worden (vgl. Joel 3,5 / Hnd.2,21)? Maar in beide gevallen wacht God op ons. Laat dat eens goed op u inwerken, broeders en zusters. Zeg niet bij u zelf: “De Here weet toch allang wat er in onze harten leeft? Daarvoor hoeft Hij de wierook die die achtste engel op het altaar verbrandt toch niet op te snuiven?” Want dan maken we van de heilige pantomime die hier opgevoerd wordt een onheilige vertoning. Verbaas u veeleer over het wonder dat de God van wie één van de Psalmen zegt: “HEER, u kent mij, u doorgrond mij, u weet het als ik zit of sta, u doorziet van verre mijn gedachten, ga ik op weg of rust ik uit, u merkt het op, met al mijn wegen bent u vertrouwd. Geen woord ligt op mijn tong, of u, HEER, kent het ten volle” (Ps.139,1-4), dat die God niet buiten ons óm over onze toekomst beslist. Zelfs als Hij allang weet wat er in onze harten leeft, dan nog wil Hij het graag van ons horen. Blijkbaar kan Hij verrast worden door wat Hij al wist.
Iets daarvan kennen wij ook wel. Ook al weet je dat je vrouw van je houdt, wat is het heerlijk dat van haar te horen. Als twee mensen van elkaar houden, wordt “ik hou van jou” nooit een cliché. Zo wordt ook in Openbaring 8 de pantomime van de liefde gespeeld. Het is een spel, maar het is niet gespeeld. Hier wordt zichtbaar wat de profeet Sefanja in het laatste hoofdstuk van zijn boekje al zei over het eeuwige leven: “De HEER, je God, zal in je midden zijn, hij is de held die je bevrijdt. Hij zal vol blijdschap zijn, verheugd over jou, in zijn liefde zal hij over je zwijgen, in zijn vreugde zal hij over je jubelen” (Sef.3,17).

Waarom nu dit hele verhaal over die stilte die er in de hemel valt vóórdat het einde daar is? In deze preek zou het toch moeten gaan over het eeuwige leven dat ná het einde aanbreekt? Inderdaad. Wat dat betreft lijkt Openbaring 8 een merkwaardige keuze bij een preek over zondag 22. Toch heb ik bewust voor een gedeelte gekozen dat slaat op de tijd die aan de opstanding van het vlees en het eeuwige leven voorafgaat, omdat wij bij de opstanding deze God ontmoeten en in het eeuwige leven bij deze God blijven: de God die de spanning van de liefde kent.
In het beeld dat veel mensen van Gods eeuwigheid hebben is voor die spanning van de liefde geen plaats. Het feit dat God eeuwig is betekent dan zoveel als dat Hij in een eeuwig heden leeft. Daar zit echter wel een stukje heidens denken achter. Een heidense filosoof heeft “eeuwigheid” eens gedefinieerd als: het volledig gelijktijdige en volmaakte bezit van een onbegrensd leven . God geniet daardoor alles wat er maar te genieten valt in één keer. Hij kan niet naar iets verlangen, omdat Hij het al bezit. Zodra wij de gedachte toelaten dat dat ook onze toekomst zou zijn, wordt het heel moeilijk er nog naar te verlangen. We zijn dan immers op weg naar een toekomst waarin er niets meer te verlangen is. Maar is dat niet dodelijk saai? Want ook al is het leven híer een leven dat zich ontwikkelt langs de lijnen opgaan, blinken en verzinken, het is wel een leven dat zich ontwíkkelt. Maar is een leven dat niet meer opgaat en niet meer verzinkt, maar alleen nog maar blinkt, geen leven dat tot stilstand gekomen is? Stilstand is toch achteruitgang? Ben je dan eigenlijk niet levend dood?
Kijk dan eens naar de Catechismus. Die opent zijn verwoording van de troost van het eeuwige leven met de zin: “Evenals ik nu al het begin van de eeuwige vreugde in mijn hart voel, zal ik na dit leven volkomen heerlijkheid bezitten”. De Catechismus denkt blijkbaar heel anders over wat eeuwig leven is dan de heidenen. Nadenken over het eeuwige leven leidt er niet toe dat er nu al een begin van eeuwige vervéling over je komt, maar een begin van eeuwige vréugde. Hoezo? Omdat dat begin daarin bestaat dat je door de Heilige Geest de liefde begint te ervaren die God ons in zijn Zoon Jezus Christus bewezen heeft. Maar liefde is nooit statisch, maar altijd dynamisch. Daarom deugt die heidense definitie van wat eeuwigheid is ook niet: het volledig gelijktijdige en volmaakte bezit van een onbegrensd leven. Die deugt niet omdat zij liefdeloos is. Liefde is immers per definitie geen bezit, maar een geschenk: van de ander aan jou en van jou aan de ander. Eeuwige liefde kan dan ook onmogelijk eeuwige stilstand zijn. Want het is wezenlijk voor de liefde dat zij in beweging is: van de ander naar jou en van jou naar de ander.
Welnu, zegt de Catechismus: die eerste beweging voel ik nu al in mijn hart: de liefde van de Ander (met een hoofdletter) naar mij. God ís maar niet naar mij toegekomen in Jezus Christus, Hij komt nog steeds naar mij toe in Jezus Christus. Elke keer dat het tot me doordringt dat God mij zó liefgehad heeft dat Hij zijn enige Zoon gegeven heeft, opdat ik niet verloren zou gaan, maar eeuwig leven hebben (Joh.3,16), dan schiet ik zelf ook vol. Dat blijven alleen momenten, waarin de eeuwigheid de tijd vervult. Maar mijn toekomst is dat ik niet alleen liefde van God ontvángen zal, maar ook liefde aan Hem schénken zal. Wat nu nog met horten en stoten gaat, zal daar een vloeiende beweging worden. Eindelijk kom ik ertoe mijzelf helemaal aan Hem over te geven. Dan gaan de remmen pas echt los. Ik ga dus helemaal van een dynamisch en spannend leven naar een statisch en saai leven. Het is juist omgekeerd. De remmingen die ik nu nog voel om mijzelf helemaal te geven, die ben ik dan kwijt.
Dat bedoelt de apostel Paulus, als hij in zijn lofzang op de liefde in 1 Korintiërs 13 zegt: “Nu kijken we nog in een wazige spiegel, maar straks staan we oog in oog. Nu is mijn kennen nog beperkt, maar straks zal ik volledig kennen, zoals ik zelf gekend ben”. Je mag ook lezen: straks zal ik volledig liefhebben, zoals ik zelf geliefd ben. De lofzang op de liefde mondt uit in een lofzang op het eeuwige leven. Want wat is er volgens de apostel blijvend? Niet de hoop, zelfs niet het geloof, maar de liefde. Want geloof gaat eens over in zien (2Kor.5,7) en hoop gaat eens over in ervaren (Rom.8,24). Maar wat overblijft is de liefde. Haar zien wij in levenden lijve (1Joh.4,16), haar ervaren wij aan den lijve.
Denk nu nog eens terug aan die stilte in de hemel van een half uur. Die stilte breekt ons beeld aan scherven dat God allang in het volledig gelijktijdige en volmaakte bezit is van een onbegrensd leven. Gelukkig maar. Want een saai beeld van God leidt tot saai beeld van de eeuwigheid. Maar Gods leven ís niet saai en daarom is het eeuwige leven dat ook niet. “Er viel een stilte in de hemel van een half uur”. Dat is de stilte van de verliefdheid, die overgaat in de stilte van de liefde, waar Sefanja al van droomde, toen hij zei: “In zijn vreugde zal hij over je jubelen, in zijn liefde zal hij over je zwijgen”.
Nu zegt de Catechismus dat dat jubelen en dat zwijgen niet alleen mijn ziel, maar ook mijn lichaam zal doortrekken. Want welke troost geeft u de opstanding van het vlees? “Dat niet alleen mijn ziel na dit leven terstond tot haar hoofd Christus opgenomen zal worden, maar dat ook dit mijn vlees, door de kracht van Christus opgewekt, weer met mijn ziel verenigd en aan het verheerlijkt lichaam van Christus gelijkvormig zal worden”. De liefde zal dus niet alleen onze ziel beroeren, maar ook ons lichaam. We krijgen niet alleen onze mond, maar ook onze ogen en onze oren, onze handen en onze voeten terug. We krijgen dan ook meer te doen dan zingen alleen. Maar alles wat we doen zal een lofzang zijn op Hem uit wie, door wie en tot wie alle dingen zijn (Rom.11,36).

Maar wat als je het begin van die eeuwige vreugde nog niet in je hart voelt? Denk dan eens na over de vraag wat je spannender vindt: hebben of krijgen, krijgen of geven, zonde of genade? Als je hart bij het eerste ligt (bij de heb, de krijg en de zonde), dan ben ik bang dat de nieuwe hemel en de nieuwe aarde niks voor jou zijn. Veel te saai.

Amen.