Predikant

preken(vrije stof)
preken(catechismus)

Musicus

cv
concertagenda
cds
Composities
Diversen
Contact
Predikant > Preek lezen > Ik ben ook een maar een mens?
titel : Ik ben ook een maar een mens?
datum : 7 augustus 2011
volledige onderwerp : Zondag 05 & 06
Download deze preek.

Preek over HC zondag 5 & 6 (GZR, 11-6-06; Lisse, 24-9-06; Alphen, 22-10-06l Bodegraven, 13-5-07; opnieuw bewerkt voor Den Ham, 7-8-11)

Ps.24:2,4
L Ps.90
Ps.89:16,17,18
T HC zondag 5 en 6
Lied 21:1,3
Ps.33:5,6 (na apostolische geloofsbelijdenis)
Gez.145 (na collecte)

Gemeente van de Here Jezus,

“Ik ben ook een maar een mens”. Die verzuchting slaken mensen nogal eens, als ze hun excuses gemaakt hebben en proberen te verklaren hoe ze zich zó konden laten gaan: “Ik ben ook maar een mens”. Het feit dat je ‘ook maar een mens’ bent, betekent blijkbaar dat het je spijt dat je niet was wie je had willen zijn. Je hoopt dat de ander dat van je wil aannemen en zijn hand over zijn hart strijkt. Nog wat scherper geformuleerd: de uitspraak: “ik ben ook maar een mens”, wordt in gebracht als een grond voor vergeving. “Reken het mij dat niet aan dat ik zei wat ik zei en deed wat ik deed. Ik ben immers ook maar een mens?”

Kun je met dit excuus bij God aankomen? Kun je tegen Hem zeggen: “Wees niet toornig op mij. Ik ben immers maar een mens”? Zeg niet te snel van nee. Want de dichter van Psalm 90 lijkt dit argument in te brengen, als hij God bidt zijn brandende toorn te laten varen.
De dichter van deze psalm, Mozes, de man Gods, is diep doordrongen van Gods eeuwigheid en van zijn eigen vergankelijkheid. Waarschijnlijk is Psalm 90 daarom bij ons de oudejaarspsalm bij uitstek geworden. We voelen, staande op de drempel van weer een nieuw jaar, hoe snel ons leven voorbij gaat. Wij vliegen heen. Op zo’n moment zoeken onze toevlucht bij de Eeuwige, omdat Hij er al was nog voor de bergen geboren waren, nog voor Hij aarde en land had gebaard. Hij is God van eeuwigheid tot eeuwigheid.
Maar waarom hebben wij mensen het eeuwige leven niet? Volgens Mozes komt dat omdat God toornig op ons is. “Wij komen om door uw toorn, door uw woede bezwijken wij. U hebt onze zonden vóór u geleid, onze geheimen onthuld in het licht van uw gelaat. Al onze dagen gaan heen door uw woede, wij beëindigen onze dagen in een zucht”. Psalm 90 is eigenlijk een gebed aan God om op te houden boos op ons te zijn. Laat God, in plaats van ons te treffen met zijn toorn, ons in de morgen vervullen met zijn liefde en ons laten juichen van blijdschap, al onze dagen. “Vergun uw volk, na jarenlange druk, nu vele jaren zorgeloos geluk”, zegt de berijming van Psalm 90. Laat toch niet alles ons bij de handen afbreken. Laat er toch iets van het werk van onze handen mogen blijven bestaan. “Bevestig het werk van onze handen, het werk van onze handen, bevestig dat”.
Maar waarom zou God dat moeten doen? In de Psalmen voor Nu – u weet wel, de ‘popversie’ van de Psalmen – wordt er gezongen: “U noemt ons stof en wij geven de geest. / Wij zijn maar mensen, Heer, en duizend jaar / is als een uur voor u; wij zijn er zo geweest”. Wij zijn maar mensen. In de vertaling van Psalm 90 die wij in onze bijbeltjes hebben staan staat dat zo niet. Toch denk ik dat het een goede samenvatting is. De vergankelijkheid van ons menselijk leven wordt in deze Psalm breed voor Gods aangezicht uitgesponnen. Waarom? Waarschijnlijk toch wel met de bedoeling dat God denkt: “Het zijn ook maar mensen. Wat zijn ze kwetsbaar. Wat zijn ze zwak. Ze zijn ook geen partij voor Mij. Waarom zou Ik Me om hen zo druk maken?” Psalm 90 lijkt er op uit te zijn bij God iets van vertedering op te roepen: dat Hij zijn hand over zijn hart strijkt en zich weer over ons ontfermt. In de Psalmen voor Nu gaat dat zo: “Wanneer wordt woede medelijden, HEER? / Wij horen toch bij u? Laat ons uw liefde zien. / Dan zingen wij ons lied voor u, steeds weer. // De pijn heeft lang geduurd. Wilt u misschien / na al die tijd verdriet iets heerlijks voor ons doen? / Laat ons voortaan uw grote goedheid zien”.

“Wij zijn maar mensen. Wanneer wordt woede medelijden, HEER?” Als we zondag 5 van de Catechismus echter mogen geloven, dan zou Gods antwoord op die smeekbede moeten zijn: nooit. Nooit wordt zijn woede medelijden. Dat wij maar mensen zijn, daar heeft God geen boodschap aan. Want “God wil dat aan zijn gerechtigheid wordt voldaan. Daarom moeten wij òf zelf òf door een ander volkomen betalen”. Maar wij kunnen zelf helemaal niet betalen. Wij maken de schuld juist elke dag groter. En we mogen ook niet een ander naar voren schuiven die voor ons betaalt. Want is dat gerechtigheid: dat een ander opdraait voor jouw zonden? Wij kunnen het heel nobel vinden als een moeder een algehele bekentenis aflegt om te voorkomen dat haar kind de gevangenis indraait, maar als blijkt dat haar bekentenis vals is, zal ze toch vrijgelaten worden en moet haar kind alsnog zitten. Zo werkt dat toch ook bij ons mensen? Waarom zou dat dan bij God ineens anders moeten werken?
Bovendien gaat het hier niet om de ene mens die voor de andere mens de straf op zich neemt, maar om één mens die voor álle andere mensen de straf op zich neemt. Dat is toch ook niet in verhouding? Stel je voor dat van een terroristische organisatie slechts één lid gestraft wordt en de andere leden vrijuit gaan; dat duizend terroristen allemaal 20 jaar gevangenisstraf verdienen, maar er 999 in vrijheid gesteld worden omdat één die 20 jaar krijgt? 1000 x 20 is 20.000 jaar. Zelfs als die ene levenslang zou krijgen, dan nog is bij zijn sterven maar een heel klein deel van die 20.000 jaar uitgeboet. Je zou 20.000 jaar in de gevangenis moeten zitten om de straf van al die anderen te kunnen dragen. Maar welk mens leeft er zo lang? Dat is wat de Catechismus bedoelt met die worden dát ook geen schepsel dat alleen maar schepsel is, de last van de eeuwige toorn van God tegen de zonde kan dragen en andere schepselen daarvan verlossen.
Het lijkt hoogst merkwaardig dat de Catechismus dan toch nog verder vraagt: “Wat voor een Middelaar en Verlosser moeten wij dan zoeken?” Je zou zeggen: Houd maar op met zoeken. De mens moet gestraft worden voor de schuld die de mens gemaakt heeft. Maar al zou je een mens vinden die bereid is de straf van al zijn medemensen te dragen, wat schiet dat op als die mens zelf schuldig staat? De straf die hij op zich neemt is de straf die hij zelf verdiend heeft. Maar stel dat je een mens zou vinden die volmaakt onschuldig is, dan nog zou hij slechts de straf van een paar van zijn medemensen kunnen overnemen als die straf een paar jaar gevangenschap was, en slechts de straf van één van zijn medemensen als die levenslang was of de doodstraf. Toch komt de Catechismus nog met een oplossing aanzetten: als die volmaakt onschuldige mens nu tegelijk ook eens God was, dan zou hij wél sterk genoeg zijn om maar niet de straf van één of een paar van zijn medemensen op zich te nemen, maar van al zijn medemensen. Dan zou die ene mens wél 20.000 jaar kunnen zitten. Dan zou hij wél 1.000 keer de doodstraf kunnen krijgen.
Meent de Catechismus dit nou serieus? Een volmaakt onschuldig mens kun je al niet vinden, laat staan een volmaakt onschuldig mens die tegelijk echt God is. Kan de Catechismus niet beter zo eerlijk zijn te zeggen dat hij op die gedachte kwam omdat zo’n Middelaar en Verlosser er ís: Jezus Christus, die echt God en tegelijk echt mens en rechtvaardig mens is, en ons daarom door God gegeven is tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en tot een volkomen verlossing?
Misschien wel. Toch heeft het ook iets goed dat de Catechismus na Christus toch vraagt welke Middelaar en Verlosser wij dan moeten zoeken, en antwoordt dat die Middelaar niet alleen een volmaakt onschuldig mens, maar ook echt God moet zijn, alsof de Catechismus nog nooit van Jezus Christus gehoord heeft. Want zo wordt pas goed duidelijk dat onze redding eigenlijk een onmogelijke opgave is. Zelfs het grootste wonder is te klein om ons te redden. Juist als we dat grootste wonder met ons verstand verzinnen: een volmaakt onschuldig mens die tegelijk God is, realiseren we ons dat zo’n Middelaar en Verlosser nooit kan bestaan: een volmaakt onschuldig mens is al niet te vinden, laat staan een volmaakt onschuldig mens die tegelijk God is. Dat kan toch helemaal niet? Is een mens die tegelijk God is nog wel mens? Is een God die tegelijk mens is nog wel God? Niet voor niets zegt de Catechismus er dan ook in beide gevallen het woordje “echt” bij: als God mens wordt, moet Hij wel echt Gód blijven; als God mens wordt, moet Hij wel écht mens worden. Maar dat kan toch helemaal niet? Voor onze verlossing is meer nodig dan een wonder: het onmogelijke moet werkelijkheid worden.

Zondag 6 onderstreept de onmogelijkheid van onze verlossing alleen maar als hij nog eens herhaalt dat de Middelaar zowel een volkomen onschuldig mens als echt God moet zijn. Door die vragen achter elkaar te beantwoorden: eerst waarom onze Redder een echt en rechtvaardig mens moet zijn en daarna waarom onze Redder echt God moet zijn, kan de Catechismus de indruk wekken dat dat dus even belangrijk is: dat Christus mens is en dat Christus God is. Maar we moeten niet vergeten dat aan zondag 6, over de twee naturen van Christus, zondag 5 voorafgaat. En in die zondag ligt het accent op Christus’ mensheid: Gods recht eist dat de mens, die gezondigd heeft, ook de consequenties van zijn zonde draagt. Dat blijft in zondag 6 recht overeind staan, als daarin beleden wordt dat onze redder tegelijk echt God moest zijn. Hij moet echt God zijn om uit kracht van zijn godheid de last van Gods toorn aan zijn ménselijke natuur te kunnen dragen. Nu is dat een zin waar ik mij heel weinig bij kan voorstellen, en u waarschijnlijk met mij. Maar zoveel is wel duidelijk: het accent blijft liggen op Christus’ mensheid. Hij moest Gods toorn tegen het ménselijke geslacht aan zijn ménselijke natuur dragen. Want de mens is schuldig en de mens moet boeten.
Je kunt dus niet zonder meer zeggen dat God de mens spaart door de straf zelf maar te dragen. Dan zou God inderdaad bij Zichzelf gezegd hebben: “Het zijn ook maar mensen. Wat zijn ze kwetsbaar. Wat zijn ze zwak. Ze zijn ook geen partij voor Mij. Waarom zou Ik Me om hen zo druk maken?” En als u daar goed over nadenkt, is het maar goed ook dat God dat niet bij Zichzelf gezegd heeft. Want zou u werkelijk blij worden van een God die over u of over jou zei: “Waarom zou ik Me om jou ook zo druk maken? Wat stel je eigenlijk ook voor?” Dan zou God onze zonden ons vergeven uit onverschilligheid. Zoals wij kunnen overgaan tot de orde van de dag onder het motto: “De kool is het sop ook niet waard”. Dat zeg je alleen van mensen met wie je niks hebt. Maar juist omdat God wel wat met ons heeft, trekt Hij Zich onze zonden ook zo aan.
Wat voor band heeft Hij dan met ons? Je zou kunnen zeggen: de band van een vader met zijn kind. Bij het doopvont neemt Hij ons tot zijn kinderen en erfgenamen aan en aan de avondmaalstafel geeft Hij als een goed huisvader zijn kinderen te eten. Toch gebruikt de Bijbel nog meer beelden om de band tussen God en ons weer te geven. Want van een vader kun je je nog voorstellen dat die vertederd is door zijn kind, zelfs als het kwaad gedaan heeft. Zo wist mijn zusje mijn vader altijd te vermurwen, door met een lief stemmetje te zeggen: “Niet boos zijn op lieve Joke”. Maar de band die wij met God hebben gaat ver uit boven die van een grote vader en een klein kind. Want God heeft een verbond met ons gesloten. Denk je dat eens in. Een verbond wordt over het algemeen aangegaan door twee gelijkwaardige partners. Maar daar kan in de relatie tussen God en ons toch nooit sprake van zijn? De Bijbel vult dat verbond zelfs in als een huwelijksverbond. Tussen God en ons mag de liefde, de vertrouwelijkheid, de intimiteit bestaan die tussen man en vrouw bestaat. Als God dan zou zeggen: “Het zijn ook maar mensen”, dan zou dat er een symptoom van zijn de zijn liefde voor ons danig bekoeld is. Zoals wanneer een man over zijn vrouw spreekt als: “dat mens”.
In zondag 5 en 6 ontmoeten we God dan ook bepaald niet als Iemand die vastzit in zijn eigen rechtssysteem: “Wetten zijn wetten en regels zijn regels, en die moeten gehandhaafd worden”. Die karikatuur wordt wel van zondag 5 en 6 gemaakt, maar dat is volledig onjuist. Nee, in zondag 5 en 6 ontmoeten we Hem juist als Degene die weigert over ons denken en te spreken als “maar mensen”. Hij wil ons nog steeds zien als de mens die Hij bedoeld had toen Hij ons schiep. Voor Hem zijn we niet ‘maar mensen’, maar zíjn mensen. Geen armzalige schepsels om medelijden mee te hebben, maar een vrouw om van te houden. Zijn geliefde voor wie Hij alles over heeft, zelfs zijn enigst Kind.
Hij, Jezus Christus, werd door zijn Vader in de wereld gezonden om ons te verlossen, door die volmaakt onschuldige mens te zijn die nergens meer te vinden was. Het zegt wel wat over ons: hoe diep wij gevallen zijn, dat je God moet zijn om nog echt mens te kunnen zijn. Ik zeg dat niet bij wijze van speelse verwoording van zondag 5 en 6, maar in volle ernst: dat je God moet zijn om nog echt mens te kunnen zijn. Wij kunnen wel denken dat de Here Jezus minder echt mens was dan wij, omdat Hij zonder zonde was, maar dan doen we of je pas echt mens bent als je zondaar bent. Terwijl het juist omgekeerd is. Omdat wij zondaars zijn en blijven, zijn wij minder echt mens dan Jezus en blijven we er tegenop lopen dat we niet zijn wie willen. Om Christus’ wil blijven we overhoop liggen, niet met God, maar wel met onszelf.

Ondertussen heb ik daarmee iets heel belangrijks gezegd. Dat wij om Christus’ wil niet langer met God overhoop hoeven liggen. Want om Christus’ wil ligt God ook niet langer met ons overhoop. Ik was diep ontroerd, toen ik in het ND een ingezonden las van mijn oud-leermeester Ph. Roorda, waarin hij getuigde van die vrede, die er door Christus bestaat heerst tussen God en ons. ‘Verzoening als realiteit’, stond er boven. In dat ingezonden stond eigenlijk niet meer dan dat we serieus moeten nemen wat de Schrift zegt in Kolossenzen 1 vers 20: “Want het heeft de ganse volheid behaagd in Christus woning te maken, en door Hem, vrede gemaakt hebbend door het bloed zijns kruises, alles dingen weder met Zich te verzoenen, door Hem, hetzij wat op de aarde is, hetzij wat in de hemelen is”. Het was voor mij een herinnering aan het belangrijkste dat mijn leermeester me mee wilde geven. Met een ander woord van Paulus: “Wij dan, gerechtvaardigd door het geloof, hebben vrede met God” (Rom.5,1).
Toch zou het kunnen zijn dat sommigen van u denken: Vrede met God, dat is mooi. Maar zonet werd toch de indruk gewekt dat we nooit vrede zullen vinden met onszelf. En dat is wat minder mooi. Is dat bovendien wel waar? Want ook al zullen wij nooit echt God zijn zoals Jezus, zullen we daarom ook nooit echt mens worden zoals Jezus? In een andere zondag zegt de Catechismus toch ook dat Christus ons niet alleen met zijn bloed gekocht en vrijgemaakt heeft, maar ons ook door zijn Heilige Geest vernieuwt tot zijn beeld (HC 31 v&a 86)? Behalve vergeving is er toch ook zoiets als vernieuwing?
Inderdaad! Maar dat Christus je vergeeft is niet iets heel anders dan dat de Geest je vernieuwt. Juist vergeving vernieuwt. Christus zelf zegt over het werk van de Geest: “Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het mijne nemen en het u verkondigen”. Of zoals de Nieuwe Bijbelvertaling het, wat minder krachtig, weergeeft: “Door jullie bekend te maken wat hij van mij heeft, zal hij mij eren” (Joh.16,14).
De Geest zorgt ervoor dat je steeds minder in jezelf en steeds meer in Christus vindt. Hoe groter Christus voor je wordt, des te groter wordt je besef dat je helemaal niet zonder Hem kunt. Hij gaat steeds meer voor je betekenen. Het dringt steeds meer tot je door hoe nodig het was dat Hij voor je stierf. Het overweldigt je steeds meer hoe heerlijk het is dat Hij voor je stierf. Hij is je werkelijk door God geschonken tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en een volkómen verlossing.

De belangrijkste vraag uit de beide zondagen die vanmiddag centraal staan is dan ook die waarmee zondag 5 eindigt: Wat voor Middelaar en Verlosser moeten we dan zoeken? En het antwoord is: u moet niet langer zoeken, nu Híj gekomen is. Houd op met net te doen of Hij nog niet gekomen is. Leef niet langer om Hem heen, maar geef je aan Hem gewonnen.
Misschien vindt u het moeilijk om u gewonnen geven aan Gods liefde in Jezus Christus. Waarom? Is dat misschien omdat u nog steeds te hoog van uzelf denkt? Maak u dan klein en vraag God of Hij zijn vrede aan je wil schenken. Want om de Catechismus nog eens aan te halen: “Waarom is het gebed voor de christenen noodzakelijk? Omdat God zijn genade en heilige Geest alleen wil geven aan hen die van harte en zonder ophouden Hem daarom bidden en daarvoor danken” (v&a 116). Zonder Jezus, die ons geschonken is tot wijsheid, rechtvaardiging, heiliging en tot een volkomen verlossing blijf je nergens. Maar in Hem heb je alles.
Dan hoef je niet langer blij te zijn met je zelf. Wees maar blij met Christus. Want alles wat van Hem is deelt de Geest uit aan jou. In verbondenheid met Christus ben je weer mens: mens zoals God je bedoeld had. Hij heeft vrede met jou, zondaar die je bent. Dat is genoeg.

Amen.